ECLI:NL:RVS:2026:3348

ECLI:NL:RVS:2026:3348

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 10-06-2026
Datum publicatie 10-06-2026
Zaaknummer 202404770/1/R3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Bij besluit van 3 juli 2024 heeft de raad van de gemeente Nissewaard het bestemmingsplan "Ring 18a Simonshaven" vastgesteld. Het bestemmingsplan maakt de bouw van 44 woningen mogelijk op gronden gelegen aan de Ring 18a in Simonshaven. Onder het voorheen geldende bestemmingsplan "Simonshaven" had een gedeelte van de gronden de bestemming "Agrarisch met waarden - Weidevogelgebied" en een gedeelte van de gronden de bestemming "Bedrijf". De gronden aan de zuidwestzijde van het plangebied hadden de bestemming "Sport". [appellant A] en anderen wonen aan de [locatie 1] en [locatie 2] in Simonshaven. Hun percelen grenzen aan het plangebied. Zij komen op tegen de vaststelling van het plan omdat zij vrezen voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat en omdat zij investeringen hebben gedaan in en rondom hun woningen in de veronderstelling dat het vrije uitzicht behouden zou blijven.

Uitspraak

202404770/1/R3.

Datum uitspraak: 10 juni 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en anderen, wonend in Simonshaven, gemeente Nissewaard,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Nissewaard,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Ring 18a Simonshaven" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant A] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 26 februari 2026, waar [appellant A] en anderen, van wie [appellant A] en [appellant B], en de raad, vertegenwoordigd door J. Moelker, G. van Rij en K. Gakes zijn verschenen. Ook is op de zitting Herkon B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 22 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2. Het bestemmingsplan maakt de bouw van 44 woningen mogelijk op gronden gelegen aan de Ring 18a in Simonshaven. Onder het voorheen geldende bestemmingsplan "Simonshaven" had een gedeelte van de gronden de bestemming "Agrarisch met waarden - Weidevogelgebied" en een gedeelte van de gronden de bestemming "Bedrijf". De gronden aan de zuidwestzijde van het plangebied hadden de bestemming "Sport". [appellant A] en anderen wonen aan de [locatie 1] en [locatie 2] in Simonshaven. Hun percelen grenzen aan het plangebied. Zij komen op tegen de vaststelling van het plan omdat zij vrezen voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat en omdat zij investeringen hebben gedaan in en rondom hun woningen in de veronderstelling dat het vrije uitzicht behouden zou blijven.

Toetsingskader

3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Beroepsgronden

Participatie

4. [appellant A] en anderen betogen dat voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan ten onrechte geen participatie heeft plaatsgevonden. Er heeft namelijk geen gesprek plaatsgevonden tussen de omwonenden en de voor de ontwikkeling verantwoordelijke wethouder, ondanks herhaaldelijke verzoeken daartoe.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan de wettelijke voorgeschreven procedure heeft doorlopen. In het voortraject zijn verder drie verschillende informatiebijeenkomsten gehouden en hebben diverse omwonenden op meerdere momenten ingesproken tijdens commissie- en raadsvergaderingen.

4.2. De Afdeling stelt vast dat het bestemmingsplan overeenkomstig artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Niet is gebleken dat de raad niet op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in die afdeling. Het ontwerpplan is ter inzage gelegd en een ieder heeft de mogelijkheid gehad om daarover een zienswijze in te dienen. De ingediende zienswijzen, waaronder de zienswijze van [appellant A] en anderen, heeft de raad betrokken in zijn afweging, zoals blijkt uit het vaststellingsbesluit in samenhang met de antwoordnota van zienswijzen. Gelet op het voorgaande volgt de Afdeling [appellant A] en anderen dan ook niet in hun betoog dat geen participatie heeft plaatsgevonden. De Afdeling wijst er ook op dat er geen wettelijke verplichting bestaat voor de raad, of het college van burgemeester en wethouders, om te overleggen met omwonenden in het kader van de vaststelling van het plan. Dat geen persoonlijk gesprek heeft plaatsgevonden met de voor de ontwikkeling verantwoordelijke wethouder maakt dan ook niet dat het plan in strijd met de wet tot stand is gekomen.

Het betoog slaagt niet.

Ladder voor duurzame verstedelijking

5. [appellant A] en anderen betogen dat het plan in strijd is met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De raad heeft niet gemotiveerd waarom niet in het bestaand stedelijk gebied van Simonshaven kan worden voorzien in de behoefte aan woningen. Er moet nu weidevogelgebied worden opgeofferd.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling waardoor een toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking vereist is. Het perceel ligt gelet op de Omgevingsverordening Zuid-Holland (de Omgevingsverordening) weliswaar buiten het bestaand stads- en dorpsgebied van Simonshaven, maar omdat het aan drie zijden is omsloten door het bestaand stads- en dorpsgebied is het volgens de raad een inbreidingslocatie. Door het college van gedeputeerde staten van

Zuid-Holland is ook aangegeven dat het het plan zal meenemen in een herziening van de Omgevingsverordening. Bovendien is binnen het bestaande stads- en dorpsgebied van Simonshaven geen locatie aanwezig waar een dergelijk aantal woningen kan worden gerealiseerd.

5.2. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro luidt:

"De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."

5.3. Met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is bedoeld uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren. De ladder voor duurzame verstedelijking is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar zorgt ervoor dat de wens om een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk te maken met het toetsingskader van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro nadrukkelijk in de plantoelichting wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het bevoegd gezag, dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging over die ontwikkeling, moet beoordelen of het bereikte resultaat optimaal is.

5.4. [appellant A] en anderen hebben de behoefte aan de ontwikkeling van nieuwe woningen in Simonshaven niet betwist. Tussen partijen is verder niet in geschil dat het plangebied buiten het bestaand stedelijk gebied van Simonshaven ligt. Het geschil spitst zich toe op de vraag waarom de ontwikkeling van de nieuwe woningen niet binnen het bestaand stedelijk gebied van Simonshaven kan plaatsvinden. De Afdeling stelt vast dat de raad daar in de plantoelichting geen motivering over heeft opgenomen. Het plan is in zoverre dus in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro vastgesteld.

Het betoog slaagt.

Strijd met de Omgevingsverordening

6. [appellant A] en anderen betogen dat de vaststelling van het plan in strijd is met de Omgevingsverordening. Zij voeren aan dat ten onrechte niet is voldaan aan de vereisten voor "inpassen".

Zij voeren verder aan dat de Omgevingsverordening het bouwen van woningen in weidevogelgebied niet zomaar toestaat. Daarnaast is een deel van het plangebied ook onderdeel van de groene buffer. Op grond van de Omgevingsverordening mogen slechts ontwikkelingen plaatsvinden die de groene buffer versterken. Nieuwbouw met onder andere blokken van 9 en 11 eengezinswoningen versterkt de groene buffer niet.

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plangebied geen provinciaal weidevogelgebied is. Het college van gedeputeerde staten heeft in zijn zienswijze weliswaar opmerkingen gemaakt over het woningbouwprogramma en de groene buffer, maar niet over het weidevogelgebied. Nu het college van gedeputeerde staten verder geen actie heeft ondernomen kan worden geconcludeerd dat het kan instemmen met het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan.

6.2. Artikel 6.9 van de Omgevingsverordening luidt:

"[…]

5. Een bestemmingsplan kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling onder de volgende voorwaarden:

a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en houdt rekening met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen;

b. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen;

[…]

9. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2, zijnde Recreatiegebied, Belangrijk weidevogelgebied of Groene buffer, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan in beginsel slechts ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder de noemer inpassen of aanpassen en die in overeenstemming zijn met de artikelen 6.9b, 6.9c of 6.9d.

[…]"

Artikel 6.9d luidt:

"1. Een bestemmingsplan voor een locatie binnen groene buffers waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover dit geen grootschalige ontwikkelingen behelzen en de bufferfunctie blijkens een afdoende motivering niet onevenredig wordt verstoord.

[…]"

6.3. De Afdeling stelt voorop dat uit kaart 14 "Ruimtelijke kwaliteit en beschermingscategorieën" in bijlage II van de Omgevingsverordening blijkt dat een gedeelte van de gronden van het plangebied weliswaar in de groene buffer ligt, maar ook dat de gronden van het plangebied niet zijn aangewezen als belangrijk weidevogelgebied. De Omgevingsverordening staat wat betreft het aspect belangrijk weidevogelgebied dus niet in de weg aan de vaststelling van het plan. Het betoog slaagt op dit punt niet.

6.4. Wat betreft het betoog van [appellant A] en anderen dat ten onrechte niet is voldaan aan de vereisten voor "inpassen" als bedoeld in artikel 6.9, vijfde lid, onder a, van de Omgevingsverordening, overweegt de Afdeling het volgende. De raad heeft in paragraaf 3.2.2 van de plantoelichting en in de antwoordnota zienwijzen toegelicht dat gezien de schaal en aard van dit plan op voorhand moet worden uitgesloten dat het plan valt in de categorie "inpassen". In plaats daarvan is sprake van "aanpassen". [appellant A] en anderen hebben niet onderbouwd waarom de kwalificatie van de voorliggende ontwikkeling als "aanpassen" niet juist is. Deze kwalificatie komt de Afdeling ook niet onjuist voor. Het betoog dat ten onrechte niet is voldaan aan de vereisten voor "inpassen" kan daarom niet slagen. Met de kwalificatie van de ontwikkeling als "aanpassen" hoeft immers niet aan de voorwaarden voor "inpassen" te worden voldaan. Het betoog slaagt ook op dit punt niet.

6.5. De Afdeling overweegt verder dat wanneer een ontwikkeling kwalificeert als aanpassen, zoals hier het geval is, uit artikel 6.9, negende lid, in samenhang met artikel 6.9d, eerste lid, van de Omgevingsverordening volgt dat een bestemmingsplan voor een locatie binnen een groene buffer kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover dit geen grootschalige ontwikkelingen behelst en de bufferfunctie blijkens een afdoende motivering niet onevenredig wordt verstoord.

Op de vraag of de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een grootschalige ontwikkeling en de bufferfunctie van de groene buffer niet onevenredig wordt verstoord, gaat de Afdeling hieronder in.

6.6. Het plan maakt de bouw van maximaal 44 woningen mogelijk. De Afdeling overweegt dat een dergelijke ontwikkeling niet zonder meer als grootschalig kan worden aangemerkt. De raad heeft in paragraaf 3.2.2 van de plantoelichting en de antwoordnota zienswijzen toegelicht dat het plangebied grenst aan het historische centrum van Simonshaven, de voetbalvelden ten zuidwesten van het plangebied en de latere nieuwbouw aan de Beverwijkstraat. Het plan sluit qua aard en schaal aan bij de dorpsidentiteit van Simonshaven. Met de ontwikkeling ontstaat volgens de raad aldus een logische afronding van het stedelijk gebied. De Afdeling is van oordeel dat de raad deze ontwikkeling in dit geval terecht niet als grootschalig heeft aangemerkt. De maximaal 44 woningen zullen, gelet op het voorgaande, direct aansluitend aan en gedeeltelijk tussen de bestaande bebouwing van Simonshaven worden gerealiseerd.

De raad heeft in paragraaf 3.2.2 van de plantoelichting en de antwoordnota zienswijzen verder toegelicht dat aan de zuidwestzijde van het plangebied een openbaar groengebied wordt gerealiseerd. De ontwikkeling wordt hiermee, in combinatie met de groene inrichting van het openbaar gebied, volgens de raad op een passende wijze landschappelijk ingepast. De raad heeft er in de plantoelichting ook op gewezen dat de omvang van de groene buffer niet overeenkomt met de werkelijkheid. Zo valt een deel van de bestaande woningen er nu onder, net als de huidige bedrijfsbebouwing aan de Ring 18a in Simonshaven. De groene buffer bestaat volgens de raad in de praktijk dan ook alleen uit een particulier grasveld. Door de aanleg van de landschappelijke inpassing aan de zuidwestzijde van het plangebied gaat de groene buffer dus eigenlijk niet verloren maar wordt deze verplaatst, aldus de raad. Ook worden de in het plan mogelijk gemaakte twee-onder-één kap-woningen in de buurt van de groene buffer gesitueerd.

De Afdeling overweegt dat uit het voorgaande blijkt dat binnen de groene buffer de bufferfunctie van het huidige grasveld vervangen wordt door de bufferfunctie van een nieuw te realiseren overloopzone zonder bebouwing, maar met groen en speelwerktuigen. Deze overloopzone is een aaneengesloten gebied dat in zuidwestelijke richting een overgang creëert tussen het bewoonde gebied en het open landschap. De raad heeft daarmee naar het oordeel van de Afdeling voldoende gemotiveerd dat geen onevenredige verstoring van de bufferfunctie plaatsvindt.

6.7. De Afdeling concludeert dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad het plan in strijd met de Omgevingsverordening heeft vastgesteld.

Het betoog slaagt niet.

Bestemming "Agrarisch met waarden - Weidevogelgebied"

7. [appellant A] en anderen betogen dat in het voorgaande bestemmingsplan "Simonshaven" op een gedeelte van de gronden de bestemming "Agrarisch met waarden - Weidevogelgebied" rustte. Op basis van deze bestemming was voor hen een vrij uitzicht gewaarborgd. De betreffende gronden mogen op grond van artikel 4.2.1 van dit bestemmingsplan niet voor bouwen worden gebruikt.

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de bestemming "Agrarisch met waarden - Weidevogelgebied" destijds ten onrechte op alle percelen met een agrarische bestemming binnen het plangebied van het bestemmingsplan "Simonshaven" is gelegd. De raad wijst hierbij op paragraaf 4.9 van de plantoelichting van het bestemmingsplan "Simonshaven" en de uitsnede van de Ecologische Hoofdstructuur die daar is opgenomen. Hieruit blijkt dat de percelen niet in het weidevogelgebied liggen. Dit is ook bevestigd in een ambtelijk e-mailbericht van de provincie Zuid-Holland van 17 december 2019.

De raad wijst er verder op dat hij op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden kan vaststellen. Bovendien bestaat er ook geen recht op een blijvend vrij uitzicht.

7.2. De Afdeling stelt voorop dat er geen recht op blijvend vrij uitzicht bestaat. Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van het voorgaande bestemmingsplan "Simonshaven" op een gedeelte van de gronden de bestemming "Agrarisch met waarden - Weidevogelgebied" rustte. De Afdeling overweegt dat de omstandigheid dat er tot nu toe wel een bestemming gold die weidevogels beschermde, niet betekent dat de raad niet kon besluiten een woonbestemming toe te kennen. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De raad heeft hier in zijn afweging om de bestaande bescherming niet voort te zetten van belang geacht dat de gronden bij het vorige plan ten onrechte zijn aangewezen als weidevogelgebied. De Afdeling ziet in wat [appellant A] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad dit niet bij zijn afweging heeft mogen betrekken of daar een groter gewicht aan had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. [appellant A] en anderen kunnen immers geen aanspraak maken op een blijvend vrij uitzicht vanuit hun woningen, ook niet als het vorige bestemmingsplan daar geen bebouwing toestond.

Het betoog slaagt niet.

Alternatieve inpassing groene buffer

8. [appellant A] en anderen betogen dat de raad ten onrechte een bufferzone aan de zuidwestzijde van het plangebied, tegen een natuurgebied aan heeft voorzien. [appellant A] en anderen zien liever dat die buffer wordt geplaatst tussen de bestaande bebouwing en de voorziene woningen. De raad heeft hier ten onrechte geen gehoor aan gegeven.

8.1. De raad moet bij de keuze van een bestemming een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven moeten in die afweging worden meegenomen.

8.2. De raad heeft in de antwoordnota zienswijzen toegelicht dat het de landschappelijke inpassing juist aan de zuidwestzijde van het plangebied heeft gesitueerd om de overgang van het plangebied naar het buitengebied te verzachten. Op deze manier wordt de groene buffer niet aangetast.

8.3. De Afdeling acht deze toelichting, gelet op het doel en de functie van de groene buffer, niet onredelijk. De raad heeft hiermee toereikend gemotiveerd waarom niet voor het door [appellant A] en anderen voorgestelde alternatief is gekozen.

Het betoog slaagt niet.

Gevolgen verkeersontsluiting

9. [appellant A] en anderen betogen dat het toekomstige verkeer dat met de realisering van de in het plan voorziene woningen gebruik zal maken van de ontsluiting langs hun woningen, onaanvaardbare geluidsoverlast, hinder en schade zal veroorzaken. Zij voeren aan dat de ontsluiting niet geschikt is voor minimaal 303 extra verkeersbewegingen per etmaal. De huidige ontsluiting kent namelijk een steil verloop en er zijn geen maatregelen voor passerende voetgangers en fietsers over de Molendijk genomen. Ook vrezen ze voor schade aan hun woningen als gevolg van het toekomstige verkeer.

9.1. De Afdeling stelt vast dat in paragraaf 2.2.2. van de plantoelichting staat dat de nieuwe woonwijk voor gemotoriseerd verkeer uitsluitend wordt ontsloten via de Molendijk. Deze ontsluiting bevindt zich direct naast de woningen van [appellant A] en anderen. Fietsers en voetgangers zullen blijkens de plantoelichting van de calamiteitenontsluiting aan de westzijde en het pad aan de noordoostzijde van het plangebied gebruik gaan maken. In de plantoelichting staat verder dat het plan resulteert in een verkeerstoename van 303 verkeersbewegingen per etmaal. In het verweerschrift heeft de raad erop gewezen dat de Molendijk een verkeersintensiteit van rond de 5.000 - 6.000 voertuigen per etmaal kent en dat daar ook zwaar verkeer tussen zit.

9.2. De Afdeling acht het aannemelijk dat [appellant A] en anderen geluidsoverlast en hinder zullen ondervinden van de verkeersbewegingen op de ontsluiting als gevolg van de realisering van het plan. Maar zoals de raad ook heeft aangegeven op de zitting zal het gaan om een beperkt aantal verkeersbewegingen en vormen deze qua geluidsbelasting een minimale toevoeging op het reeds bestaande geluid vanwege het verkeer op de Molendijk. Naar het oordeel van de Afdeling is daarom niet gebleken dat de gevolgen van de beoogde ontsluiting van het plangebied, wat betreft de aspecten geluidsoverlast en hinder, dermate onaanvaardbaar zijn dat de raad niet tot vaststelling van het plan heeft kunnen overgaan. Het betoog slaagt op dit punt niet.

9.3. Wat betreft het betoog dat de ontsluiting niet geschikt is voor de minimaal 303 extra verkeersbewegingen per etmaal overweegt de Afdeling als volgt. In paragraaf 2.2.2. van de plantoelichting staat dat een dergelijke verkeerstoename dermate laag is dat het niet aannemelijk is dat de verkeersveiligheid wordt benadeeld. De raad en Herkon B.V. hebben op de zitting toegelicht dat de snelheid op de Molendijk naar 30 km per uur is teruggebracht, zodat het realiseren van een gelijkwaardig kruispunt niet op bezwaren stuit. Over een mogelijke voorrangsregeling zal in de uitvoering worden beslist. De raad en Herkon B.V. hebben verder over het huidige steile verloop van de ontsluiting toegelicht dat in de nieuwe situatie een lange aanloop naar de Molendijk zal worden aangelegd. Deze zal vloeiender zijn dan de huidige feitelijke situatie. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan deze toelichtingen te twijfelen en neemt in dit verband ook mee dat de raad in de antwoordnota zienswijzen heeft toegelicht dat vanuit de ontsluiting voldoende zicht is op het naderende verkeer vanaf beide kanten.

Er bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat de ontsluiting, vanwege de door [appellant A] en anderen genoemde redenen ongeschikt zou zijn, zodat dit aspect niet in de weg staat aan de vaststelling van het plan. Het betoog slaagt ook op dit punt niet.

9.4. Ten aanzien van het betoog van [appellant A] en anderen dat het plan zal leiden tot schade aan hun woningen, als gevolg van het toekomstige verkeer op de ontsluiting, overweegt de Afdeling als volgt. Gelet op de geringe verkeerstoename en de omstandigheid dat de ontsluiting, zoals de raad ook heeft aangegeven, geen doorgaande weg betreft ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat op voorhand duidelijk is dat met de realisering van het plan dusdanige schade aan de woningen zal ontstaan dat de raad het plan niet op deze manier heeft kunnen vaststellen. Het betoog slaagt ook op dit punt niet.

Uitvoeringsfase en schade

10. [appellant A] en anderen betogen dat de bouw van de woningen gepaard zal gaan met geluidsoverlast en hinder. Zij vrezen dat hun rust en ruimte, en in het bijzonder die van de bewoner van de mantelzorgwoning op de [locatie 2], zullen worden verstoord. Ook vrezen ze voor schade aan hun woningen. Zij wijzen hierbij op de bouwmethodiek en het bouwjaar van de woning op de [locatie 1]. Zo dateert het voorhuis uit 1890 en beschikt het over een fundering op staal. De raad heeft hier volgens hen onvoldoende rekening mee gehouden.

10.1. De Afdeling overweegt dat deze beroepsgronden geen betrekking hebben op het plan zelf, maar op de uitvoering daarvan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:874, onder 5.1, maken uitvoeringsaspecten geen onderdeel uit van het besluitvormingsproces over de ruimtelijke keuzen en hoeven deze daarom niet te worden betrokken bij de vaststelling van het plan. Ze zijn bij de beoordeling van het besluit tot het vaststellen van het bestemmingsplan dan ook niet onderwerp van toetsing door de Afdeling. De Afdeling ziet in wat [appellant A] en anderen naar voren hebben gebracht over de gevolgen van de bouwwerkzaamheden geen bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om tot een andere conclusie te komen.

Het betoog slaagt niet.

Waardevermindering

11. [appellant A] en anderen betogen dat de realisering van het plan tot een aanzienlijke waardevermindering van hun woning leidt. In en rondom de woning zijn aanzienlijke investeringen gedaan. Ook is er geïnvesteerd in een mantelzorgwoning. Het bestemmingsplan is op deze punten onzorgvuldig voorbereid.

11.1. De Afdeling ziet geen reden om aan te nemen dat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woningen van [appellant A] en anderen zo groot zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Voor eventuele tegemoetkoming in planschade bestaat een aparte procedure met eigen rechtsbeschermingsmogelijkheden.

Het betoog slaagt niet.

Evenredigheid

12. [appellant A] en anderen betogen dat het plan voor hen onevenredige gevolgen heeft. Zij voeren aan dat het aantal woningen in het plangebied te omvangrijk is. Er worden immers al op twee andere locaties in Simonshaven woningen gerealiseerd. Zij wijzen er verder op dat veel zienswijzen zijn ingediend tegen het plan en ze wijzen op het verhandelde tijdens de raadvergadering. Uit dat laatste blijkt volgens hen dat grote verdeeldheid in de gemeentelijke politiek heerst over het bestemmingsplan.

12.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hij in de antwoordnota’s van inspraak en vooroverleg en van zienswijzen uitgebreid is ingegaan op de argumenten van de omwonenden. De bezwaren van de omwonenden waren dus genoegzaam bekend bij de raadsleden die uiteindelijk hebben ingestemd met de vaststelling van het plan. De enkele omstandigheid dat voor het plan geen maatschappelijk draagvlak zou bestaan, betekent niet dat het plan niet overeenstemt met een goede ruimtelijke ordening. De raad moet bij de keuze van een bestemming een afweging maken van alle belangen die daarbij betrokken zijn. De raad heeft dat hier gedaan en besloten om het bestemmingsplan vast te stellen.

12.2. De raad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan veel gewicht toegekend aan het belang om maximaal 44 woningen te kunnen realiseren, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan de regionale woningbouwopgave. De raad heeft er daarbij op gewezen dat de nieuwe woningen weliswaar het uitzicht van de bewoners van de omliggende woningen zal wegnemen, maar dat het enkele feit dat het zicht naar achteren verdwijnt geen reden is om te stellen dat het plan niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. In de antwoordnota zienswijzen heeft de raad verder toegelicht dat het plangebied een ruime opzet heeft. Het heeft een oppervlakte van ongeveer 1,5 ha, waarmee de dichtheid van de te realiseren woningen uitkomt op 30 woningen per hectare. De nieuwbouwwoningen brengen volgens de raad ook een verbetering in de bestaande situatie, die op dit moment vanwege de bestaande bedrijfsactiviteiten een gevoel van verrommeling geeft.

12.3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan het belang van woningbouw, dan aan de wens van [appellant A] en anderen om de gronden gelegen aan de Ring 18a in Simonshaven onbebouwd te houden. Dat al op twee andere locaties in Simonshaven woningen worden gerealiseerd geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. [appellant A] en anderen hebben immers, zoals hiervoor weergeven onder 5.4, de behoefte aan de ontwikkeling van nieuwe woningen in Simonshaven niet betwist. De Afdeling is tevens van oordeel dat de raad op grond van het voorgaande heeft mogen concluderen dat de gevolgen van de in het plan voorziene woningen voor de omwonenden niet onevenredig zijn. Dat veel zienswijzen zijn ingediend tegen het plan en in de raad van de gemeente Nissewaard geen eensgezindheid bestaat over plan, zijn geen omstandigheden die relevant zijn voor de vraag of de raad heeft mogen concluderen dat de gevolgen van de in het plan voorziene woningen voor de omwonenden niet onevenredig zijn.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

13. Gelet op wat de Afdeling hiervoor onder 5.4 heeft overwogen is het besluit in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro vastgesteld. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

13.1. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil ziet de Afdeling zich gesteld voor de vraag of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand gelaten kunnen worden. Daartoe wordt het volgende overwogen.

13.2. De raad heeft in het verweerschrift en op de zitting toegelicht dat in het bestaand stedelijk gebied van Simonshaven geen locatie aanwezig is waar een dergelijk aantal woningen kan worden gerealiseerd. De Afdeling kan dit gelet op de kleine stedelijke kern van Simonshaven goed volgen. [appellant A] en anderen hebben hun betoog verder ook niet onderbouwd door bijvoorbeeld toe te lichten op welke locaties binnen het bestaand stedelijk gebied van Simonshaven een dergelijk aantal woningen volgens hen dan wel kan worden gerealiseerd. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat binnen het bestaand stedelijk gebied van Simonshaven geen geschikte locatie beschikbaar is waar de in het plangebied beoogde woningen kunnen worden gerealiseerd.

13.3. De Afdeling concludeert dat de raad, door wat tijdens de procedure naar voren is gebracht, alsnog toereikend heeft gemotiveerd waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied van Simonshaven in de behoefte aan woningen kan worden voorzien. De Afdeling ziet daarom aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Dit betekent dat het bestemmingsplan van kracht blijft. De mogelijkheden waarin het plan voorziet, kunnen worden gerealiseerd. In dit geval betreft dit onder meer de bouw van maximaal 44 woningen.

Proceskosten

14. De raad moet het griffierecht voor de behandeling van het beroep vergoeden. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. [appellant A] en anderen hebben kosten gedeclareerd voor beroepsmatige verleende rechtsbijstand. Het gaat hier om kosten van advies bij het opstellen van op eigen titel ingediende stukken. Het Besluit proceskosten bestuursrecht voorziet slechts in vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor zover het gaat om proceshandelingen die worden uitgevoerd door een rechtsbijstandsverlener. De gedeclareerde kosten zien niet op proceshandelingen en komen dan ook niet op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Nissewaard van 3 juli 2024, waarbij het bestemmingsplan "Ring 18a Simonshaven", is vastgesteld, gegrond;

II. vernietigt het onder I. genoemde besluit;

III. bepaalt dat de rechtgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Nissewaard aan [appellant A] en anderen het door hen betaalde griffierecht van € 187,00 voor de behandeling van het beroep vergoedt, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, griffier.

w.g. Kuijer

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Lap

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026

288-1139

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R.I.Y. Lap

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand