202505948/1/A2.
Datum uitspraak: 3 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[verzoekster], wonend in [woonplaats],
verzoekster,
om herziening (artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht) van de uitspraak van de Afdeling van 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5597.
Procesverloop
Bij uitspraak van 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5597, heeft de Afdeling het hoger beroep van [verzoekster] tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 januari 2024 in zaak nr. 22/7388 ongegrond verklaard.
[verzoekster] heeft de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[verzoekster] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft het verzoek op een zitting behandeld op 13 april 2026, waar de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], is verschenen.
Overwegingen
1. Artikel 8:119, eerste lid, van de Awb luidt:
"De bestuursrechter kan op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden."
1.1. Het bijzondere rechtsmiddel van herziening dient er niet toe om het geschil, waarover bij uitspraak is beslist, opnieuw aan de rechter voor te leggen. Ook is dit rechtsmiddel niet bedoeld om een partij de gelegenheid te bieden om argumenten, die in een eerdere procedure naar voren zijn gebracht of hadden kunnen worden gebracht, opnieuw of alsnog naar voren te brengen en daarmee het debat te heropenen, nadat is gebleken dat de aangevoerde feiten en omstandigheden niet tot het gewenste resultaat hebben geleid. Bij de beoordeling van een herzieningsverzoek is uitsluitend van belang of er feiten en omstandigheden naar voren komen die er al waren vóór de uitspraak, die de verzoeker om herziening niet kende en ook niet hoefde te kennen, én die mogelijk van invloed zouden zijn geweest op het oordeel in die uitspraak (zie onder meer de uitspraak van 31 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:383).
1.2. De uitspraak van 19 november 2025 gaat over de toekenning aan [verzoekster] van een aanvullende werkelijke schadevergoeding op de voet van de Wet hersteloperatie toeslagen. [verzoekster] was het niet eens met de hoogte van die vergoeding. De rechtbank heeft haar beroep ongegrond verklaard. De Afdeling heeft ook het hoger beroep van [verzoekster] ongegrond verklaard.
1.3. [verzoekster] voert aan dat er in de uitspraak van 19 november 2025 geen aandacht is besteed aan haar medische situatie en dat haar gezondheid door de aandoening fybromyalgie sinds de uitspraakdatum is verslechterd. De Afdeling stelt vast dat de door [verzoekster] overgelegde medische verklaring van 3 april 2025 van de reumatoloog over fybromyalgie bij [verzoekster], is betrokken bij de uitspraak van 19 november 2025 (zie onder 9 en 9.1) en dus geen nieuw gegeven is. Dit kan reeds daarom niet tot herziening leiden. Dat de gezondheid van [verzoekster] door de fibromyalgie sinds de uitspraak van 19 november 2025 is verslechterd, is een omstandigheid die na de uitspraak heeft plaatsgevonden. Dat betekent dat niet is voldaan aan het vereiste van artikel 8:119, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb, zodat ook deze omstandigheid niet tot herziening van de uitspraak van 19 november 2025 kan leiden.
1.4. [verzoekster] voert verder aan dat recentelijk in het nieuws is geweest dat de Dienst Toeslagen stukken heeft achtergehouden. Zij stelt dat als de Dienst Toeslagen de stukken die op haar betrekking hebben in de procedure had ingebracht, dit tot een ander oordeel had kunnen leiden over het causaal verband tussen de terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag en zowel de studievertraging en de daarmee verband houdende verlate start op de arbeidsmarkt als de fibromyalgie. [verzoekster] betoogt verder dat de Dienst Toeslagen door het niet verstrekken van alle op de zaak betrekking hebbende stukken het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), en in het bijzonder het beginsel van equality of arms, heeft geschonden.
De nieuwsberichten waarop [verzoekster] doelt, zien op een memo van de Dienst Toeslagen van 8 september 2025. Uit deze memo volgt dat op grond van een interne werkafspraak enkel de uitkomst wel of geen ‘opzet/grove schuld (O/GS) kwalificatie’ aan ouders werd verstrekt en niet de daaraan ten grondslag liggende stukken. [verzoekster] heeft niet toegelicht dat in haar geval sprake is geweest van een O/GS-kwalificatie, zodat niet kan worden vastgesteld dat de memo op haar van toepassing is. Bovendien kan zonder verdere toelichting niet worden aangenomen dat de aan een O/GS-kwalificatie ten grondslag liggende stukken relevant zijn bij de beoordeling van het causaal verband tussen de terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag en de studievertraging (en de daarmee verband houdende verlate start op de arbeidsmarkt) of de fibromyalgie. Daarom had dit niet tot een ander oordeel over het causaal verband kunnen leiden. Dat betekent dat op dit punt niet is voldaan aan het vereiste van artikel 8:119, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb, zodat deze omstandigheid niet tot herziening van de uitspraak van 19 november 2025 kan leiden.
1.5. [verzoekster] wijst verder op de Rotterdamse Schaal voor de begroting van smartengeld. Volgens [verzoekster] had de toepassing daarvan tot een hogere compensatie geleid. De Afdeling overweegt dat de Rotterdamse Schaal per 1 januari 2026 in de rechtspraak wordt toegepast, zodat dit een omstandigheid is die na de uitspraak van 13 november 2025 heeft plaatsgevonden. Dat betekent dat niet is voldaan aan het vereiste van artikel 8:119, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb, zodat deze omstandigheid alleen al daarom niet tot herziening van die uitspraak kan leiden.
1.6. Tot slot heeft [verzoekster] een bewijs van inschrijving van 5 april 2022 overgelegd, waaruit blijkt dat zij in de periode van 1 oktober 2006 tot en met 31 januari 2008 voor de voltijdse opleiding Nederlands Recht aan de Radboud Universiteit ingeschreven heeft gestaan, en een schermafbeelding, waaruit kan worden opgemaakt dat zij in de periode van 1 februari 2008 tot en met 31 augustus 2008 de Opleiding voor Management, Economie en Recht aan de Haagse Hogeschool/TH Rijswijk heeft gevolgd. Volgens [verzoekster] heeft de Dienst Toeslagen deze stukken uit het dossier gehaald. Zij stelt dat als de Afdeling deze stukken bij haar oordeel had kunnen betrekken, dit tot een ander oordeel had kunnen leiden over het causaal verband tussen de terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag en de door haar opgelopen studievertraging en de daarmee verband houdende verlate start op de arbeidsmarkt.
De Afdeling stelt vast dat dit feiten en omstandigheden zijn die bij [verzoekster] al vóór de uitspraak bekend waren, zodat zij daarop in de procedure die tot de uitspraak van 19 november 2025 heeft geleid expliciet een beroep had kunnen doen. Maar ook als deze stukken eerder bij de Afdeling bekend waren geweest, had dit niet tot een ander oordeel over het causaal verband tussen de terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag en de studievertraging en de daarmee verband houdende verlate start op de arbeidsmarkt kunnen leiden. Deze stukken bieden namelijk slechts inzicht in wanneer [verzoekster] voor welke opleiding stond ingeschreven en niet in haar studievoortgang. Bovendien blijkt uit deze stukken dat [verzoekster] de opleiding Nederlands Recht per 31 januari 2008 en de Opleiding voor Management, Economie en Recht per 31 augustus 2008 heeft beëindigd. Dit was nog vóór de eerste terugvordering van de kinderopvangtoeslag op 27 november 2008, zodat het niet aannemelijk is dat er een causaal verband bestaat tussen de terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag en de studievertraging. Er is dus niet voldaan aan het vereiste van artikel 8:119, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb, zodat deze omstandigheid niet tot herziening van de uitspraak van 19 november 2025 kan leiden.
2. Het verzoek om herziening wordt afgewezen.
3. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzitter, en mr. M. den Heyer en mr. M.C Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.
w.g. Willems
voorzitter
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026
154-1160