202504690/1/A2.
Datum uitspraak: 3 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 14 augustus 2025 in zaak nr. 24/3947 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Justitie en Veiligheid (de minister).
Procesverloop
[appellant] heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de minister op zijn bezwaar tegen de brief van de minister van 12 juli 2024.
Bij uitspraak van 14 augustus 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van [appellant] vernietigd, dat bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 2026, waar [appellant] en de minister, vertegenwoordigd door mr. P.M. Timmer Arends, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij brief van 4 juli 2024 heeft [appellant] de minister gevraagd om, kort gezegd, hem te helpen bij het krijgen van ‘rechtstoegankelijkheid’. [appellant] wil graag ‘fungerende rechtsbijstandverlening’ en hij vraagt de minister om daarbij te helpen. Bij brief van 12 juli 2024 heeft de minister op [appellant]s brief van 4 juli 2024 geantwoord. Volgens de minister blijkt uit de brief dat [appellant] terugkomt op een zaak die hij eerder aan de orde gesteld heeft. Daarop heeft hij uitgebreid antwoord gekregen. In de brief van 12 juli 2024 heeft de minister aan [appellant] medegedeeld dat hij toekomstige brieven over dit onderwerp voor kennisgeving zal aannemen en dus niet meer zal beantwoorden. Hiertegen heeft [appellant] per brief van 19 augustus 2024 bezwaar gemaakt. Op 6 oktober 2024 heeft [appellant] de minister in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar. Vervolgens heeft hij op 11 november 2024 het beroep wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar ingesteld.
2. De rechtbank heeft vastgesteld dat is voldaan aan de criteria uit artikel 6:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) voor het instellen van het beroep tegen het niet tijdig beslissen. Naar het oordeel van de rechtbank had de minister op [appellant]s bezwaar van 19 augustus 2024 moeten reageren door daarop een besluit te nemen. Dat het bezwaar is gericht tegen een brief die geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is, heeft het oordeel van de rechtbank niet anders gemaakt. De rechtbank heeft overwogen dat de minister het bezwaar dan niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Omdat de minister nog geen besluit heeft genomen op het bezwaar van [appellant], heeft de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond verklaard. Het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit heeft de rechtbank daarom vernietigd.
3. De rechtbank heeft aanleiding gezien om de minister niet op te dragen om een besluit op bezwaar te nemen. Zij heeft een andere voorziening getroffen op grond van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb en heeft zelf in de zaak voorzien, omdat er geen twijfel mogelijk was over de uitkomst van de bezwaarprocedure. De tuchtrechtelijke bevoegdheden van de dekens, de raden van discipline en van het hof van discipline zijn gebaseerd op de Advocatenwet. De minister is niet bevoegd om te interveniëren in individuele zaken. Gelet hierop is de inhoud van de brief van 12 juli 2024 niet gericht op het wel of niet gebruik maken van een wettelijke bevoegdheid, maar slechts een mededeling van feitelijke aard. Die brief bevat dan ook geen beslissing die gericht is op een rechtsgevolg en is daarom geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, waartegen bezwaar kan worden gemaakt. Het bezwaar moet daarom kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard.
Hoger beroep
4. [appellant] betoogt dat de minister, anders dan de rechtbank overwogen heeft, wel zou moeten kunnen interveniëren in individuele gevallen om de rechtstoegankelijkheid te bevorderen en om orde op zaken te stellen bij het - volgens hem - disfunctionerende hof van discipline. Daarnaast zou hij een dwangsom toegekend moeten krijgen wegens het
niet-tijdig beslissen door de minister op zijn bezwaar.
Beoordeling van het hoger beroep
5. Het eerste onderdeel van het betoog in hoger beroep is zo goed als een herhaling van wat [appellant] in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan en heeft terecht het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zouden zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank hierover en in de onder 3.1 tot en met 5.2 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
6. Verder is op grond van het bepaalde in artikel 4:17, vijfde lid, aanhef en onder c van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 7:14 van deze wet, bij een kennelijke niet-ontvankelijkheid van het bezwaar geen dwangsom verschuldigd is. Het betoog van [appellant] dat de minister hem een dwangsom verschuldigd is, slaagt daarom niet.
Conclusie
7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
8. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.
w.g. Borman
voorzitter
w.g. Yildiz
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026
594-1180