202501653/1/A2.
Datum uitspraak: 10 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 7 februari 2025 in zaak nr. 24/791 in het geding tussen:
[partij] en [appellant]
en
het bestuur van de raad voor rechtsbijstand.
Procesverloop
Bij besluit van 28 maart 2023 heeft de raad de aanvraag van [partij] voor een toevoeging afgewezen.
Bij besluit van 22 december 2023 heeft de raad het door [partij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 7 februari 2025 heeft de rechtbank het door [partij] daartegen ingestelde beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 26 januari 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M. Uslu, en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra, zijn verschenen.
Overwegingen
1. [partij] was gedetineerd toen het besluit van 28 maart 2023 werd genomen. Na een incident is hij in een isoleercel geplaatst en kreeg de mededeling dat hij één telefoontje mocht plegen. [partij] ging er vanuit dat (telefonisch) contact met zijn advocaat mogelijk bleef en heeft daarom met zijn partner gebeld. [partij] heeft een toevoeging aangevraagd en gekregen met als rechtsbelang het opkomen tegen het feit dat hij maar één telefoontje mocht plegen en niet met zijn advocaat mocht bellen (kenmerk: IJX8317). Daarnaast heeft hij een toevoeging aangevraagd met als rechtsbelang de plaatsing in een isoleercel (kenmerk: IJX8947). Die aanvraag is afgewezen, omdat volgens de raad dit hetzelfde rechtsbelang is als waarvoor de eerste toevoeging is verleend. Het bezwaar tegen de afwijzing van die aanvraag is om dezelfde reden ongegrond verklaard.
De uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van [partij] niet-ontvankelijk verklaard. Hieraan heeft zij ten grondslag gelegd dat de rechtsbijstand feitelijk al is verleend, zodat het niet verlenen van de toevoeging geen financiële of andere gevolgen voor hem heeft. Daarom heeft hij geen belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep en is dat beroep niet-ontvankelijk. Het beroep van [partij] is door [appellant] namens hem ingesteld. De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] wel een belang heeft bij het alsnog krijgen van de toevoeging, omdat dit betekent of hij wel of niet betaald krijgt voor de verrichte werkzaamheden. [appellant] is daarom door de rechtbank aangemerkt als belanghebbende. De rechtbank heeft vervolgens het beroep, met [appellant] als appellant, behandeld.
3. Volgens de rechtbank is er geen motiveringsgebrek. In het besluit stond weliswaar een verwijzing naar een verlofaanvraag als rechtsbelang, maar dat was een vergissing omdat er een heel cluster aan zaken werd behandeld. Het doet niets af aan de inhoud van de motivering van het besluit. De rechtbank heeft verder overwogen dat, ondanks het feit dat de wetsgeschiedenis zwijgt over een samenstel van belangen, dit niet maakt dat de werkinstructie geen juiste invulling geeft aan het begrip rechtsbelang in de Wet op de rechtsbijstand (Wrb). De rechtbank is [appellant] daarom niet gevolgd in zijn stelling dat er sprake is van twee feitencomplexen en rechtsbelangen. Beide klachtenprocedures zijn weliswaar niet identiek, maar beide zijn wel het gevolg van één geweldsincident. Bij beide klachten gaat het om het aanvechten van de beperking van de rechten van [partij] als gedetineerde. Omdat beide klachten bij dezelfde Commissie van Toezicht worden behandeld, is ook geen sprake van diversiteit van procedures. Hierdoor mocht de raad zich op het standpunt stellen dat het gaat om een samenstel van belangen, aldus de rechtbank.
Het hoger beroep en de beoordeling daarvan
4. [appellant] herhaalt in hoger beroep zijn argumenten over het ontbreken van een dragende juridische motivering en het feit dat hij meent dat een samenstel van belangen haaks op de letter van de wet staat. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen nieuwe redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de in onder overweging 13 tot en met 19 opgenomen overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd.
5. [appellant] betoogt dat de rechtbank de raad ten onrechte is gevolgd in het standpunt dat geen sprake is van twee afzonderlijke rechtsbelangen. Dat deze voorvloeien uit eenzelfde feitencomplex maakt niet dat ze daarom onzelfstandig worden. Het eerste belang betreft het verder beperken van de bewegingsvrijheid van een gedetineerde. Het tweede belang gaat over het beperken van het recht op toegang tot een advocaat van die gedetineerde. Deze beide belangen hebben en houden een zelfstandige waarde, daarom is het gerechtvaardigd dat twee keer een toevoeging wordt verleend.
5.1. Uit de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 24 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:155 volgt dat voor de vraag of sprake is van hetzelfde rechtsbelang, moet worden gekeken naar het doel en het beoogde eindresultaat van de rechtsbijstand. Het kan zijn dat als het doel en beoogde eindresultaat niet identiek zijn, er toch een samenstel van belangen is waardoor deze geen zelfstandige betekenis hebben. Hierbij is het feitencomplex van belang. Dit wordt bijvoorbeeld aangenomen in het geval het gaat om belangen die zodanig nauw met elkaar zijn verbonden dat niet kan worden gesproken van onderscheiden rechtsbelangen.
5.2. In dit geval was sprake van een incident, waarna [partij] in isolatie is geplaatst. De Afdeling volgt het standpunt van de rechtbank en de raad niet dat het rechtsbelang van contact met de raadsman in dit geval slechts één doel en eindresultaat kon dienen, namelijk het beëindigen van de isolatie. [appellant] heeft terecht betoogd dat ook in isolatie contact met de raadsman een ander doel en eindresultaat kan dienen. Daarmee blijft dit een op zichzelf staand belang. Dat voor het eerder willen laten beëindigen van de isolatie ook contact met de raadsman nodig is maakt dit niet anders. Naar het oordeel van de Afdeling blijven de beide belangen in dit geval hun zelfstandige betekenis houden.
Conclusie
6. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 22 december 2023. Dit betekent dat de raad een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen. De Afdeling stelt daarvoor een termijn.
7. De raad moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 7 februari 2025 in zaak nr. 24/791;
III. verklaart het beroep tegen het besluit van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand van 22 december 2023, kenmerk: IJX8947, gegrond;
IV. vernietigt dat besluit;
V. draagt het bestuur van de raad voor de rechtsbijstand op om binnen 6 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen;
VI. veroordeelt het bestuur van de raad voor de rechtsbijstand tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
VII. gelast dat het bestuur van de raad voor rechtsbijstand aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 340,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026
284-1043