ECLI:NL:RVS:2026:3194

ECLI:NL:RVS:2026:3194

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 03-06-2026
Datum publicatie 03-06-2026
Zaaknummer 202600664/1/A2, 202600666/1/A2 en 202600836/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Bij besluit van 26 februari 2026 heeft het centraal stembureau van Harderwijk het verzoek van ORDA om de aanduiding ‘ORDA / Oranje Republikeinse Piraten’ te registreren in het register van politieke groeperingen voor de gemeenteraadsverkiezing van Harderwijk niet in behandeling genomen. ORDA heeft bij de Afdeling beroep ingesteld tegen de uitslag van de gemeenteraadsverkiezing van Winterswijk van 18 maart 2026. ORDA is een politieke groepering die onder andere heeft willen deelnemen aan de verkiezing voor de leden van de Tweede Kamer in 2025 en de leden van de gemeenteraad in meerdere gemeenten in 2026. [appellant sub 2] is de voorzitter en gemachtigde van ORDA. Naast de kandidatenlijst van ORDA, heeft [appellant sub 2] tijdens de verkiezingen van 2025 en 2026 ook met zogeheten ‘blanco’ kandidatenlijsten beoogd deel te nemen aan deze verkiezingen. Het voornemen van ORDA en [appellant sub 2] om deel te nemen aan de verkiezingen heeft het afgelopen jaar geresulteerd in een groot aantal procedures bij de Afdeling.

Uitspraak

202600664/1/A2, 202600666/1/A2 en 202600836/1/A2.

Datum uitspraak: 3 juni 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in de gedingen tussen:

1. de vereniging Oranje Republikeinse Democratische Alliantie der Oranje Republikeinse Piraten (ORDA), gevestigd in Nijmegen;

2. [appellant sub 2], wonend in [woonplaats],

appellanten,

en

1. het centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van de raad van de gemeente Harderwijk;

2. het centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van de raad van de gemeente Winterswijk,

verweerders.

Procesverloop

202600664/1/A2 en 202600666/1/A2

Bij besluit van 26 februari 2026 heeft het centraal stembureau van Harderwijk het verzoek van ORDA om de aanduiding ‘ORDA / Oranje Republikeinse Piraten’ te registreren in het register van politieke groeperingen voor de gemeenteraadsverkiezing van Harderwijk niet in behandeling genomen.

Tegen dit besluit hebben ORDA en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

Het centraal stembureau van Harderwijk heeft een verweerschrift ingediend.

202600836/1/A2

ORDA heeft bij de Afdeling beroep ingesteld tegen de uitslag van de gemeenteraadsverkiezing van Winterswijk van 18 maart 2026.

Het centraal stembureau van Winterswijk heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaken 202600664/1/A2, 202600666/1/A2 en 202600836/1/A2 gelijktijdig op een zitting behandeld op 26 mei 2026. Op de zitting is de Kiesraad, vertegenwoordigd door mr. M. Bijl, gehoord.

Overwegingen

1. In deze uitspraak bespreekt de Afdeling twee beroepen van ORDA en één beroep van [appellant sub 2]. Omdat [appellant sub 2] en ORDA in geen van de zaken het griffierecht hebben betaald, zijn de beroepen niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de Afdeling niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepen. Dit zal zij hierna toelichten. De Afdeling ziet daarnaast aanleiding om in deze uitspraak stil te staan bij het procedeergedrag van ORDA en [appellant sub 2].

Beoordeling van de beroepen

2. ORDA en [appellant sub 2] zijn op grond van artikel 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor de door hen ingestelde beroepen griffierecht verschuldigd. Een beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard, indien storting of bijschrijving van het griffierecht niet heeft plaatsgevonden binnen vier weken na de dag van verzending van de mededeling waarin de indiener van een beroepschrift is gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3. In artikel G 5, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel D 8, tweede lid, van de Kieswet, is in afwijking van artikel 8:41, vijfde lid, van de Awb bepaald dat de termijn, binnen welke de bijschrijving of storting van het verschuldigde bedrag moet plaatsvinden, twee weken bedraagt.

4. In de zaken 202600664/1/A2 en 202600666/1/A2 heeft de Afdeling [appellant sub 2] en ORDA op 31 maart 2026 brieven gestuurd waarin zij hen heeft gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht. In die brieven is vermeld dat het griffierecht uiterlijk op 14 april 2026 kon worden betaald. In de zaak 202600836/1/A2 heeft de Afdeling ORDA bij brief van 14 april 2026 gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht. ORDA had in deze zaak tot en met 28 april 2026 om het griffierecht te betalen. Geen van deze bedragen zijn binnen de gestelde termijn op de rekening van de Raad van State bijgeschreven. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden, op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat ORDA of [appellant sub 2] in verzuim zijn geweest. Dit betekent dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn.

Het procedeergedrag ORDA en [appellant sub 2]

5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 23 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3447), is in een bestuursrechtelijke procedure eenieder die daarin een rol heeft, waaronder de rechtszoekende, gebonden aan het beginsel van behoorlijke procesvoering. Dat beginsel houdt onder meer in dat zowel schriftelijk als mondeling het debat met elkaar gevoerd moet worden op een fatsoenlijke manier, zonder daarbij gebruik te maken van ongepaste, beledigende en dreigende teksten en/of uitlatingen. De rechter kan overgaan tot het niet-ontvankelijk verklaren van een rechtsmiddel als het taalgebruik de grenzen van de normale, beschaafde en legitieme kritiek overstijgt en/of in een procedure systematisch rechters of medewerkers van een gerecht, bestuursorganen of representanten van bestuursorganen worden beschuldigd van vooringenomenheid, partijdigheid of het plegen van misdrijven.

6. Op grond van artikel 3:13, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan degene aan wie een bevoegdheid toekomt, deze niet inroepen voor zover hij deze misbruikt. Op grond van het tweede lid kan een bevoegdheid onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of ingeval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Op grond van artikel 3:15 van het BW vindt artikel 3:13 toepassing buiten het vermogensrecht voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129, brengen deze artikelen met zich dat de bevoegdheid om een bestuursrechtelijk rechtsmiddel in te stellen niet kan worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Deze artikelen verzetten zich daarom tegen inhoudelijke behandeling van een bestuursrechtelijk rechtsmiddel dat misbruik van recht behelst en bieden dan ook een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van dat rechtsmiddel als van dat misbruik sprake is. Daartoe zijn zwaarwichtige gronden vereist, die onder meer aanwezig zijn als rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw.

7. ORDA is een politieke groepering die onder andere heeft willen deelnemen aan de verkiezing voor de leden van de Tweede Kamer in 2025 en de leden van de gemeenteraad in meerdere gemeenten in 2026. [appellant sub 2] is de voorzitter en gemachtigde van ORDA. Naast de kandidatenlijst van ORDA, heeft [appellant sub 2] tijdens de verkiezingen van 2025 en 2026 ook met zogeheten ‘blanco’ kandidatenlijsten beoogd deel te nemen aan deze verkiezingen. Het voornemen van ORDA en [appellant sub 2] om deel te nemen aan de verkiezingen heeft het afgelopen jaar geresulteerd in een groot aantal procedures bij de Afdeling. Deze procedures zagen onder andere op de registratie van de aanduiding, het niet accepteren van de ingeleverde kandidatenlijsten door de respectievelijke centrale stembureaus en de uitslag van de verkiezingen. De wijze waarop [appellant sub 2] en ORDA zich tot op heden hebben opgesteld in hun procedures, staat haaks op het beginsel van behoorlijke procesvoering. Daarnaast kan op basis van hun procedeergedrag niet anders dan worden geconcludeerd dat het [appellant sub 2] en ORDA met hun procedures niet is te doen om het verkrijgen van rechtsbescherming van de bestuursrechter.

8. Ook in de drie zaken waarin de Afdeling vandaag uitspraak doet ziet zij hetzelfde patroon als in eerdere zaken. De Afdeling heeft niet eerder gelegenheid gehad om hier in een uitspraak bij stil te staan, gelet op de zeer korte termijnen die zij op grond van de Kieswet doorgaans heeft om uitspraak te doen in kieswetgeschillen. Deze gelegenheid heeft de Afdeling nu wel. Zij zal hierna daarom uitleggen waarom [appellant sub 2] en ORDA er sterk rekening mee moeten houden dat, als zij hun procedeergedrag niet aanpassen, een volgend beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard wegens misbruik van recht.

Het oogmerk van het procederen en het procedeergedrag

9. [appellant sub 2] en ORDA hebben sinds september 2025 in het kader van de verkiezingen in 2025 en 2026 22 procedures bij de Afdeling gevoerd. In vrijwel al deze procedures heeft [appellant sub 2] verzocht om vrijstelling van het griffierecht. Deze verzoeken zagen op zowel de procedures die hij als privépersoon voert als ook op de procedures die hij namens ORDA voert. ORDA is een vereniging en komt als rechtspersonen niet in aanmerking voor vrijstelling van het griffierecht. Toch blijft [appellant sub 2] namens ORDA hierom verzoeken, terwijl hij op voorhand weet of geacht moet worden te weten dat dit verzoek wordt afgewezen. Desondanks blijft [appellant sub 2] namens ORDA procedures starten terwijl ORDA het griffierecht niet kan of wil betalen. Naast de uitspraak van vandaag, heeft de Afdeling in drie uitspraken van 23 januari 2026 en twee uitspraken van 13 februari 2026 de beroepen van ORDA niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet betalen van het griffierecht.

10. De beroepschriften van [appellant sub 2] en ORDA bevatten daarnaast in de regel grotendeels verschillende, niet ter zake doende, uitweidingen en betogen die, soms ernstige verwijten en beledigingen aan het adres van verschillende individuen bevatten, waaronder (voormalige) politici, ambtenaren, rechters, de Afdeling en leden van het koningshuis. Bij deze beroepschriften voegen [appellant sub 2] en ORDA in de regel vele honderden pagina’s aan bijlagen, waarvan het overgrote gedeelte op geen enkele wijze betrekking heeft op het voorliggende geschil. Gelet hierop is het voor de Afdeling en de betrokken centrale stembureaus lastig te ontwaren waar het [appellant sub 2] en ORDA inhoudelijk om te doen is.

11. [appellant sub 2] en ORDA ontnemen de Afdeling vervolgens de mogelijkheid om op een zitting met hen het gesprek aan te gaan over de ingestelde beroepen en de daarover bij de Afdeling levende vragen te beantwoorden. In september 2025 heeft [appellant sub 2] via een videoverbinding deelgenomen aan de inhoudelijke behandeling van zijn beroepen inzake de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer. Ook tijdens de zitting heeft [appellant sub 2] zich beledigend en onnodig grievend uitgelaten wat een inhoudelijke bespreking van zijn beroepen vrijwel onmogelijk heeft gemaakt. Daarnaast heeft hij de Afdeling meermaals gewraakt. Het eerste wrakingsverzoek is afgewezen en opvolgende wrakingsverzoeken zijn buiten behandeling gelaten wegens misbruik van het wrakingsmiddel.

In het kader van de gemeenteraadsverkiezingen van 2026 hebben [appellant sub 2] en ORDA in totaal vijftien beroepen ingediend. Na het indienen van het beroepschrift hebben zij op geen enkele wijze meer deelgenomen aan de procedure. E-mailberichten van de Afdeling zijn niet geopend, er is geen griffierecht betaald en namens [appellant sub 2] en/of ORDA is niemand op de zitting verschenen.

12. Ook richting de betrokken centrale stembureaus laten [appellant sub 2] en ORDA ditzelfde procesgedrag zien. Verschillende centrale stembureaus hebben aangegeven dat in het geval van [appellant sub 2] en ORDA sprake is van excessieve, herhalende en/of grensoverschrijdende communicatie waaraan zij veel tijd kwijt zijn in een periode die voor hen al zeer intensief is.

In het kader van de gemeenteraadsverkiezingen hebben [appellant sub 2] en ORDA bijvoorbeeld bij dertien verschillende centrale stembureaus verzocht om de registratie van de aanduiding ‘ORDA/ORP’, terwijl zij op dat moment al wisten of hadden moeten weten dat veel van deze aanvragen niet zouden worden ingewilligd omdat deze niet voldeden aan de wettelijke eisen. Zo is bij een groot aantal van deze verzoeken slechts een fractie van de verschuldigde waarborgsom betaald. Aan het centraal stembureau van Harderwijk heeft ORDA bijvoorbeeld een waarborgsom van € 2,25 betaald, in plaats van de wettelijke waarborgsom van € 112,50. [appellant sub 2] heeft vervolgens bij verschillende centrale stembureaus verzocht om een afspraak in te plannen waarop hij op de dag van de Kandidaatstelling een kandidatenlijst mocht komen inleveren. De centrale stembureaus hebben hiervoor tijd vrijgemaakt, maar op geen van deze afspraken is [appellant sub 2], of iemand namens hem of ORDA, verschenen. [appellant sub 2] heeft bij vrijwel geen van deze centrale stembureaus op de voorgeschreven wijze een kandidatenlijst ingeleverd. Desondanks hebben [appellant sub 2] en ORDA tegen de vaststelling van de kandidatenlijsten door negen verschillende centrale stembureaus beroep ingesteld bij de Afdeling. Behalve dat zij voor deze procedures niet het verschuldigde griffierecht hebben betaald, konden [appellant sub 2] en ORDA op dat moment weten of hadden zij moeten weten dat hun beroep geen kans van slagen zou hebben omdat er geen kandidatenlijst was ingeleverd. De Afdeling acht het beslag dat [appellant sub 2] en ORDA met deze handelswijze leggen op de schaarse tijd van een centraal stembureau tijdens de verkiezingsperiode zeer kwalijk.

13. Uit dit samenstel van gedragingen rijst het beeld dat hier niet daadwerkelijk rechtsbescherming wordt gevraagd, maar dat [appellant sub 2] en ORDA procedures starten voor een ander doel dan waarvoor zij zijn bedoeld. De Afdeling realiseert zich dat het passieve kiesrecht een fundamenteel recht is waar de noodzaak van rechtsbescherming onlosmakelijk mee samenhangt. Het in de toekomst tegenwerpen van misbruik is daarmee een ingrijpend middel, omdat dit tot gevolg heeft dat een nieuw beroep van [appellant sub 2] of ORDA niet inhoudelijk zal worden beoordeeld en ook niet op een zitting zal worden behandeld. De Afdeling kan op grond van al het voorgaande echter niet anders dan concluderen dat het [appellant sub 2] en ORDA met deze procedures niet daadwerkelijk te doen is om rechtsbescherming van de bestuursrechter te verkrijgen. Daarmee misbruiken zij de bevoegdheid tot het aanwenden van bestuursrechtelijke rechtsmiddelen. De Afdeling voegt daar aan toe dat, zolang [appellant sub 2] en ORDA de beginselen van behoorlijke procesvoering in acht nemen en geen misbruik maken van het procesrecht, zij gewoon bij de Afdeling kunnen procederen.

Wat betekent dit?

14. De Afdeling zal in het vervolg bij procedures die [appellant sub 2] of ORDA bij haar aanhangig maakt steeds eerst onderzoeken of zij met die nieuwe procedure misbruik van recht maakt. De Afdeling zal er, gelet op het hiervoor geschetste patroon in het procedeergedrag van [appellant sub 2] en ORDA voorshands vanuit gaan dat daarvan sprake is. Omdat de Afdeling voor toekomstige zaken uitgaat van het vermoeden dat [appellant sub 2] misbruik van recht maakt, zal hem in beginsel geen vrijstelling van griffierecht worden verleend.

15. De Afdeling wijst er verder nog uitdrukkelijk op dat zij op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb een partij in de kosten van het geding kan veroordelen in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Gelet op het beslag dat de wijze van procederen door [appellant sub 2] en ORDA op de centrale stembureaus en de Afdeling legt, sluit de Afdeling niet uit dat zij [appellant sub 2] en/of ORDA bij een niet-ontvankelijkverklaring van een beroep wegens misbruik van recht, zal veroordelen tot vergoeding van de kosten die het bestuursorgaan in die procedure heeft gemaakt.

Conclusie

16. De beroepen zijn niet-ontvankelijk.

17. Het centraal stembureau hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. J. Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Rietveld, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

w.g. Rietveld

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026

1064

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. E.J. Daalder
  • mr. C.H.M. van Altena
  • mr. J. Th. Drop

Griffier

  • mr. A.S. Rietveld

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand