202503658/1/A2.
Datum uitspraak: 3 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 mei 2025 in zaak nr. 24/9042 in het geding tussen:
[appellante]
en
het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (het CBR).
Procesverloop
Bij besluit van 8 mei 2024 heeft het CBR [appellante] verplicht mee te werken aan een onderzoek naar haar rijvaardigheid.
Bij besluit van 2 oktober 2024 heeft het CBR het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 mei 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het CBR heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 21 april 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door [persoon], en het CBR, vertegenwoordigd door mr. S.J.M. Ditvoorst-van der Ark, zijn verschenen.
Het CBR heeft, zoals afgesproken ter zitting, het verweerschrift van 3 april 2025 met bijlagen aan de Afdeling gezonden.
De Afdeling heeft [appellante] in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Bij brief van 4 mei 2026 heeft [appellante] van deze gelegenheid gebruik gemaakt.
Zoals afgesproken op de zitting heeft de Afdeling een nadere zitting achterwege gelaten.
Overwegingen
Inleiding
1. Het CBR heeft van de politie Eenheid Den Haag een mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 ontvangen. In de mededeling staat dat [appellante] op 29 februari 2024 een voetganger heeft aangereden op een voetgangersoversteekplaats en dat zij heeft verklaard dat zij de voetganger niet heeft gezien en niet precies wist wat er is gebeurd. Verder staat in de mededeling dat [appellante] blijk heeft gegeven van een verkeerde kijktechniek en een slecht kijkgedrag. Naar aanleiding hiervan heeft het CBR bij besluit van 8 mei 2024 aan [appellante] een onderzoek naar de rijvaardigheid opgelegd. Het CBR heeft aan dit besluit, gehandhaafd bij besluit van 2 oktober 2024, ten grondslag gelegd dat het vermoeden bestaat dat [appellante] niet (langer) over de vereiste rijvaardigheid beschikt.
2. [appellante] is door de politierechter op 18 februari 2025 vrijgesproken. Aan haar was ten laste gelegd dat zij op of omstreeks 29 februari 2024 te ’s Gravenhage als bestuurder van een personenauto […] op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, […], een voetganger […], die op een voetgangersoversteekplaats overstak of die kennelijk op het punt stond over te steken, niet heeft laten voorgaan, waarbij (enig) letsel aan (een) persoon/personen is ontstaan en/of schade aan (een) goed(eren) is toegebracht.
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft overwogen dat uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat vrijspraak door de politierechter van het ten gelaste gelegde, het vermoeden van ongeschiktheid in beginsel onverlet laat. Dat kan anders zijn indien het strafrechtelijke vonnis de inhoud van de mededeling en het bijgevoegd mutatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de oplegging van het onderzoek onderuithaalt of anderszins een ander licht werpt op de feiten of omstandigheden waarop deze bestuursrechtelijke maatregel is gebaseerd. In het geval van [appellante] biedt het vonnis onvoldoende aanknopingspunten om niet meer uit te kunnen gaan van de mededeling.
3.1. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het CBR aan de mededeling het vermoeden mocht ontlenen dat [appellante] niet langer beschikte over de rijvaardigheid die is vereist voor het besturen van motorrijtuigen. Uit de mededeling en de processen-verbaal volgt dat [appellante] heeft verklaard dat zij de voetganger niet had gezien, dat zij niet precies wist wat er is gebeurd en dat de voetganger heeft verklaard dat zij door [appellante] is aangereden. De verklaring van [appellante] dat zij de voetganger niet heeft aangereden is onvoldoende om niet van de juistheid van de mededeling en de processen-verbaal uit te kunnen gaan. Bovendien is het vermoeden van verkeerd kijkgedrag met name gelegen in de verklaring dat zij de voetganger niet heeft gezien en niet precies wist wat er is gebeurd. Uit de foto’s die [appellante] op de zitting heeft overgelegd, blijkt de juistheid van de mededeling en de processen-verbaal. Op de foto’s is namelijk te zien dat een vrouw aan de voorkant van de auto met haar hoofd op de stoep ligt. Hieruit kan niet worden afgeleid dat de voetganger tegen de zijkant van de auto was gevallen.
Hoger beroep
4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat het slachtoffer zich niet op het zebrapad bevond ten tijde van het incident en dat er geen objectieve aanwijzingen zijn dat het slachtoffer is aangereden op het zebrapad. Zij betoogt verder dat drie getuigen tegen haar hebben gezegd dat de voetganger is gestruikeld. Omdat de politieagent haast had, zijn de getuigen niet gehoord. Ook het slachtoffer heeft verklaard dat zij op de stoep is gevallen. Er is geen sprake geweest van een aanrijding met significante impact. Zij merkt op dat bij het slachtoffer in eerste instantie slechts een bult werd geconstateerd. Het bevreemdt haar dat zij voor het eerst acht dagen na het incident telefonisch heeft vernomen dat het slachtoffer aanvullende verwondingen, zoals een schaafwond, had. Deze latere verklaring wijkt af van de eerdere bevindingen.
4.1. De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is uitvoerig gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling volgt het oordeel van de rechtbank dat het CBR aan de processen-verbaal en de mededeling het vermoeden mocht ontlenen dat [appellante] niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid. Uit die stukken blijkt dat de verbalisant heeft gezien dat de vrouw voor het voertuig lag, ter hoogte van het rechterwiel, dat [appellante] niet wist wat er is gebeurd en dat zij blijk heeft gegeven van een verkeerde kijktechniek. Dat het incident zich mogelijk niet op de voetgangersoversteekplaats heeft voorgedaan, maakt dat niet anders. De Afdeling overweegt verder dat uit het proces-verbaal waarin de verklaring van het slachtoffer staat niet volgt dat zij heeft verklaard dat zij op de stoep is gevallen. Het slachtoffer heeft juist verklaard dat zij werd aangereden.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
6. Het CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Engele, griffier.
w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Engele
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026
1033