202501016/1/A3 en 202501018/1/A3.
Datum uitspraak: 10 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de verzoeken van:
[verzoeker A], eigenaar van eenmanszaak [bedrijf A], en [verzoeker B], eigenaar van eenmanszaak [bedrijf B], beiden wonend in [woonplaats] (hierna: [bedrijf A] en [bedrijf B]),
verzoekers,
om herziening (artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) van de uitspraken van de Afdeling van 23 november 2022 in zaken nrs. 202201799/1/A3 en 202201803/1/A3.
Procesverloop
Bij uitspraak van 23 november 2022 in zaak nr. 202201799/1/A3 (ECLI:NL:RVS:2022:3408) heeft de Afdeling het beroep van [bedrijf A] gegrond verklaard, het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam van 16 februari 2022 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven.
Bij uitspraak van 23 november 2022 in zaak nr. 202201803/1/A3 (ECLI:NL:RVS:2022:3409) heeft de Afdeling het beroep van [bedrijf B] gegrond verklaard, het besluit van het college van 16 februari 2022 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven.
[bedrijf A] en [bedrijf B] hebben de Afdeling verzocht die uitspraken te herzien.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[bedrijf A] en [bedrijf B] hebben een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 19 mei 2026, waar [bedrijf A], vertegenwoordigd door [verzoeker A], [bedrijf B], vertegenwoordigd door [verzoeker B], beide bijgestaan door mr. J. Monster, en het college, vertegenwoordigd door mr. K. van Driel, bijgestaan door mr. B.S. Jaasma, advocaat in Den Haag, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Bij de uitspraken van 23 november 2022 heeft de Afdeling de door [bedrijf A] en [bedrijf B] ingestelde beroepen tegen de weigering van exploitatievergunningen voor passagiersvervoer gegrond verklaard, maar de rechtsgevolgen van die besluiten in stand gelaten.
2. [bedrijf A] en [bedrijf B] verzoeken om herziening van deze uitspraken vanwege de uitspraken die de Afdeling op 25 september 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3854) en op 2 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3977) heeft gedaan. In die uitspraken heeft de Afdeling geoordeeld dat de wijziging van exploitatievergunningen in vergunningen voor bepaalde tijd onevenredig en onevenwichtig was. Volgens [bedrijf A] en [bedrijf B] blijkt uit deze uitspraken dat de afwijzende besluiten waarvan de Afdeling in de uitspraken van 23 november 2022 de rechtsgevolgen in stand heeft gelaten, nooit als rechtmatig mochten worden aangemerkt. [bedrijf A] en [bedrijf B] betogen verder dat de uitspraken van 23 november 2022 in strijd zijn met artikel 11 van de Dienstenrichtlijn.
3. Herziening is een bijzonder rechtsmiddel en alleen mogelijk op grond van feiten en omstandigheden, als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Het moet gaan om feiten of omstandigheden die hebben plaatsgevonden voor de uitspraak waarom herziening wordt gevraagd, die niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn bij de verzoeker, en waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend dit tot een andere uitspraak zou hebben kunnen leiden.
4. Wat [bedrijf A] en [bedrijf B] aanvoeren is niet als zulke feiten en omstandigheden aan te merken. De uitspraken van 25 september 2024 en 2 oktober 2024 dateren van na de uitspraken van 23 november 2022. Ook het betoog van [bedrijf A] en [bedrijf B] dat de uitspraken strijdig zouden zijn met Unierechtelijke bepalingen en daarom zouden moeten worden herzien, slaagt niet. Wat van het betoog verder ook zij, uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 maart 2006, nr. C-234/04, Kapferer, onder 21, volgt dat het Unierecht een nationale rechter er niet toe verplicht om nationale procedureregels buiten toepassing te laten teneinde een onherroepelijk geworden uitspraak te herzien, zelfs niet als die uitspraak in strijd zou zijn met het Unierecht.
5. Nu niet wordt voldaan aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 8:119, eerste lid van de Awb is er geen aanleiding om de uitspraken van 23 november 2022 te herzien. De verzoeken van [bedrijf A] en [bedrijf B] moet worden afgewezen.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst de verzoeken af.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.
w.g. Van Altena
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dijkshoorn
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026
735-1104