202600069/1/A2.
Datum uitspraak: 10 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
en
het college van beroep voor de examens van de Haagse Hogeschool,
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 16 september 2025 heeft de examencommissie van de Faculteit Bestuur, Recht en Veiligheid het verzoek van [appellante] voor een vrijstelling voor de bachelorstage, afgewezen.
Bij beslissing van 9 december 2025 heeft het CBE het hiertegen door [appellante] ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 21 april 2026, waar [appellante], bijgestaan door [persoon A], en het CBE, vertegenwoordigd door mr. M.H. Hehemann, vergezeld door [persoon B], zijn verschenen.
Overwegingen
1. [appellante] volgt sinds 2021 de Engelstalige bacheloropleiding HBO Recht aan de Haagse Hogeschool. Zij hoeft alleen nog haar stage van 30 ECTS te halen om de opleiding af te ronden. Vanwege haar slechte gezondheid heeft zij een verzoek om een vrijstelling ingediend voor de stage. De examencommissie heeft het verzoek afgewezen, omdat uit de twee arbeidsovereenkomsten die zij heeft overgelegd niet volgt dat zij de leerdoelen heeft gehaald die gehaald moeten worden tijdens de stage.
2. Het CBE heeft geconcludeerd dat de twee arbeidsovereenkomsten die [appellante] heeft overgelegd onvoldoende zijn om te laten zien dat zij over de vereiste kennis en vaardigheden beschikt om een vrijstelling te kunnen krijgen voor de stage. Uit de arbeidsovereenkomsten kan niet worden afgeleid welke werkzaamheden zij precies heeft verricht, hoe ze dat heeft gedaan en hoe ze zich heeft ontwikkeld. Zij heeft niet onderbouwd waarom zij de gevraagde bewijsstukken niet kan aanleveren. Het vereiste dat een student moet laten zien te voldoen aan de eindtermen van het vak, is niet in strijd met de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (Wgbh/cz). Het vereiste dient namelijk een legitiem doel en de middelen waarmee het doel wordt bereikt zijn passend en noodzakelijk. Toepassing van de hardheidsclausule kan er tot slot niet toe leiden dat aan haar een vrijstelling wordt gegeven zonder dat vaststaat dat zij over de vereiste kennis en vaardigheden beschikt.
3. [appellante] is het niet eens met de beslissing van het CBE. Doordat het CBE blijft vasthouden aan een bewijseis waar zij vanwege haar gezondheid nooit aan kan voldoen, kan zij niet afstuderen. Dit is in strijd met de strekking van de Wgbh/cz. De examencommissie moet met toepassing van de hardheidsclausule en de Wgbh/cz een passend alternatief bieden, waarmee de leeruitkomsten van de stage op een andere manier kunnen worden getoetst.
3.1. Op grond van artikel 7.12b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Whw, en artikel 4.12, van het Onderwijs en Examenreglement 2025-2026 van de studie ‘Law’ (OER), kan de examencommissie op verzoek een vrijstelling verlenen als zij vaststelt dat de student voldoet aan de verplichte kwalificaties voor het afronden van het studieonderdeel. Uit artikel 4.12, vierde lid, van de OER, volgt dat het aan de student is te laten zien dat hij aan de eindtermen van het vak wordt voldaan.
3.2. Het CBE heeft zicht terecht op het standpunt gesteld dat [appellante] met de twee arbeidsovereenkomsten die zij heeft overgelegd niet heeft laten zien dat zij aan de eindtermen van het vak voldoet. Uit deze arbeidsovereenkomsten volgt namelijk alleen dat zij een bepaalde periode bij de betreffende werkgevers heeft gewerkt, althans daar in dienst was, maar niet dat en welke werkzaamheden zij daar heeft verricht waaruit volgt dat zij beschikt over de vereiste kennis en vaardigheden om het vak af te ronden. Zo volgt uit de enkele arbeidsovereenkomsten niet dat zij in staat is om de belangen van betrokkene goed in kaart kan brengen, zij zich goed aan deadlines kan houden, of dat zij zich goed kan aanpassen aan de interne organisatie van een bedrijf. Een toelichting van bijvoorbeeld de werkgevers in kwestie over de verrichte werkzaamheden ontbreekt, zodat er geen enkel inzicht is in hoe die werkzaamheden zich verhouden tot de eindtermen waaraan [appellante] moet voldoen. [appellante] heeft in haar nader stuk ook gewezen op de werkzaamheden die zij heeft verricht bij de Haagse Hogeschool. Omdat deze werkzaamheden pas ná de beslissing van het CBE ter sprake zijn gekomen in overleg dat is gevoerd tussen [appellante] ent de Haagse Hogeschool over andere mogelijke voorzieningen dan een vrijstelling, betrekt de Afdeling deze werkzaamheden niet bij de beoordeling van dit beroep.
3.3. Uit artikel 2, eerste lid, van de Wgbh/cz volgt dat een onderwijsinstelling een inspanningsverplichting heeft om voor een student met een handicap of chronische ziekte doeltreffende voorzieningen te treffen die hem in staat stellen zoveel mogelijk als studenten zonder handicap of chronische ziekte, onderwijs te volgen. Het CBE heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het vereiste voor [appellante] om te laten zien dat zij aan de eindtermen van het vak voldoet voor het verkrijgen van een vrijstelling, niet in strijd is met de Wgbh/cz. Met het moeten verlenen van een vrijstelling aan een student die niet kan laten zien te voldoen aan de eindtermen van het vak, zou niet zijn gewaarborgd dat de student voldoet aan de kwaliteitseisen van het diploma. Wel dient de Haagse Hogeschool zich op grond van de Wgbh/cz in te spannen een andere voorziening te treffen, waardoor [appellante] kan laten zien aan de eindtermen te voldoen zodat zij de opleiding alsnog binnen een redelijke termijn kan afronden. Op zitting bij de Afdeling is door het CBE toegelicht dat hierover al enige tijd gesprekken worden gevoerd met [appellante] en dat daarover op korte termijn een afzonderlijk besluit zal worden genomen.
4. Het beroep is ongegrond.
5. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzitter, en mr. G.T.J.M. Jurgens en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Willems
voorzitter
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026
284-1177