ECLI:NL:RVS:2026:3202

ECLI:NL:RVS:2026:3202

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 03-06-2026
Datum publicatie 03-06-2026
Zaaknummer 202506061/1/R4
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Bij besluit van 12 juli 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag zijn beslissing om op 2 juli 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met artikel 9 lid 1 Afvalstoffenverordening 2010 en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een kartonnen doos, die op 2 juli 2025 is aangetroffen naast de ondergrondse afvalcontainer ter hoogte van de [locatie] in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] de kartonnen doos verkeerd heeft aangeboden, omdat er op de doos een adreslabel staat met daarop haar naam en adresgegevens. [appellante] betoogt dat de gemeente haar op 28 juli 2025 per e-mail heeft gevraagd of zij gebruik wilde maken van de mogelijkheid om telefonisch gehoord te worden. Zij stelt dat zij diezelfde dag op die e-mail heeft gereageerd en daarbij haar beschikbaarheid en haar telefoonnummer heeft doorgegeven.

Uitspraak

202506061/1/R4.

Datum uitspraak: 3 juni 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb )in het geding tussen:

[appellante], wonend in Den Haag,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2025 heeft het college zijn beslissing om op 2 juli 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met artikel 9 lid 1 Afvalstoffenverordening 2010 en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 199,57 voor rekening van [appellante] komen.

Bij besluit van 27 november 2025 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

Overwegingen

1. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een kartonnen doos, die op 2 juli 2025 is aangetroffen naast de ondergrondse afvalcontainer ter hoogte van de [locatie] in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] de kartonnen doos verkeerd heeft aangeboden, omdat er op de doos een adreslabel staat met daarop haar naam en adresgegevens.

2. [appellante] betoogt dat de gemeente haar op 28 juli 2025 per e-mail heeft gevraagd of zij gebruik wilde maken van de mogelijkheid om telefonisch gehoord te worden. Zij stelt dat zij diezelfde dag op die e-mail heeft gereageerd en daarbij haar beschikbaarheid en haar telefoonnummer heeft doorgegeven. Omdat [appellante] stelt niets meer van de gemeente te hebben vernomen, en ook haar herinneringsmail van 2 september 2025 zonder reactie is gebleven, geeft zij aan op 19 november 2025 zelf telefonisch contact te hebben opgenomen met de gemeente. Daarna heeft er alsnog een telefonische hoorzitting plaatsgevonden. Volgens [appellante] heeft die hoorzitting dus niet op initiatief van de gemeente plaatsgevonden, maar op haar eigen initiatief. Zij geeft aan de procedure als onvoldoende zorgvuldig te ervaren, omdat niet tijdig op haar bezwaar is beslist en zij pas is gehoord nadat zij daar zelf om had verzocht. Verder betoogt [appellante] dat zij de geldende afvalregels naleeft, de afvalstoffenheffing betaalt en geregeld afspraken maakt voor het ophalen van grofvuil. Zij stelt dat de kartonnen doos zonder opzet door haar Griekse moeder, die een aantal dagen bij haar op bezoek was en niet als onderdeel van structureel onjuist gedrag naast de ondergrondse afvalcontainer is geplaatst. Daarnaast voert [appellante] aan dat het verhalen van de kosten van de spoedeisende bestuursdwang, mede gelet op haar huidige financiële situatie, onevenredig zwaar is.

3. Artikel 9, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening 2010 houdt in dat het de gebruiker van een perceel, voor wie een inzamelmiddel of inzamelvoorziening is aangewezen, verboden is huishoudelijke afvalstoffen anders aan te bieden dan via het betreffende inzamelmiddel, de betreffende inzamelvoorziening of het betreffende brengdepot.

4. Indien verkeerd aangeboden huishoudelijk afval tot een bepaalde persoon is te herleiden, bijvoorbeeld door middel van een daarin aangetroffen poststuk, mag er volgens vaste rechtspraak van de Afdeling van worden uitgegaan dat dit afval door de betrokkene op onjuiste wijze ter inzameling is aangeboden en dat hij derhalve de overtreder is (hierna: het bewijsvermoeden). Voor het mogen hanteren van dit bewijsvermoeden is voldoende dat in het afval één tot de betrokkene te herleiden poststuk is aangetroffen. Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2432.

4.1. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij niet degene is geweest onder wiens verantwoordelijkheid de kartonnen doos op onjuiste wijze ter inzameling heeft aangeboden. Uit de door de toezichthouder op ambtsbelofte opgemaakte rapportage volgt dat op de kartonnen doos een adreslabel staat met daarop de naam en de adresgegevens van [appellante]. Het college heeft zich daarom op het standpunt mogen stellen dat het afval tot [appellante] is te herleiden en dat zij in beginsel als overtreder kan worden aangemerkt, nu zij zelf aangeeft dat de kartonnen doos door haar logerende moeder verkeerd is aangeboden.

Deze handeling kan aan [appellante] worden toegerekend nu het om het aanbieden van haar huisvuil door een logerende huisgenoot gaat. In dit verband wordt gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 5 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:27 ro 3.2.

Dat [appellante] afvalregels naleeft, afvalstoffenheffing betaalt en geregeld afspraken maakt voor het ophalen van grofvuil is onvoldoende om aannemelijk te maken zij niet degene is geweest die het afval op juiste wijze ter inzameling heeft aangeboden. Hetzelfde geldt voor haar stelling dat de kartonnen doos zonder opzet en niet als onderdeel van structureel onjuist gedrag naast de ondergrondse afvalcontainer is geplaatst. Daarmee heeft zij geen concrete en verifieerbare verklaring gegeven voor het buiten haar verantwoordelijkheid terechtkomen van het afval bij de inzamelvoorziening. Het college heeft [appellante] daarom als overtreder mogen aanmerken.

Voor zover [appellante] betoogt dat de bezwaarprocedure onzorgvuldig is gelopen, omdat niet tijdig op haar bezwaar is beslist en de telefonische hoorzitting pas heeft plaatsgevonden nadat zij zelf contact heeft opgenomen, leidt dat niet tot het oordeel dat het besluit om de kosten van spoedeisende bestuursdwang op haar te verhalen onrechtmatig is. De termijn om te beslissen op een bezwaarschrift is een termijn van orde. Overschrijding daarvan leidt niet tot verlies van het recht om op het bezwaarschrift te beslissen. Ook is het zo dat [appellante] uiteindelijk wel is gehoord, ook al heeft zij daarvoor zelf het initiatief moeten nemen. Daarmee is aan de hoorplicht voldaan. Dit zijn dus geen redenen om te oordelen dat de gemeente het bezwaar daarom gegrond had moeten verklaren.

Dat de kosten voor [appellante] , gelet op de door gestelde en verder niet onderbouwde persoonlijke financiële situatie, is onvoldoende voor het oordeel dat deze kosten redelijkerwijs niet of niet geheel voor haar rekening behoren te komen. Daarbij is ook van belang dat [appellante], indien zij het bedrag niet in één keer kan betalen, om zoals het college aangeeft om een betalingsregeling kan verzoeken.

Het betoog slaagt niet.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G.O. van Veldhuizen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Klingers, griffier.

w.g. Van Veldhuizen

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Klingers

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026

341

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R. Klingers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand