202304430/1/A3.
Datum uitspraak: 10 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Barendrecht,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 juni 2023 in zaak nr. 22/4667 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht.
Procesverloop
Bij besluit van 15 oktober 2021 heeft het college een verzoek van [naam A] om wijziging van haar persoonsgegevens in de basisregistratie personen (brp) afgewezen en haar persoonsgegevens ambtshalve gewijzigd.
Bij besluit van 30 augustus 2022 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 juni 2023 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Ook heeft de rechtbank het college veroordeeld in de proceskosten van [appellante] en heeft de rechtbank bepaald dat het college het griffierecht aan [appellante] moet vergoeden.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 13 mei 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. K.L. Sett, advocaat in Rotterdam, en vergezeld door Y. He, tolk, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.A.J.S. Lathouwers, zijn verschenen.
Overwegingen
1. [appellante] stond ingeschreven in de brp als [naam A], geboren op [geboortedatum A] 1985 in Sihai, China, op basis van een verklaring die zij onder ede heeft afgelegd. Zij heeft het college op 22 mei 2021 verzocht haar persoonsgegevens in de brp te wijzen naar [naam B], geboren op [geboortedatum B] 1979 in Fuzhou, China.
1.1. [appellante] heeft ter onderbouwing van haar verzoek de volgende documenten overgelegd:
- een Nederlandse verblijfsvergunning;
- twee Chinese paspoorten met de identiteit: [naam B], geboren op [geboortedatum B] 1979 in Fujian, China, afgegeven op 31 augustus 2009 en 7 maart 2019;
- een ‘Household Register’, afgegeven op 22 maart 2013;
- een notarieel certificaat behorende bij ‘Household Register’ met nummer 324;
- een Certificate of Family Relation, afgegeven op 11 januari 2021;
- een notarieel certificaat behorende bij ‘Certificate of Family Relation’ met nummer 325;
- een notarieel geboortecertificaat met nummer 326;
- een DNA-verwantschapsonderzoek, uitgevoerd door Verilabs;
- een gezichtsvergelijkend onderzoek uitgevoerd door het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau (NFO).
Besluitvorming
2. Bij het besluit van 15 oktober 2021, gehandhaafd bij het besluit van 30 augustus 2022, heeft het college allereerst de naam en geboortedatum van [appellante] in de brp ambtshalve gewijzigd van [naam A], geboren op [geboortedatum A] 1985 naar [appellante], geboren op [geboortedatum A] 1985. De geboorteplaats heeft het college niet gewijzigd. Verder heeft het college het verzoek om rectificatie van [appellante] afgewezen. Hoewel de twee paspoorten volgens het college zijn aan te merken als brondocumenten, bestaan er grote twijfels of de op de paspoorten opgenomen persoonsgegevens juist zijn, of deze op [appellante] zien en of controle van de identiteit van [appellante] heeft plaatsgevonden voordat tot afgifte van de paspoorten is overgegaan. Over de overige documenten heeft het college zich op het standpunt gesteld dat dit geen brondocumenten zijn zoals bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, van de Wet brp.
Uitspraak rechtbank
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college het verzoek om rectificatie terecht heeft afgewezen. Hoewel de twee paspoorten moeten worden aangemerkt als brondocumenten als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet brp, heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat in dit geval concrete aanwijzingen bestaan om eraan te twijfelen dat behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden bij de afgifte daarvan. Het DNA-verwantschapsonderzoek en het gezichtsvergelijkend onderzoek zeggen bovendien onvoldoende over de inhoudelijke juistheid van de paspoorten of het verband tussen de paspoorten en [appellante]. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de overige documenten geen brondocumenten zijn.
Hoger beroep
4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college het verzoek om rectificatie terecht heeft afgewezen. Volgens [appellante] volgt wel uit de door haar overgelegde documenten dat buiten redelijke twijfel is dat de daarin vermelde gegevens juist zijn.
4.1. In de uitspraak van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4980, (hierna: de overzichtsuitspraak) heeft de Afdeling het beoordelingskader voor rectificatieverzoeken op grond van artikel 2.58 van de Wet brp vernieuwd. De Afdeling zal voor de beoordeling van dit hoger beroep uitgaan van dit vernieuwde beoordelingskader. De Afdeling verwijst voor het volledige beoordelingskader naar de overzichtsuitspraak.
B-document
5. Het college heeft in reactie op de overzichtsuitspraak gewezen op de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 september 2006 in de asielprocedure van [appellante] waarin ervan is uitgegaan dat haar geboortedatum van de geboortedatum van [appellante] in het besluit van 15 oktober 2021. Volgens het college is de uitspraak van 9 februari 2007 een b-document waardoor aan de andere brondocumenten geen betekenis toekomt. Gelet op het verderstrekkende belang van de mogelijke waardering als b-document, zal de Afdeling hierover eerst oordelen.
Uit artikel 2.8, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet brp volgt dat een in Nederland gedane uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan, een brondocument is. De Afdeling volgt het college niet in het standpunt dat haar uitspraak van 9 februari 2007 een b-document is. In de asielprocedure heeft een leeftijdsonderzoek plaatsgevonden. Op basis van de uitkomsten van het leeftijdsonderzoek is de geboortedatum van [appellante] in de asielprocedure vastgesteld op [geboortedatum A] 1985. De rechtbank Den Haag heeft in de uitspraak van 20 september 2006 geoordeeld dat de uitkomst van het leeftijdsonderzoek niet is bestreden. De Afdeling heeft deze uitspraak met toepassing van artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000 bevestigd. Uit het leeftijdsonderzoek volgt dat [appellante] ten tijde van het onderzoek minimaal 20,68 jaar of ouder was. Het college miskent dat de rechtbank en de Afdeling geen bindend oordeel hebben gegeven over de daadwerkelijke leeftijd van [appellante]. Er is slechts aangesloten bij de minimale leeftijd op grond waarvan een fictieve geboortedatum is vastgesteld. Dit betekent dat de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2007 niet als document van hogere rangorde kan worden aangemerkt.
D-document: twee Chinese paspoorten
6. Over de twee paspoorten voert [appellante] aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de afgifte van de twee paspoorten. Ook heeft de rechtbank niet onderkend dat het college niet heeft voldaan aan zijn vergewisplicht, omdat het college de paspoorten niet heeft laten onderzoeken door deskundigen. [appellante] verwijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1198.
6.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de paspoorten van 31 augustus 2009 en 7 maart 2019 brondocumenten zijn als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder d, van de Wet brp. Dat de paspoorten brondocumenten zijn, betekent niet dat de daarin vermelde feiten zonder meer moeten worden verwerkt in de brp. De Afdeling verwijst hiervoor naar wat zij in de overzichtsuitspraak, onder 7.1, heeft overwogen.
6.2. Bij paspoorten geldt als uitgangspunt dat ervan uit wordt gegaan dat voorafgaand aan de afgifte van het paspoort ook behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden naar de aanvrager van het paspoort. Het paspoort van [appellante] van 7 maart 2019 is afgegeven ter vervanging van het paspoort van 31 augustus 2009. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft het college geen aan de individuele aanvraag te relateren omstandigheden aangedragen die steun bieden voor het standpunt van het college dat voorafgaand aan de afgifte van de twee paspoorten kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Dat tevergeefs contact is gezocht met de ambassade, zoals het college heeft aangegeven, doet daaraan niet af. Dat sinds het verblijf van [appellante] in Nederland verschillende procedures en/of handelingen hebben plaatsgevonden waarbij haar persoonsgegevens centraal stonden en [appellante] eerst in de huidige procedure haar paspoorten heeft overgelegd, staat los van de vraag of voorafgaand aan de afgifte van de twee paspoorten kennelijk behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Hoewel het invoelbaar is dat het voor het college frustrerend kan zijn dat een aanvrager bij een rectificatieverzoek terugkomt van een eerder e-document door alsnog documenten aan te bieden die eerder ook al beschikbaar waren, kan dit op zichzelf niet leiden tot het oordeel dat sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk onderzoek bij de afgifte van een paspoort. Het college heeft verder ook niet aannemelijk gemaakt dat de twee paspoorten geen betrekking hebben op [appellante]. Gelet daarop volgt uit de twee paspoorten buiten redelijke twijfel dat de daarin vermelde persoonsgegevens juist zijn en betrekking hebben op [appellante]. De gegevens over haar naam, geboortedatum en geboorteplaats moeten dus overeenkomstig in de brp worden gewijzigd.
Het betoog slaagt.
Overige hogerberoepsgronden
7. Omdat het betoog van [appellante] slaagt en de gegevens van [appellante] in de brp gewijzigd moeten worden, behoeven de overige hogerberoepsgronden van [appellante] geen bespreking meer.
Conclusie
8. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd, voor zover aangevallen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren en het besluit van 30 augustus 2022 vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
9. De Afdeling ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en het besluit van 15 oktober 2021 te herroepen. De juistheid van de in de paspoorten uit 2009 en 2019 vermelde persoonsgegevens is buiten redelijke twijfel vast komen te staan. De Afdeling zal het college opdragen om de bestaande inschrijving binnen vier weken na verzending van deze uitspraak in de brp te wijzigen zoals hierna bepaald. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
10. Het college moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 juni 2023 in zaak nr. 22/4667, voor zover aangevallen;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht van 30 augustus 2022, kenmerk 426954;
V. herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht van 15 oktober 2021, kenmerk 349299;
VI. draagt het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak de bestaande inschrijving van [appellante] te wijzigen in: [naam B], geboren op [geboortedatum B] 1979 in Fuzhou, China;
VII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
IX. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht aan [appellante] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 274,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. H.J.M. Besselink en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E. de Bakker, griffier.
w.g. Knol
voorzitter
w.g. De Bakker
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026
1031