202600357/1/A2.
Datum uitspraak: 3 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
het college van bestuur van Hogeschool Rotterdam,
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 29 augustus 2025 heeft het college een verzoek van [appellant] om inschrijving voor de opleiding International Business voor het studiejaar 2025-2026 afgewezen.
Bij beslissing van 17 december 2025 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 19 maart 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. R. Verspaandonk, advocaat in Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. L. Markesteijn en A.D.C. Wiels, zijn verschenen.
Overwegingen
1. De tekst van de voor deze uitspraak relevante regels is vermeld in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
Inleiding
2. [appellant] is afkomstig uit Iran. Hij heeft op 24 juni 2025 bij de Hogeschool Rotterdam een verzoek om inschrijving ingediend voor het studiejaar 2025-2026. Daarvoor was hij ingeschreven bij de Hogeschool Wittenborg in Apeldoorn. De Hogeschool Wittenborg is in een verblijfsrechtelijke procedure als referent voor [appellant] opgetreden, op grond waarvan hij een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking, verband houdend met studie, heeft gekregen.
Besluitvorming
3. Het college heeft aan de beslissing van 17 december 2025 ten grondslag gelegd dat [appellant] niet voldoet aan de inschrijfvoorwaarden. Hij heeft, ondanks dat hij meermaals is gewezen op het ontbreken van de benodigde informatie voor overname van het referentschap, deze informatie niet overgelegd. Omdat Hogeschool Wittenborg [appellant] heeft moeten afmelden bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), kan [appellant] niet langer over rechtmatig verblijf beschikken. Verder bestaat geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule. Niet is gebleken van een kennelijke onbillijkheid door toepassing van de regels. Bovendien is het niet mogelijk om op grond van de hardheidsclausule af te wijken van de wettelijke inschrijfvoorwaarden.
Oordeel van de Afdeling over het beroep
4. [appellant] betoogt dat hij voldoet aan de eisen voor inschrijving. Hij heeft rechtmatig verblijf in de zin van artikel 7.32, vijfde lid, aanhef en onder c, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (Whw) zolang de IND geen besluit tot intrekking van zijn verblijfsvergunning heeft genomen. Verder heeft het college ten onrechte niet geprobeerd om het referentschap alsnog over te nemen. Uit de wet vloeit niet voort dat dat na 31 augustus voor het betreffende cursusjaar niet meer mogelijk is.
4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3390), volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet modern migratiebeleid (Kamerstukken II 2008/09, 32 052, nr. 3, blz. 22 en 30-32) en het Besluit modern migratiebeleid (nota van toelichting, blz. 51 en 139; Stb. 2010, 307) dat de wetgever bewust heeft gekozen voor een stelsel waarbij het verblijfsrecht van een vreemdeling gekoppeld is aan een referent. Voor een verblijfsvergunning regulier onder een beperking voor studie is vereist dat voor de vreemdeling een erkend referent optreedt als bedoeld in artikel 2c van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). De referent stelt zelf vast of de vreemdeling aan de geldende voorwaarden voldoet en legt daartoe een verklaring af ten behoeve van (thans) de minister van Asiel en Migratie (de minister), die in beginsel uitgaat van de juistheid daarvan.
Verder is het voor een vreemdeling met een verblijfsvergunning regulier onder een beperking voor studie mogelijk om na het afronden van zijn studie onder dezelfde verblijfsvergunning een nieuwe studie te volgen, bijvoorbeeld aan een andere onderwijsinstelling, die dan als referent optreedt. Volgens de artikelen 4.20 en 4.26 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000, gelezen in samenhang met de beleidsregels in paragraaf B1/5.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000, moet de nieuwe referent zich met een formulier referent stellen voor de vreemdeling en daarbij verklaren dat de vreemdeling nog steeds aan alle voorwaarden van zijn verblijfsvergunning voldoet. Die melding moet binnen vier weken na de opgetreden wijziging zijn ontvangen door de minister. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 8 oktober 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2398).
4.2. Dat, naar niet in geschil is, de aan [appellant] verleende verblijfsvergunning kan worden ingetrokken, omdat hij niet langer studeert aan een als erkend referent aangemerkte onderwijsinstelling, brengt niet met zich dat hij vanaf 1 september 2022 geen rechtmatig verblijf in Nederland had. Uit artikel 8, aanhef en onder a, van de Vw 2000 volgt dat een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft, zolang de verblijfsvergunning niet, al dan niet met terugwerkende kracht, is ingetrokken. Dit neemt niet weg dat, nu [appellant] een opleiding aan de Hogeschool Rotterdam wilde volgen en daartoe een aanvraag had gedaan, deze onderwijsinstelling zich binnen vier weken na de opgetreden wijziging bij de IND als nieuwe referent voor [appellant] had moeten stellen en daarbij zou moeten verklaren dat hij nog steeds aan alle voorwaarden van zijn verblijfsvergunning voldoet. Op de website van de Hogeschool Rotterdam is vermeld welk proces bij het overnemen van het referentschap wordt doorlopen en welke documenten daartoe nodig zijn.
De Hogeschool Rotterdam heeft [appellant] om toestemming gevraagd om zich als nieuwe referent bij de IND te stellen. Deze toestemming heeft [appellant], ondanks dat hij meermaals daarom is verzocht, niet gegeven. Naar het oordeel van de Afdeling brengt een redelijke uitleg van artikel 7.32, vijfde lid, aanhef en onder c, van de Whw met zich dat deze bepaling onder deze omstandigheden aan inschrijving van [appellant] voor de opleiding aan de Hogeschool Rotterdam in de weg staat. Weliswaar had [appellant] op 1 september 2025 nog rechtmatig verblijf, als bedoeld in die bepaling, maar doordat de Hogeschool Rotterdam zich niet als nieuwe referent heeft kunnen stellen, was duidelijk dat [appellant] niet langer voldeed aan de voorwaarden van zijn verblijfsvergunning. Aan deze vergunning komt daarom niet de betekenis toe die [appellant] daaraan hecht.
4.3. Het college heeft zich, gelet op het voorgaande, terecht op het standpunt gesteld dat [appellant] niet kan worden ingeschreven voor de opleiding.
4.4. Het betoog slaagt niet.
5. [appellant] betoogt verder dat het college ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule van artikel 1.8, eerste lid, van het Reglement inschrijfproces bachelor- en associate degreeopleidingen van de Hogeschool Rotterdam (het Reglement) en dus ten onrechte niet is afgeweken van de in artikel 1.2, tweede lid, aanhef en onder 3, van het Reglement neergelegde inschrijfvoorwaarden. Verder zijn de nadelige gevolgen van de beslissing van 17 december 2025 onevenredig in verhouding tot de met deze beslissing te dienen doelen. Hij voert daartoe aan dat zijn omstandigheden dusdanig zijn dat het college hem niet heeft kunnen tegenwerpen dat hij zijn verzoek om inschrijving na de aanmelddeadline van 1 juni 2025 heeft ingediend.
5.1. In artikel 1.8, tweede lid, van het Reglement is bepaald dat aan de hardheidsclausule geen toepassing kan worden gegeven als sprake is van een ook in de wet vastgelegde bepaling. Deze situatie doet zich hier voor, omdat de voorwaarden van artikel 1.2, tweede lid, aanhef en onder 3, van het Reglement overeenkomen met de voorwaarden van artikel 7.32, vijfde lid, aanhef en onder c, van de Whw. Dat betekent dat de hardheidsclausule niet van toepassing is.
5.2. Verder is de Whw een wet in formele zin. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772, onder 9.6 en 9.10, kan de toepassing van artikel 7.32, vijfde lid, van de Whw daarom niet worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
De Afdeling heeft onder 9.11 tot en met 9.14 van deze uitspraak uiteengezet dat aanleiding kan bestaan voor zogenoemde contra-legemtoepassing van algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht. Dit is het geval als zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en deze omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Dat is hier niet het geval. [appellant] heeft daarvoor geen argumenten aangevoerd.
5.3. Het betoog slaagt niet.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hazen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026
452-1175
Bijlage
WETTELIJK KADER
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:4
[…]
2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
Artikel 7.32
[…]
5. De inschrijving als student of extraneus staat slechts open voor degene waarvan de ouders, voogden of verzorgers aantonen, dan wel, indien hij meerderjarig en handelingsbekwaam is, degene die aantoont dat hij:
[…]
c. vreemdeling is, 18 jaar of ouder is op de eerste dag waarop de opleiding begint waarvoor voor de eerste maal inschrijving wordt gewenst en op die dag rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000
[…]
Vreemdelingenwet 2000
Artikel 2c
1. Onze Minister is bevoegd:
a. de aanvraag tot erkenning als referent in te willigen, af te wijzen, dan wel niet in behandeling te nemen, en
b. de erkenning als referent te schorsen, in te trekken dan wel te wijzigen.
2. De erkenning als referent houdt verband met het doel waarvoor de vreemdeling in Nederland wil verblijven.
3. De erkenning als referent geldt voor onbepaalde tijd.
[…]
Artikel 8
1. De vreemdeling heeft in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:
a. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14;
[…]
Voorschrift Vreemdelingen 2000
Artikel 4.20
1. De referent van een vreemdeling, die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van studie aan het hoger onderwijs verstrekt inlichtingen over de vreemdeling wiens referent hij is indien:
a. de vreemdeling niet meer voltijds aan de instelling studeert;
b. de vreemdeling zijn opleiding voortijdig heeft gestopt of voor de geplande einddatum heeft afgerond;
c. de vreemdeling aan de onderwijsinstelling komt studeren en al in het bezit is van een geldige verblijfsvergunning voor studie aan het hoger onderwijs;
[…]
Artikel 4.26
De vreemdeling die in Nederland verblijft in het kader van uitwisseling, studie, seizoenarbeid, lerend werken, arbeid in loondienst, arbeid als kennismigrant, als houder van de Europese blauwe kaart of in het kader van onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801, verstrekt inlichtingen indien hij van uitwisselings- of au pairorganisatie, onderwijsinstelling of werkgever wijzigt.
Vreemdelingencirculaire 2000
Paragraaf B1/5.3
[…]
Een aanvraag tot wijziging van de beperking is niet vereist in alle andere gevallen waarin de vreemdeling zijn verblijf wil voortzetten onder dezelfde beperking, maar bij een andere referent dan bij wie hij oorspronkelijk is toegelaten.
In een dergelijk geval moet:
a) de vorige referent de vreemdeling afmelden bij de IND met een bij de IND te verkrijgen formulier; en
b) de nieuwe referent de vreemdeling met een bij de IND te verkrijgen formulier aanmelden bij de IND.
Ad b)
De nieuwe referent moet zich met het formulier referent stellen van de vreemdeling en verklaren dat de vreemdeling nog steeds aan alle voorwaarden voor de verlening van de verblijfsvergunning voldoet. De melding moet binnen vier weken na de opgetreden wijziging door de IND zijn ontvangen.
Reglement inschrijfproces bachelor- en associate degreeopleidingen
Artikel 1.8
1. In onvoorziene gevallen en in gevallen waarin toepassing van dit reglement, met uitzondering van hoofdstuk 3,leidt tot kennelijke onbillijkheden, beslist de directeur Administratie, Informatievoorziening en Control (AIC). Een gemotiveerd beroep op de hardheidsclausule kan door de aanmelder of student worden gedaan via hardheidsclausule@hr.nl.
2. Geen toepassing kan worden gegeven aan de hardheidsclausule indien sprake is van een ook in de wet vastgelegde bepaling