202504551/1/R1.
Datum uitspraak: 10 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Krommenie, gemeente Zaanstad,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 1 juli 2025 in zaak nr. 24/3420 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad.
Procesverloop
Bij besluit van 16 oktober 2023 heeft het college de aanvraag van [appellant] om een omgevingsvergunning voor het legaliseren van een bedrijfswoning in het bedrijfspand aan het [perceel] in Krommenie (perceel) buiten behandeling gesteld.
Bij besluit van 13 mei 2024 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en dat besluit in stand gelaten.
Bij uitspraak van 1 juli 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 mei 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. Y. Kliphuis, advocaat in Hoofddorp, vergezeld door [persoon], zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 28 juli 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [appellant] woont in het bedrijfspand op het perceel. Op 28 juli 2023 heeft hij een aanvraag gedaan om het pand te legaliseren als een bedrijfswoning. Met de brief van 15 augustus 2023 heeft het college [appellant] gevraagd om aanvullende gegevens aan te leveren, waaronder informatie over de goede ruimtelijke ordening vanwege de strijd met het bestemmingsplan. Omdat [appellant] die gegevens niet heeft aangeleverd, heeft het college de aanvraag van [appellant] met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld.
De rechtbank heeft overwogen dat het college de aanvraag buiten behandeling heeft mogen stellen. Partijen zijn verdeeld over de vraag of een bedrijfswoning ter plaatse in overeenstemming is met het bestemmingsplan "Krommenie-Oost". Als de aanvraag in overeenstemming is met het bestemmingsplan, dan mocht het college de aanvraag niet buiten behandeling stellen vanwege het ontbreken van informatie over de goede ruimtelijke ordening.
Buiten behandeling stellen van de aanvraag
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de aanvraag buiten behandeling mocht stellen. Volgens [appellant] is het bouwplan in overeenstemming met het bestemmingsplan en was de gevraagde informatie over de goede ruimtelijke ordening daarom niet nodig. Volgens [appellant] zijn ter plaatse van de op de plankaart aangeduide ster bedrijfswoningen toegestaan op het gehele plandeel en daarmee ook op het perceel van [appellant]. Dat bedrijfswoningen zijn toegestaan op het gehele plandeel blijkt volgens [appellant] uit de omstandigheid dat er twee bedrijfswoningen aan de Noordervaartdijk aanwezig zijn op een locatie waar de plankaart ook niet voorziet in een ster. Die interpretatie wordt volgens [appellant] verder onderschreven door een uitleg van het bestemmingsplan overeenkomstig de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP).
3.1. Op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb kan het college besluiten de aanvraag niet te behandelen indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.
3.2. Over het betoog van [appellant] dat het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan overweegt de Afdeling het volgende. Volgens de plankaart heeft het perceel de bestemming "Bedrijven" en ligt het in een zone met de code BIIa. Volgens artikel 21, eerste lid, aanhef en onder i, van de planvoorschriften zijn bedrijfswoningen toegestaan voor zover dit op de plankaart is aangegeven. Volgens de legenda van de plankaart zijn de locaties waar een bedrijfswoning is toegestaan met een ster aangeduid. Op de plankaart staat geen ster op de locatie van het perceel van [appellant]. De Afdeling heeft eerder in haar uitspraak van 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2615, over een vergelijkbare situatie overwogen dat binnen het bestemmingsplan de plaatsaanduiding voor een bedrijfswoning met een ster alleen geldt voor het specifieke, onderliggende perceel, zoals dat op de ondergrond van de plankaart te zien is en niet voor het gehele bouwvlak of bestemmingsvlak. De Afdeling ziet geen aanleiding voor een ander oordeel over de betekenis van de ster voor het perceel van [appellant] aan het [perceel].
Dat er twee bestaande bedrijfswoningen aan de Noordervaartdijk aanwezig zijn die binnen het plandeel vallen en op de plankaart niet voorzien zijn van twee sterren, geeft de Afdeling geen reden voor een andere uitleg van de plankaart. Het college heeft op de zitting nogmaals verduidelijkt dat de vergunningen voor de bedrijfswoningen aan de Noordervaartdijk zijn verleend op grond van een ander, ouder bestemmingsplan, zoals ook al aan de orde is gekomen in de uitspraak van 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2615. Of die vergunningen correct op de plankaart zijn verwerkt, ligt hier niet ter beoordeling voor. De aanwezigheid van de bedrijfswoningen aan de Noordervaartdijk maakt dan ook niet dat met het bestemmingsplan in het hele plandeel bedrijfswoningen zijn toegestaan. De Afdeling volgt in dat verband ook niet de stelling van [appellant] dat als het bestemmingsplan overeenkomstig de SVBP wordt uitgelegd, wat daar ook van zij, binnen het hele plandeel bedrijfswoningen zijn toegestaan. De plankaart en het planvoorschrift zijn op zichzelf duidelijk, zodat alleen al daarom geen betekenis toekomt aan de SVBP.
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat op de locatie van het bedrijfspand op het perceel geen bedrijfswoning is toegestaan omdat dit niet op de plankaart is aangegeven. Dat betekent dat het college moest toetsen of het bereid was medewerking te verlenen aan afwijking van het bestemmingsplan.
3.3. Met de brief van 15 augustus 2023 heeft het college [appellant] in de gelegenheid gesteld om binnen 6 weken aanvullende gegevens aan te leveren, waaronder informatie over de goede ruimtelijke ordening vanwege de strijd met het bestemmingsplan. [appellant] heeft een deel van de gevraagde aanvullende gegevens aangeleverd, maar niet alle. Zo ontbrak een situatietekening met daarin aangegeven de afstanden van de beoogde woning tot omliggende bedrijven in relatie met richtafstanden bedrijven en milieuzonering en eventuele noodzakelijke maatregelen om beperkingen naar omliggende bedrijven tegen te gaan. Omdat [appellant] deze gegevens niet heeft aangeleverd, heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt kunnen stellen dat de verstrekte gegevens onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college de aanvraag buiten behandeling heeft mogen stellen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Proceskosten
5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.C.M. Wijgerde, griffier.
w.g. Kaajan
lid van de enkelvoudige kamer
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026
672-1188