202502218/1/A2.
Datum uitspraak: 10 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 21 maart 2025 in zaak nr. 24/4923 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Dienst Toeslagen.
Procesverloop
Bij twee afzonderlijke besluiten van 26 juli 2022 heeft de Dienst Toeslagen in het kader van de hersteloperatie toeslagen de definitieve compensatie aan [appellante] over het jaar 2009 en de maand januari 2010 vastgesteld op € 23.468,00.
Bij besluit van 18 juni 2024 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 maart 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 april 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. N. Köse-Albayrak, advocaat in Rotterdam, en de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] is een gedupeerde van de toeslagenaffaire. De Dienst Toeslagen heeft bij afzonderlijke besluiten van 26 juli 2022 besloten op een verzoek van [appellante] om herbeoordeling kinderopvangtoeslag over de jaren 2009 en 2010. De herbeoordeling over 2009 en de maand januari 2010 heeft geleid tot toekenning van een compensatiebedrag van € 23.468,00. Het besluit met kenmerk UHT-DC gaat over 2009 en het besluit met kenmerk UHT-DHR gaat over januari 2010. Aangezien [appellante] op 21 april 2024 in het kader van de Catshuisregeling al een bedrag van € 30.000,00 heeft ontvangen, heeft zij geen aanvullend bedrag ontvangen. Bij besluit met kenmerk UHT-DC-I A is compensatie over de maanden februari tot en met december 2010 afgewezen en bij besluit met kenmerk UHT-DH5 A is de herbeoordeling over deze resterende maanden van 2010 afgewezen. Aan deze besluiten heeft de Dienst Toeslagen ten grondslag gelegd dat [appellante] de kinderopvangtoeslag zelf per 1 januari 2010 heeft stopgezet. [appellante] heeft bezwaar gemaakt tegen de hoogte van het toegekende compensatiebedrag.
De Dienst Toeslagen heeft het bezwaar van [appellante] bij besluit van 18 juni 2024 ongegrond verklaard. De Dienst Toeslagen heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellante] in beginsel recht heeft op een immateriële schadevergoeding op basis van het forfaitaire bedrag van € 500,00 per half jaar. Op 7 januari 2010 is de toeslag over 2010 op nihil gesteld. De definitieve compensatie is 151 maanden later vastgesteld, welke duur is afgerond op 26 halve jaren. Dit levert in principe een bedrag van € 13.000,00 op. De immateriële schadevergoeding is echter vastgesteld op het maximumbedrag van € 11.130,00, omdat de immateriële schadevergoeding niet hoger mag zijn dan het bedrag aan terugbetaalde of niet ontvangen kinderopvangtoeslag dat over 2009 € 10.308,00 en over de maand januari 2010 € 822,00 bedraagt.
In 2022 heeft [appellante] een verzoek om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade ingediend. Op 25 september 2025 heeft de Dienst Toeslagen haar een bedrag van € 27.107,00 als aanvullende schadevergoeding toegekend.
De uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft overwogen dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Dienst Toeslagen niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft aangeleverd, als bedoeld in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De voorliggende procedure heeft betrekking op de compensatieberekening en toekenning daarvan op grond van de artikelen 2.2 en 2.3 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Het volledige dossier van [appellante] is veel omvangrijker en valt niet samen met het begrip ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst die stukken alle aangeleverd.
Hoger beroep
3. [appellante] betoogt dat het voor haar en de rechterlijke instanties onmogelijk is om de juistheid van de compensatieregeling te beoordelen of de volledige schade vast te stellen, omdat de Dienst Toeslagen haar niet het volledige persoonlijke dossier heeft verstrekt. De Dienst Toeslagen heeft daarmee het vertrouwens-, het rechtszekerheids- en het equality of arms-beginsel geschonden. Ook betoogt zij dat de hoogte van de compensatie over het toeslagjaar 2009 onjuist is berekend. Volgens haar heeft zij bij de vaststelling van de kinderopvangtoeslag voor dat jaar een te laag bedrag toegekend gekregen, omdat de Dienst Toeslagen tijdens de berekening hiervan onjuiste vergoedingspercentages heeft gebruikt. Ten slotte voert zij aan dat, gelet op de inhoud van het door de Dienst Toeslagen als productie 9.37 overgelegde XML-bestand, niet zij, maar de Dienst Toeslagen per 1 januari 2010 de kinderopvangtoeslag moet hebben stopgezet.
Toeslagjaar 2010
3.1. Blijkens het besluit op bezwaar van 18 juni 2024 heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van [appellante] opgevat als een bezwaar tegen de besluiten van 26 juli 2022 met kenmerk UHT-DC I (herbeoordeling 2009) en UHT-DC I A (herbeoordeling maanden februari tot en met december 2010). Voor de motivering van het besluit op bezwaar heeft de Dienst Toeslagen verwezen naar het advies van de onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie (BAC). Daarin is opgenomen dat tijdens de hoorzitting van 17 mei 2024 door de gemachtigde van [appellante] is medegedeeld dat het bezwaar niet langer betrekking heeft op het jaar 2010. De BAC heeft het bezwaar voor zover dit betrekking had op 2010 dan ook verder buiten beschouwing gelaten. [appellante] heeft in beroep uitsluitend gronden ingebracht die betrekking hebben op het persoonlijk dossier en de hoogte van de toegekende compensatie, zoals vastgesteld bij besluit van 26 juli 2022 met kenmerken UHT-DC (herbeoordeling 2009) en die gelet op het besluit van 26 juli 2022 met kenmerk UHT-DHR ook ziet op de maand januari 2010. Zij heeft niet aangevoerd dat in het besluit op bezwaar ten onrechte het toeslagjaar 2010 buiten beschouwing is gelaten. De rechtbank heeft hierin terecht aanleiding gezien de omvang van het geding te beperken tot het besluit op bezwaar voor zover het de toekenning van de compensatie neergelegd in de besluiten van 26 juli 2022 met kenmerken UHT-DC en UHT-DHR betreft. [appellante] kan daarom in hoger beroep niet alsnog opkomen tegen de afwijzing van compensatie over (het resterende deel van) het toeslagjaar 2010.
Persoonlijk dossier
3.2. Wat [appellante] aanvoert over de vraag of de Dienst Toeslagen in deze procedure gehouden is haar persoonlijk dossier te verstrekken, betreft een rechtsvraag die de Afdeling eerder heeft beantwoord (zie de uitspraken van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2864 en ECLI:NL:RVS:2025:2990). Wat [appellante] aanvoert, biedt geen reden om hierover in dit geval anders te oordelen.
Het betoog slaagt niet.
Toeslagjaar 2009
3.3. Wat de compensatie voor het toeslagjaar 2009 betreft kan [appellante] niet worden gevolgd in haar betoog dat de hoogte van het toegekende bedrag onjuist is, omdat de Dienst Toeslagen voor het eerste en tweede kind respectievelijk 86,8% en 95,7% van de kosten van de kinderopvang had moeten hanteren bij de berekening van de hoogte van de kinderopvangtoeslag voor dat jaar. Uit de toen geldende bijlage I bij het Besluit kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen in kosten kinderopvang volgt namelijk, zoals de Dienst Toeslagen ook op de zitting heeft toegelicht, dat de voor het toeslagjaar 2009 gehanteerde percentages van de kosten van de kinderopvang, bij een toetsingsinkomen van € 35.000,00, 53,5% voor het eerste en 62,4% voor het tweede kind bedragen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
5. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Rijsdijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026
488/705-1197