202305179/2/R2.
Datum uitspraak: 10 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], gevestigd in Helmond,
appellante,
en
de raad van de gemeente Helmond,
verweerder.
Procesverloop
Bij tussenuitspraak van 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:786 heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 26 weken na verzending van de tussenuitspraak het onder 11.7 omschreven gebrek in het besluit van 20 juni 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "’t Hout - De Hoefkens" te herstellen.
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad op 10 juni 2025 een nadere motivering voor het bestreden besluit gegeven. [appellante] en [partij] hebben, daartoe in de gelegenheid gesteld, een zienswijze naar voren gebracht over de wijze waarop het gebrek is hersteld.
De raad en [appellante] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een nadere zitting behandeld op 14 april 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde 1], [gemachtigde 2], [gemachtigde 3], bijgestaan door mr. M. Th. M. Zusterzeel, advocaat in Weert, en de raad, vertegenwoordigd door mr. I.H.W. van Druten, bijgestaan door mr. L.J. Gerritsen, advocaat in Nijmegen, zijn verschenen. Verder is op de zitting [partij], vertegenwoordigd door mr. L. Pronk, advocaat in Helmond, verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 20 januari 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Crisis- en herstelwet (Chw), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
De tussenuitspraak
2. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 11.7 geoordeeld dat de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt of ter plaatse van de woningen in het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd zonder dat [appellante] onevenredig wordt beperkt in haar bedrijfsmogelijkheden.
2.1. Gelet op wat de Afdeling in overweging 11.7 van de tussenuitspraak heeft overwogen, is het beroep van [appellante] tegen het besluit van 20 juni 2023 gegrond.
2.2. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om het gebrek te herstellen. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak overwogen dat de raad het geconstateerde gebrek zou kunnen herstellen door bijvoorbeeld op basis van een akoestisch onderzoek alsnog deugdelijk te motiveren dat [appellante] niet in haar bedrijfsvoering wordt beperkt door de woningbouw. Daarbij zal de raad moeten onderzoeken of bezoekend en vertrekkend verkeer in de avond- en nachtperiode aannemelijk is bij bedrijven in milieucategorie 3.1 en nader moeten reageren op de door [appellante] gestelde onmogelijkheid om aan de normen uit het Activiteitenbesluit te kunnen voldoen.
De aanvullende motivering
3. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad een aanvullende motivering gegeven. De raad heeft de notitie "BP ’t Hout - De Hoefkens, woningen nabij bedrijventerrein; akoestisch onderzoek" van 6 juni 2025 door [ingenieursbureau] (hierna: het akoestisch onderzoek) laten opstellen. Daarin is onderzocht of ter plaatse van de woningen in het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd zonder dat [appellante] onevenredig in haar bedrijfsmogelijkheden wordt beperkt. De raad heeft zich onder verwijzing naar het akoestisch onderzoek op het standpunt gesteld dat de woningbouw niet tot beperkingen van de bedrijfsvoering van de verschillende bedrijven op het bedrijvenpark van [appellante] leidt, ook niet bij gebruik van vrachtwagens in de avond- en nachtperiode. In het geval dat vrachtwagens arriveren of vertrekken in de avond- of nachtperiode wordt de standaardwaarde op de gevel conform artikel 5.65 van het Besluit kwaliteit leefomgeving wel overschreden. Gelet echter op de minimale standaard gevelgeluidwering van 20 dB wordt ook dan wel voldaan aan de grenswaarden voor de binnenwaarde en zal ter plaatse van de woningen sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat.
Zienswijze
4. [appellante] heeft zich op het standpunt gesteld dat de raad nog steeds niet inzichtelijk heeft gemaakt dat ter plaatse van de woningen in het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd zonder dat [appellante] onevenredig wordt beperkt in haar bedrijfsmogelijkheden. [appellante] heeft een beoordeling van het akoestisch onderzoek laten uitvoeren. Dit is de notitie "’t-Hout-De Hoefkens Helmond; 2nd opinion akoestisch onderzoek" van 18 augustus 2025 van [ingenieursbureau 2] (hierna: de second opinion). Onder verwijzing naar de second opinion stelt [appellante] zich op het standpunt dat de woningen een geluidgevelwering van minimaal 28 dB(A) zouden moeten bezitten. Deze geluidgevelwering is niet geborgd in de planregels. Bij een geluidgevelwering van minimaal 28 dB(A) kan ter plaatse van de woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd, en kan de mogelijkheid openblijven om middels maatwerkvoorschriften bij de nieuwe woningen eventuele beperkingen voor [appellante], althans voor de bedrijven die een ruimte op haar bedrijfsverzamelgebouw huren, weg te nemen bij gebruik van vrachtwagens in de avond- en nachtperiode.
Minnelijk overleg
5. De Afdeling constateert het volgende. In aanloop naar de zitting zijn [appellante], [partij] en de raad (hierna: partijen) met elkaar in gesprek gegaan over een eventuele minnelijke beslechting van het geschil. In die gesprekken stond de planologische borging van de geluidgevelwering van 28 dB(A), zoals voorgesteld door [appellante], centraal. Partijen hebben overeenstemming bereikt over de wijze waarop het planologisch borgen van deze geluidgevelwering in het bestemmingsplan kan worden vormgegeven. Zij hebben de Afdeling in dat kader op de zitting verzocht om zelf voorziend de volgende twee artikelen aan de planregels toe te voegen:
- Art. 7.2.1 sub k: "woningen mogen slechts worden gebouwd onder de voorwaarde dat voor alle gevels de geluidwering minimaal 28 dB bedraagt en deze geluidwering in stand wordt gehouden."
- Art. 7.3.1 sub g: "wonen, in het geval dat de gerealiseerde geluidwering van minimaal 28 dB niet in stand wordt gehouden."
5.1. Op de zitting heeft [partij] uitdrukkelijk bevestigd er geen bezwaar tegen te hebben dat een minimale geluidgevelwering van 28 dB wordt geborgd in de planregels. Ook heeft
[partij] toegelicht dat de beglazing een gevelwering van 28,6 dB zal bevatten.
5.2. De Afdeling overweegt dat bij het gebruik van vrachtwagens in de avond- en nachtperiode worst-case een gevelgeluidwering van 28 dB bij de woningen is vereist. Op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer kan dit gebruik van vrachtwagens in de avond- en nachtperiode plaatsvinden, mits de woningen een gevelgeluidwering van 28 dB bevatten. Op de zitting heeft de raad namens het college aangegeven bereid te zijn om desgevraagd medewerking te verlenen aan maatwerkvoorschriften. De raad en [partij] erkennen het belang dat [appellante] heeft bij het treffen van maatwerkvoorschriften door het college, waardoor door [appellante], althans door de bedrijven die gebruik maken van het bedrijfsverzamelgebouw op haar perceel, ter plaatse van de voorgenomen 31 woningen aan de geldende geluidnormen uit het Activiteitenbesluit wordt voldaan. Om die reden is het naar het oordeel van de Afdeling nodig dat in de planregels een gevelgeluidwering van 28 dB wordt geborgd.
5.3. Onder verwijzing naar de uitspraak van 10 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1116, onder 8.3, overweegt de Afdeling dat maatwerkvoorschriften niet al vóór de vaststelling van een bestemmingsplan hoeven te zijn vastgesteld, maar dat de raad er op voorhand redelijkerwijs van moet kunnen uitgaan dat de maatwerkvoorschriften stand kunnen houden in een beroepsprocedure. De Afdeling ziet, mede gelet op wat hiervoor namens de verschillende partijen naar voren is gebracht, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ervan uit had moeten gaan dat eventuele maatwerkvoorschriften waarmee een hogere geluidbelasting op de gevel van de woningen wordt toegestaan, geen stand kunnen houden in een beroepsprocedure.
5.4. Gelet op de bovenstaande constateringen is het gebrek in de tussenuitspraak naar het oordeel van de Afdeling hersteld.
Conclusie
6. Het beroep van [appellante] tegen het besluit van 20 juni 2023 is gegrond. De raad heeft ten onrechte de bestemming "Wonen" toegekend aan de gronden in het plangebied zonder dat daarbij de realisering en instandhouding van een geluidgevelwering van ten minste 28 dB is geborgd. Het besluit van 20 juni 2023 moet worden vernietigd voor zover in de planregels voor de bestemming "Wonen" niet is geborgd dat een geluidgevelwering van ten minste 28 dB wordt gerealiseerd en in stand gehouden, en voor zover onder strijdig gebruik niet wordt verstaan wonen, in het geval de gerealiseerde geluidwering van minimaal 28 dB niet in stand wordt gehouden.
7. Uit het oogpunt van finale geschillenbeslechting, en omdat niet aannemelijk is dat derden in hun belangen zouden worden geschaad, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien.
De Afdeling bepaalt dat woningen slechts mogen worden gebouwd onder de voorwaarde dat voor alle gevels de geluidwering minimaal 28 dB bedraagt en deze geluidwering in stand wordt gehouden, en dat onder strijdig gebruik wordt verstaan wonen, in het geval dat de gerealiseerde geluidwering van minimaal 28 dB niet in stand wordt gehouden.
8. De Afdeling ziet aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening.
Proceskosten
9. De raad moet, gelet op wat de Afdeling in overweging 11.7 van de tussenuitspraak en in deze uitspraak onder 2.1 heeft overwogen, de proceskosten van [appellante] vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep van [appellante] tegen het besluit van 20 juni 2023, waarbij de raad van de gemeente Helmond het bestemmingsplan "’t Hout - De Hoefkens" heeft vastgesteld, gegrond;
II. vernietigt het besluit van 20 juni 2023, waarbij de raad van de gemeente Helmond het bestemmingsplan "’t Hout - De Hoefkens" heeft vastgesteld voor zover:
1. in de planregels voor de bestemming "Wonen" niet is geborgd dat de geluidgevelwering van de woningen minimaal 28 dB bedraagt en deze geluidgevelwering in stand wordt gehouden;
2. onder strijdig gebruik van de bestemming "Wonen" niet wordt verstaan wonen, in het geval dat de gerealiseerde geluidwering van minimaal 28 dB niet in stand wordt gehouden;
III. bepaalt dat:
a. artikel 7.2.1, sub k, van de planregels, als volgt komt te luiden:
"woningen mogen slechts worden gebouwd onder de voorwaarde dat voor alle gevels de geluidwering minimaal 28 dB bedraagt en deze geluidwering in stand wordt gehouden.";
b. artikel 7.3.1, sub g, van de planregels, als volgt komt te luiden:
"wonen, in het geval dat de gerealiseerde geluidwering van minimaal 28 dB niet in stand wordt gehouden.";
IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 20 juni 2023, voor zover dit is vernietigd;
V. draagt de raad van de gemeente Helmond op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen III en IV worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijk voorziening;
VI. veroordeelt de raad van de gemeente Helmond tot vergoeding van de bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.269,00, volledig toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VII. gelast dat de raad van de gemeente Helmond aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 365,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Arneri, griffier.
w.g. Knol
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Arneri
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026
1010