ECLI:NL:RVS:2026:3200

ECLI:NL:RVS:2026:3200

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 03-06-2026
Datum publicatie 03-06-2026
Zaaknummer 202400603/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 8 maart 2021 heeft de raad voor rechtsbijstand een aanvraag van [appellant] om gefinancierde rechtsbijstand afgewezen. Op 25 mei 2020 heeft [appellant] bij de raad een aanvraag om gesubsidieerde rechtsbijstand ingediend. Bij besluit van 27 mei 2020 heeft de raad deze aanvraag afgewezen. Bij besluit van 24 september 2020 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 12 maart 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep bij de Afdeling ingesteld in zaak nr. 202501647/1/A2. Op 21 december 2020 heeft [appellant] beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek om heroverweging van het besluit van 27 mei 2020. Volgens [appellant] heeft hij dit verzoek op 4 juni 2020 ingediend. Bij uitspraak van 20 januari 2021 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat [appellant] de verzending van het verzoek om heroverweging niet aannemelijk heeft gemaakt, zodat de raad niet in gebreke is om daarop een beslissing te nemen.

Uitspraak

202400603/1/A2.

Datum uitspraak: 3 juni 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 januari 2024 in zaak nr. 23/2595 in het geding tussen:

[appellant]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2021 heeft de raad een aanvraag van [appellant] om gefinancierde rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluit van 6 mei 2021 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 januari 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 11 maart 2026, waar [appellant] is verschenen.

Overwegingen

1. Op 25 mei 2020 heeft [appellant] bij de raad een aanvraag om gesubsidieerde rechtsbijstand ingediend. Bij besluit van 27 mei 2020 heeft de raad deze aanvraag afgewezen. Bij besluit van 24 september 2020 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 12 maart 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep bij de Afdeling ingesteld in zaak nr. 202501647/1/A2.

2. Op 21 december 2020 heeft [appellant] beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek om heroverweging van het besluit van 27 mei 2020. Volgens [appellant] heeft hij dit verzoek op 4 juni 2020 ingediend. Bij uitspraak van 20 januari 2021 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat [appellant] de verzending van het verzoek om heroverweging niet aannemelijk heeft gemaakt, zodat de raad niet in gebreke is om daarop een beslissing te nemen. Bij uitspraak van 10 juni 2021 heeft de rechtbank het verzet van [appellant] tegen de uitspraak van 20 januari 2021 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 26 oktober 2021 heeft de Afdeling zich kennelijk onbevoegd verklaard om van het door [appellant] daartegen ingestelde hoger beroep kennis te nemen. Bij uitspraak van 16 februari 2022 heeft de Afdeling het verzet van [appellant] tegen de uitspraak van 26 oktober 2021 ongegrond verklaard.

3. In haar uitspraak van 3 januari 2024 heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] op 21 januari 2021 een verzoek om heroverweging van het besluit van 27 mei 2020 heeft ingediend en dat de raad dit verzoek bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 8 maart 2021 terecht heeft afgewezen. Volgens de rechtbank is heroverweging van een besluit alleen mogelijk als dat besluit onherroepelijk is en is in dit geval niet aan dat vereiste voldaan.

Voor zover het verzoek om heroverweging van 21 januari 2021 (subsidiair) wordt aangemerkt als een ingebrekestelling, heeft de rechtbank het volgende overwogen. Op het verzoek van 21 januari 2021 is tijdig beslist. Op het bezwaar van 1 april 2021 is eveneens tijdig beslist. De raad is dus niet in gebreke geweest. Verder kan het verzoek om heroverweging van 21 januari 2021 niet, subsidiair, gelden als ingebrekestelling op de grond dat niet op tijd zou zijn beslist op de brief van 4 juni 2020. In de uitspraak van 20 januari 2021 is immers overwogen dat niet aannemelijk is gemaakt dat die brief de raad via de voorgeschreven wijze heeft bereikt en er een verzoek om heroverweging is ingediend. Dat die brief op een later moment als bijlage bij andere stukken alsnog ter kennis is gekomen van de raad, maakt niet dat de brief daarmee als zelfstandig ingediende aanvraag moet worden beschouwd, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

4. [appellant] betoogt dat de Afdeling in hoger beroep moet beoordelen of de raad een besluit heeft genomen op zijn heroverwegingsverzoek van 4 juni 2020. De raad heeft op 8 oktober 2020 bevestigd dat hij dat verzoek op 28 augustus 2020 ontvangen heeft. De raad moet daarop een besluit nemen. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat de brief van 21 januari 2021 een ingebrekestelling en geen tweede verzoek om heroverweging behelst en dat de raad een dwangsom heeft verbeurd wegens het niet-tijdig beslissen na die ingebrekestelling. Op de zitting van de Afdeling heeft [appellant] nog aangevoerd dat de raad een onvolledig besluit naar aanleiding van zijn aanvraag van 25 mei 2020 heeft genomen.

Oordeel van de Afdeling

5. Wat [appellant] over de brief van 4 juni 2020 aanvoert, strekt tot de heropening van het debat over een rechtsvraag, waarop onherroepelijk is beslist in de procedure die is geëindigd met de uitspraak van de Afdeling van 26 oktober 2021. De Afdeling zal daarom niet inhoudelijk op dit onderdeel van het betoog ingaan. Verder biedt het betoog van [appellant] geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de brief van 21 januari 2021 niet tevens als ingebrekestelling kan gelden. [appellant] wordt alleen al daarom niet gevolgd in het betoog dat de raad een dwangsom heeft verbeurd.

6. De Afdeling wijst [appellant] erop dat hij de gronden die hij over zijn aanvraag van 25 mei 2020 heeft aangevoerd in de daarover lopende hogerberoepsprocedure aan de orde kan stellen. In de voorliggende zaak vallen deze gronden buiten het geschil.

Conclusie

7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

8. De proceskosten hoeven niet te worden vergoed.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.

w.g. Borman

voorzitter

w.g. Yildiz

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026

594-1180

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. C.J. Borman
  • mr. J. Hoekstra
  • mr. G.T.J.M. Jurgens

Griffier

  • mr. S. Yildiz

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand