202301184/1/A3.
Datum uitspraak: 10 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante]., gevestigd [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 24 januari 2023 in zaak nr. 22/1245 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van Gedeputeerde Staten van Overijssel.
Procesverloop
Bij besluit van 5 juli 2022 heeft het college van Gedeputeerde Staten (hierna: college) de aanvraag van [appellante] van een omgevingsvergunning afgewezen.
Bij uitspraak van 24 januari 2023 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 januari 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat in Twello, en het college, vertegenwoordigd door mr. L.M. de Jong, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] heeft op 13 november 2020 een vergunning aangevraagd op grond van de destijds geldende Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voor het bouwen van een bouwwerk, het verrichten van werk of werkzaamheden, het handelen in strijd met het bestemmingsplan en het veranderen van een inrichting en handelingen met gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Het college heeft naar aanleiding van deze aanvraag een onderzoek gestart als bedoeld in de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob). Het college heeft het Landelijk Bureau Bibob (LBB) om een advies gevraagd. Het LBB heeft een advies uitgebracht op 31 januari 2022. Het college heeft op basis van dit advies de aanvraag van [appellante] afgewezen, omdat volgens het college ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wet Bibob; de b-grond). De rechtbank is het college hierin gevolgd.
Hoger beroep
2. [appellante] betoogt dat de vergunning verleend moet worden. Er zijn geen relevante antecedenten en een aanvraag bij het waterschap Vechtstromen voor het verrichten van handelingen in het watersysteem op 30 september 2016 is wel toegewezen.
2.1. De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt daar nog het volgende aan toe. [appellante] heeft zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn is overschreden. De redelijke termijn, die uitgangspunt is voor de afdoening van bestuursrechtelijke geschillen, is in dit geval vier jaar. In zaken die worden voorbereid met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, vangt de termijn aan op het moment van het indienen van het beroepschrift in eerste aanleg. Dat is in dit geval 14 juli 2022. Met de uitspraak van de Afdeling van vandaag is de redelijke termijn van vier jaar niet overschreden, zodat het verzoek om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn moet worden afgewezen.
3. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om schadevergoeding af.
4. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. V.V. Essenburg en mr. J. Luijendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.C. Bus, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Bus
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026
1013