202504972/1/A2.
Datum uitspraak: 10 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 juli 2025 in zaak nr. 24/8302 in het geding tussen:
[wederpartij],
en
het CBR.
Procesverloop
Bij besluit van 25 juli 2024 heeft het CBR het rijbewijs van [wederpartij] ongeldig verklaard met ingang van 1 augustus 2024.
Bij besluit van 28 november 2024 heeft het CBR het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 juli 2025 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 28 november 2024 vernietigd en het besluit van 15 juli 2024 herroepen.
Tegen deze uitspraak heeft het CBR hoger beroep ingesteld.
[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 30 maart 2026, waar het CBR, vertegenwoordigd door mr. M.M. Kleijbeuker, en [wederpartij], bijgestaan door mr. J.J. van 't Hoff, advocaat in Tilburg, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [wederpartij] is op 18 januari 2024 betrokken geweest bij een eenzijdig verkeersongeval. Uit de uitgevoerde ademanalyse bleek dat hij onder invloed van alcohol was en dat het alcoholgehalte 1075 µg/l (2,473‰) bedroeg. De politie Zeeland-West-Brabant heeft daarom aan het CBR een mededeling gedaan van het vermoeden dat [wederpartij] niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid en/of geschiktheid voor het besturen van een motorrijtuig. Het CBR heeft bij besluit van 23 januari 2024 een onderzoek opgelegd naar de rijgeschiktheid van [wederpartij] en de geldigheid van zijn rijbewijs geschorst.
2. Het onderzoek naar de rijgeschiktheid vond plaats op 25 mei 2024. De psychiater heeft in het rapport van het onderzoek van 25 mei 2024 geconcludeerd dat op basis van alle relevante gegevens de diagnose ‘alcoholmisbruik in ruime zin’ gesteld kan worden en dat het aannemelijk is dat met het alcoholmisbruik is gestopt sinds 19 januari 2024. [wederpartij] heeft na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, op 7 juli 2024 gereageerd op het rapport en aangegeven dat zijn verklaring onjuist is weergegeven in de alcoholanamnese. De psychiater heeft hierin geen reden gezien om het rapport aan te passen.
3. Met het besluit van 25 juli 2024 heeft het CBR het rijbewijs van [wederpartij] ongeldig verklaard, omdat hij niet geschikt is om te rijden wegens alcoholmisbruik. Bij besluit van 28 november 2024 heeft het CBR dit besluit van 25 juli 2024 gehandhaafd.
Uitspraak van de rechtbank
4. De rechtbank heeft geoordeeld dat er onvoldoende grondslag is voor de diagnose van ‘alcoholmisbruik in ruime zin’. De diagnose is voornamelijk gebaseerd op de onderrapportage door [wederpartij] van het alcoholgebruik op de dag van de aanhouding en de alcoholtolerantie. De door [wederpartij] in zijn e-mail van 7 juli 2024, voorgestelde wijzigingen vallen onder het correctierecht van artikel 16 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) omdat de schriftelijke weergave van zijn mondeling afgelegde verklaring een feitelijk gegeven is. [wederpartij] heeft aannemelijk gemaakt dat de weergave van zijn verklaring onjuist is. Het CBR is er niet in geslaagd om het tegendeel aan te tonen. Er kan daarom niet worden uitgegaan van wat in het rapport staat over de onderrapportage en alcoholtolerantie. De overige argumenten, de verklaring over het feitelijk alcoholgebruik, dat hij zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk, en het hoge alcoholpromillage bij de aanhouding, zijn onvoldoende om alcoholmisbruik te kunnen vaststellen. Er is daarom onvoldoende grondslag voor de diagnose ‘alcoholmisbruik in ruime zin’. Het besluit waaraan het rapport ten grondslag ligt is niet zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.
Hoger beroep en beoordeling
5. Het CBR voert aan dat de rechtbank heeft miskend dat de enkele betwisting van de weergave van de verklaring onvoldoende is om te oordelen dat het CBR zich niet op het rapport mag baseren voor de onderrapportage en alcoholtolerantie. Het rapport voldoet aan de professionele norm voor CBR-keuringen in de richtlijn Alcoholmisbruik in het kader van rijgeschiktheidskeuringen van de Nederlandse Vereniging van Psychiatrie (NVvP-richtlijn). Er moeten concrete, objectieve aanknopingspunten zijn waaruit blijkt dat de weergave onjuist is.
5.1. Het CBR mag afgaan op het psychiatrisch rapport dat aan hem is uitgebracht, nadat is nagegaan of dit rapport op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Indien een belanghebbende concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het rapport, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het CBR niet zonder nadere motivering op het rapport afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat een belanghebbende over het advies heeft aangevoerd.
5.2. De psychiater heeft in het rapport van 25 mei 2024 vastgesteld dat er sprake is van alcoholmisbruik in ruime zin, omdat het opgegeven alcoholgebruik ten tijde van de aanhouding niet in overeenstemming is met het aangetroffen hoge alcoholpromillage. Daarnaast riskeerde [wederpartij] problemen met werk door te rijden onder invloed. Dit is een aanwijzing voor alcoholmisbruik. Ook is er een aanwijzing voor alcoholtolerantie omdat [wederpartij] naar eigen zeggen pas na drie alcoholeenheden (AE) een effect bemerkt. Volgens het rapport van 25 mei 2024 geven de medische anamnese, het lichamelijk onderzoek, het psychiatrisch onderzoek, en het laboratoriumonderzoek geen aanwijzingen voor de diagnose ‘alcoholmisbruik in ruime zin’. De diagnose is gebaseerd op de alcoholanamnese in combinatie met een sterk verhoogd ademalcoholgehalte.
5.3. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling kan de diagnose ‘alcoholmisbruik in ruime zin’ niet uitsluitend worden gebaseerd op een alcoholanamnese (zie de uitspraak van 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1339, r.o. 23). Anamnestische gegevens die bevestigend zijn voor alcoholmisbruik mogen echter wel als basis worden gebruikt voor de diagnose als er geen reden is om aan te nemen dat die gegevens onbetrouwbaar zijn (zie de uitspraak van de Afdeling van 13 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3484, r.o. 10 en 11). Dit veronderstelt dat de anamnestische gegevens op zorgvuldige wijze zijn verkregen.
5.4. De psychiater heeft meerdere keren een reactie gegeven op de stelling van [wederpartij] dat zijn verklaring onjuist is weergegeven in de alcoholanamnese. In de reacties noemt de psychiater, kort gezegd, dat de alcoholanamnese in het bijzijn van [wederpartij] en de psycholoog door hem is herhaald. Het is daarom niet nodig om nog navraag te doen bij de psycholoog. [wederpartij] heeft gelegenheid gehad te reageren op de alcoholanamnese. Een antwoord wordt pas opgeschreven in het rapport als de onderzochte daarop akkoord heeft gegeven. Dat [wederpartij] nu zegt dat hij anders heeft verklaard, is opmerkelijk en betekent niet dat de verklaring verkeerd is opgeschreven. De psychiater ziet geen aanleiding om het rapport aan te passen, omdat er geen feitelijke onjuistheden in het rapport staan. [wederpartij] heeft in een reactie hierop laten weten dat hem geen gelegenheid is geboden om reactie of akkoord te geven op de inhoud van het rapport. Het onderzoek is uitgevoerd door een psycholoog. De psychiater is maximaal 1 tot 1,5 minuut aanwezig geweest en heeft toen geen vraag gesteld of iets gezegd. Hij is niet geconfronteerd met de onderrapportage of in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. De psycholoog heeft ook niet doorgevraagd naar het alcoholgebruik op de avond van 18 januari 2024.
5.5. Volgens het CBR is het rapport opgesteld in lijn met de professionele norm voor CBR-keuringen in de NVvP-richtlijn. In de NVvP-richtlijn staat dat in de alcoholanamnese gericht door moet worden gevraagd naar de omvang van alcoholgebruik, de gevolgen van alcoholgebruik en het gedrag rond alcoholgebruik. De sensitiviteit van de alcoholanamnese - in hoeverre het onderzoek een persoon met alcoholmisbruik correct kan identificeren - kan worden verhoogd als de onderzoekend psychiater doorvraagt in het geval van mogelijke inconsistenties in het verhaal van de betrokkene. Verder volgt uit de NVvP-richtlijn dat het van belang is om de voorgeschiedenis, waaronder de reden van het onderzoek en andere relevante gegevens uit de stukken, in de alcoholanamnese te betrekken. Vragen naar de discrepanties tussen de beschikbare gegevens en de alcoholanamnese dienen aan de orde te komen. Ook mogen vragen naar het gebruik van alcohol beslist niet ontbreken. Het is raadzaam om vragen te stellen om de exacte hoeveelheden alcohol en het gebruik van alcohol te specificeren.
5.6. Uit de stukken blijkt dat de psychiater in het rapport heeft vastgesteld dat er een discrepantie is in het verhaal van [wederpartij]. Het door hem opgegeven alcoholgebruik bij de aanhouding op 18 januari 2024, komt namelijk niet overeen met het opgegeven alcoholgebruik bij de alcoholanamnese. De psychiater heeft ook vastgesteld dat er sprake is van zogenoemde onderrapportage, zijnde een discrepantie tussen het aangetroffen alcoholpromillage en het tijdens de alcoholanamnese opgegeven alcoholgebruik. Uit het rapport volgt echter niet dat er tijdens de alcoholanamnese is doorgevraagd naar de bovengenoemde discrepanties. Op zitting bij de Afdeling heeft het CBR erop gewezen dat onder 3.1 van het rapport is opgenomen dat [wederpartij] is geconfronteerd met het aangetroffen hoge alcoholpromillage in verhouding tot het aangegeven alcoholgebruik op de dag van de aanhouding. Dit ziet echter op het alcoholgebruik zoals is verklaard bij de aanhouding en niet op het alcoholgebruik zoals volgt uit de alcoholanamnese. Verder is hieruit alleen op te maken dat [wederpartij] feitelijk met de discrepantie is geconfronteerd, maar niet dat hierover door de psycholoog of psychiater vragen zijn gesteld. Het rapport geeft geen enkele aanwijzing dat tijdens het onderzoek is doorgevraagd.
5.7. Ook volgt niet uit het rapport dat de antwoorden die zijn opgenomen in de alcoholanamnese nog aan [wederpartij] zijn voorgelegd, dat hij gelegenheid heeft gehad om hierop te reageren en dat hij uitdrukkelijk zijn akkoord heeft gegeven. De psychiater heeft de stelling van [wederpartij] dat hij niet in de gelegenheid is gesteld een reactie of akkoord te gegeven, ook niet weerlegd. De psychiater heeft in een e-mail van 15 juni 2025 slechts genoemd dat het standaardwerkwijze is dat de bevindingen van het onderzoek nog een keer worden doorgenomen in de aanwezigheid van de onderzochte en dat die gelegenheid krijgt om hierop te reageren. Hieruit volgt niet dat de standaardwijze in het onderhavige geval ook daadwerkelijk is gevolgd.
5.8. Het bovenstaande geeft aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid waarmee de alcoholanamnese in het rapport tot stand is gekomen. Gelet op het feit dat de in het rapport gestelde diagnose ‘alcoholmisbruik in ruime zin’ is gebaseerd op deze alcoholanamnese in combinatie met een sterk verhoogd ademalcoholgehalte, is de Afdeling van oordeel dat het rapport een zodanig gebrek vertoont dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het besluit van het CBR onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Het CBR kon het rapport niet aan zijn besluitvorming ten grondslag leggen. De vraag of de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de door [wederpartij] voorgestelde inhoudelijke wijzigingen van het rapport onder het correctierecht van artikel 16 van de AVG vallen, behoeft daarom ook geen bespreking meer.
Conclusie
6. Het hoger beroep van het CBR is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
7. Het CBR moet de proceskosten vergoeden.
8. Gelet op artikel 8:109, tweede lid, van de Awb, wordt van het CBR griffierecht geheven.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen tot vergoeding van de bij [wederpartij] met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te komen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III. bepaalt dat van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen een griffierecht van € 579,00 wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. G.O. van Veldhuizen en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Verheij
voorzitter
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026
284-1177