202302921/1/R1.
Datum uitspraak: 3 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Breukeleveen, gemeente Wijdemeren,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 23 maart 2023 in zaak nr. 22/4218 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren.
Procesverloop
Bij besluit van 17 februari 2022 heeft het college aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een woning aan de [locatie 1] in Breukeleveen.
Bij besluit van 15 juli 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 maart 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college en [partij] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 22 februari 2024 heeft het college opnieuw op het bezwaar van [appellant] beslist. Het college heeft het bezwaar alsnog gegrond verklaard, toestemming verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan voor de bouw van de woning en het besluit van 17 februari 2022 voor het overige in stand gelaten.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 20 april 2026, waar het college, vertegenwoordigd door A.E.J. de Bie, bijgestaan door mr. W. van der Leij en mr. M.W. Holdkamp, beiden advocaat in Utrecht, is verschenen.
Overwegingen
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 10 december 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [partij] is eigenaar van het perceel aan de [locatie 1] in Breukeleveen. Hij heeft een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning voor de bouw van een woning op het westelijke deel van het perceel.
Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Plassengebied Loosdrecht 2013". Op het perceel rusten, voor zover hier van belang, de bestemming "Wonen" en de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2". Verder is de gebiedsaanduiding "milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied 1" aan het perceel toegekend. Het college is ervan uitgegaan dat de woning in overeenstemming is met het bestemmingsplan.
Het college heeft bij het besluit van 17 februari 2022 een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit "bouwen" als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, en dat besluit in bezwaar gehandhaafd.
De rechtbank heeft het besluit op bezwaar vernietigd, omdat de bouw van de woning volgens haar in strijd is met het bestemmingsplan en er daarom ook toestemming van het college is vereist voor de activiteit "gebruiken in strijd met het bestemmingsplan" en het college niet heeft beslist over het verlenen van die toestemming. Volgens de rechtbank is sprake van strijd met artikel 19.2.2, onder a, van de planregels omdat er naast de al vergunde tijdelijke woning nu ook een tweede woning wordt vergund. Ook zijn er volgens artikel 28.1 van de planregels alleen bouwwerken toegestaan op het perceel ten behoeve van het grondwaterbeschermingsgebied. Dat is de woning volgens de rechtbank niet. Ook daar is sprake van strijd met het bestemmingsplan.
[appellant] woont op het aangrenzende perceel aan de [locatie 2] en is het om verschillende redenen niet eens met de verleende omgevingsvergunning voor de bouw van de woning. [appellant] heeft hoger beroep ingesteld omdat hij een verdergaande vernietiging van het besluit op bezwaar wil bereiken. Volgens hem is de rechtbank er ten onrechte aan voorbij gegaan dat de woning op meer punten in strijd is met het bestemmingsplan dan waarvan de rechtbank is uitgegaan.
Goede procesorde
3. [appellant] heeft op 20 april 2026, de dag van de zitting, stukken ingebracht, waaronder twee door hem opgestelde notities. In deze notities staat een nieuwe hogerberoepsgrond over de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand) en nieuwe nadere argumenten. Het college heeft op de zitting verzocht om deze stukken wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten.
3.1. Behalve in geschillen waarin de wet het niet toestaat, kunnen ook na afloop van de beroepstermijn en, als die termijn is gegeven, na de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, nieuwe gronden worden ingediend. Deze mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde.
Daarnaast kunnen, ook na afloop van de beroepstermijn en, als die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, ter motivering van een eerdere beroepsgrond, nieuwe argumenten worden aangevoerd en kan nieuw bewijs worden ingediend, tenzij dat in strijd is met de goede procesorde. De goede procesorde stelt dus grenzen aan de mogelijkheid om in een lopende procedure nieuwe argumenten of nieuw bewijs in te brengen. Dat geldt ook als het nog meer dan tien dagen duurt voordat de zitting is, zoals geregeld in artikel 8:58 van de Awb.
De Afdeling hanteert twee vragen om te beoordelen of de goede procesorde wordt geschonden. De eerste vraag is of voor de overige partij(en) te weinig tijd resteert om zich er inhoudelijk over uit te laten. De tweede vraag is of de zaak moet worden aangehouden met als gevolg een onwenselijke of onaanvaardbare vertraging van de procedure in het licht van de belangen van de overige partij(en) en een goede rechtspleging. Onder dat laatste valt ook de voorbereiding van de zitting door de bestuursrechter.
3.2. De Afdeling betrekt de inhoud van de stukken die [appellant] heeft ingediend op 20 april 2026 niet bij de beoordeling van het hoger beroep, omdat de goede procesorde zich daartegen verzet. Daarbij neemt zij in aanmerking dat het college onvoldoende tijd heeft gehad om voorafgaand of tijdens de zitting inhoudelijk op de stukken te kunnen reageren. Het aanhouden van de zaak leidt bovendien tot vertraging van de procedure wat gezien de belangen van [partij] bij het realiseren van de woning en die van een goede rechtspleging, onwenselijk is. Daarbij betrekt de Afdeling dat [appellant] de stukken eerder had kunnen indienen en niet is gebleken van omstandigheden die er aan in de weg stonden om dat te doen.
De toegestane maximale bebouwingsoppervlakte en ondergronds bouwen
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de voorziene woning ook in strijd is met het bestemmingsplan, omdat de op grond van artikel 19.2.1 van de planregels toegestane maximale bebouwingsoppervlakte wordt overschreden. De rechtbank heeft volgens [appellant] ten onrechte overwogen dat de toegestane maximale bebouwingsoppervlakte in dit geval 230 m2 bedraagt, terwijl die volgens hem slechts 190 m2 is. Hij wijst daarbij erop dat de woning weliswaar is voorzien op meer dan 10 m van de zijdelingse perceelgrens, maar dat het moet gaan om ten minste 10 m zonder bebouwing. Dat is niet het geval, aldus [appellant]. Hiernaast heeft de rechtbank volgens [appellant] ten onrechte de oppervlakte van de inrit naar de onder de woning gelegen kelder niet meegenomen bij het bepalen van de bebouwingsoppervlakte van de voorziene woning.
Verder wijst hij erop dat de fundering van de woning onder de inrit doorloopt, wat op grond van artikel 27.3 van de planregels niet is toegestaan.
4.1. De gronden die [appellant] over de toegestane maximale bebouwingsoppervlakte in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 7, 9 en 10 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij voegt daaraan nog toe dat de omstandigheid dat de inrit naar de kelder onder meer onderheid moet worden en volgens [appellant] een geheel vormt met de kelder, niet maakt dat de inrit als gebouw moet worden aangemerkt.
De fundering onder de woning is, anders dan [appellant] betoogt, geen ondergrondse ruimte en de fundering is alleen al daarom niet in strijd met artikel 27.3, aanhef en onder a, van de planregels
Het betoog slaagt niet.
Bodemonderzoek
5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de omgevingsvergunning niet mocht verlenen in verband met bodemverontreiniging. [appellant] voert in dit verband aan dat het rapport "Verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5707 en de NEN 5740 aan de [locatie 1] te Breukeleveen" (bodemrapport) van Milieutechniek ZVS Eemnes BV van 6 juni 2017 betrekking heeft op de bouw van een woning op een andere plek op het perceel. Daarom bestaat er naar zijn mening aanleiding voor een actueler onderzoek. De rechtbank is volgens [appellant] ten onrechte niet op dit betoog ingegaan.
5.1. De rechtbank is niet ingegaan op het betoog over het bodemonderzoek. De Afdeling zal dit betoog daarom alsnog bespreken. Dit leidt er echter niet toe dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Daartoe overweegt de Afdeling het volgende.
5.2. Ingevolge artikel 3.1a van de Wabo mag het bevoegd gezag zich bij het verlenen van een omgevingsvergunning in ieder geval baseren op gegevens en onderzoeken die niet ouder zijn dan twee jaar. In de Memorie van Toelichting bij deze bepaling staat dat met de formulering is beoogd aan te geven dat het gebruik van gegevens en onderzoeken, die niet ouder zijn dan twee jaar, geen nadere motivering of rechtvaardiging behoeft. Daarnaast geeft deze formulering aan dat ook gegevens en onderzoeken die ouder zijn dan twee jaar gebruikt mogen worden. Verder staat er dat het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel met zich kunnen brengen dat bij een langere termijn gemotiveerd wordt, waarom van die gegevens wordt gebruik gemaakt. Hiertoe zal in beginsel alleen aanleiding bestaan, indien door belanghebbenden gesteld wordt dat aan het besluit actuele gegevens ten grondslag dienen te worden gelegd, omdat sprake is van gewijzigde feiten of omstandigheden, of de gegevens zo gedateerd zijn - wat betreft verstreken tijd, niet wat betreft inhoud - dat het bevoegde bestuursorgaan uit zichzelf behoefte voelt het gebruik ervan te verantwoorden.
5.3. In het bodemrapport zijn de resultaten neergelegd van een verkennend onderzoek naar de grond- en grondwaterkwaliteit op het perceel om inzicht te krijgen of er sprake is van bodemverontreiniging. In het rapport staat dat er geen bodembedreigende activiteiten op het perceel bekend zijn. Het college heeft in de inhoud van het bodemrapport geen aanleiding gezien om de omgevingsvergunning niet te verlenen.
Dat het bodemonderzoek is verricht ten behoeve van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de bouw van een woning op een andere plek op het perceel betekent niet dat reeds daarom het college het besluit niet mocht baseren op het bodemrapport. Het college heeft toegelicht dat het perceel sinds het bodemonderzoek braak heeft gelegen en er in de tussentijd geen ontwikkelingen op het perceel zijn geweest. De Afdeling ziet in wat [appellant] aanvoert geen aanleiding voor de conclusie dat sprake is van gewijzigde feiten of omstandigheden waardoor het college de resultaten van het bodemonderzoek niet meer aan de omgevingsvergunning ten grondslag mocht leggen.
Het betoog slaagt niet.
5.4. Gelet op het vorenstaande komt de Afdeling niet toe aan de beantwoording van de door het college opgeworpen vraag of het relativiteitsvereiste in de weg staat aan de vernietiging van het besluit van 15 juli 2022.
Conclusie hoger beroep
6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Nader besluit van 22 februari 2024
7. Bij besluit van 22 februari 2024 heeft het college opnieuw op het bezwaar van [appellant] beslist. Het heeft het bezwaar van [appellant] alsnog gegrond verklaard, toestemming verleend voor de activiteit afwijken van het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, en het besluit van 15 juli 2022 in stand gelaten.
Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.
7.1. [appellant] heeft, ondanks dat hij daartoe uitdrukkelijk in de gelegenheid is gesteld, geen gronden tegen het besluit van 22 februari 2024 naar voren gebracht. Om deze reden moet zijn beroep van rechtswege tegen het besluit van 22 februari 2024 ongegrond worden verklaard.
8. Het beroep tegen het besluit van 22 februari 2024 is ongegrond.
Proceskosten
9. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. verklaart het beroep tegen het besluit van 22 februari 2024 ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.
w.g. Van Gastel
lid van de enkelvoudige kamer
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026
163-1099