202300902/1/R4.
Datum uitspraak: 10 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Blaricum,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 2 januari 2023 in zaak nr. 22/1465 in het geding tussen:
[wederpartij]
en
het college.
Procesverloop
In het besluit van 1 juni 2021 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van de verdieping gelegen op het [perceel] in Blaricum.
In het besluit van 7 februari 2022 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 2 januari 2023 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 7 februari 2022 vernietigd.
Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.
[wederpartij] en [vergunninghouder] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[wederpartij] heeft de uiteenzetting tevens als een incidenteel hoger beroep aangeduid.
[vergunninghouder] en het college hebben nadere stukken ingediend.
In het besluit van 6 november 2023 heeft het college het door [wederpartij] tegen het besluit van 1 juni 2021 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
[wederpartij] heeft gronden ingediend tegen dit besluit. [wederpartij] heeft het beroep tevens als een incidenteel hoger beroep aangeduid. Na het indienen van de gronden is [wederpartij] overleden. Dit beroep wordt voortgezet door de erven van [wederpartij].
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 6 maart 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M. Bekooy, advocaat in Deventer, en S. Paffen, is verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 31 maart 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het college heeft op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2, van de Wabo aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het in afwijking van het bestemmingsplan "Kom Beschermd Dorpsgezicht" bouwen van een aan- en opbouw aan de achterzijde van de woning aan het [perceel] in Blaricum. [wederpartij] was tot aan zijn overlijden eigenaar van de naastgelegen woning aan de [locatie 1] in Blaricum. [wederpartij] was het niet eens met de verleende omgevingsvergunning.
2.1. De relevante bepalingen zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Toetsingskader
3. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Hoger beroep van het college
4. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake is van een zeer onredelijke of ongewenste situatie als bedoeld in artikel 2 van de Beleidsregels Planologische Afwijking Blaricum 2011 (beleidsregels), zodat geen vergunning kon worden verleend met de hardheidsclausule. Het college voert aan dat strikte toepassing van het bestemmingsplan en het gemeentelijk ruimtelijk beleid leidt tot een onredelijke en ongewenste situatie. Het bouwplan sluit namelijk aan bij de twee voorbeelden die zijn genoemd in de toelichting op de hardheidsclausule.
4.1. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat zich geen onredelijke of ongewenste situatie voordoet, zodat toepassing van de hardheidsclausule niet aan de orde is. Daarbij heeft de rechtbank van belang kunnen achten dat de woning op het perceel ook zonder de uitbouw geschikt is voor de woonbestemming. Het college heeft niet nader gemotiveerd dat strikte toepassing van de regels van het bestemmingsplan leidt tot een zeer onredelijke of ongewenste situatie.
Het betoog slaagt niet.
5. Daarnaast betoogt het college dat voor vergelijkbare gevallen een omgevingsvergunning is verleend op basis van de hardheidsclausule, zoals voor de woning aan de [locatie 2]. Volgens het college kan de uitspraak van de rechtbank daarom op basis van het gelijkheidsbeginsel niet in stand blijven.
5.1. De enkele stelling dat het college voor andere en vergelijkbare bouwaanvragen een omgevingsvergunning heeft verleend op grond van de clausule maakt niet dat de rechtbank niet zou hebben onderkend dat ook deze omgevingsvergunning verleend moet worden, alleen al omdat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet zo ver strekt dat een bestuursorgaan gemaakte fouten moet herhalen.
Het betoog slaagt niet.
Incidenteel hoger beroep van [wederpartij]
6. In de brief van 28 maart 2023 heeft [wederpartij] te kennen gegeven dat hij incidenteel hoger beroep instelt tegen de uitspraak van de rechtbank. Deze brief kan echter niet worden aangemerkt als een incidenteel hogerberoepschrift. Voor het antwoord op de vraag of een stuk als incidenteel hogerberoepschrift in de zin van artikel 8:110, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden aangemerkt, is niet bepalend dat daarin uitdrukkelijk is gesteld dat incidenteel hoger beroep wordt ingesteld, maar is bepalend of het stuk gronden bevat die zijn gericht tegen de uitspraak van de rechtbank. [wederpartij] voert geen gronden aan die zich richten tegen de uitspraak van de rechtbank. Deze brief is dan ook geen incidenteel hogerberoepschrift in de zin van artikel 8:110, eerste lid, van de Awb, maar moet worden aangemerkt als een schriftelijke uiteenzetting.
Beroep van de erven van [wederpartij]
7. In het besluit van 6 november 2023 heeft het college het tegen het besluit van 1 juni 2021 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard en dat besluit in stand gelaten, onder verwijzing naar de herziene en gewijzigd vastgestelde beleidsregels. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.
7.1. [wederpartij] is op 7 oktober 2024 overleden. De woning van [wederpartij] is inmiddels verkocht. Bij brief van 26 januari 2026 hebben zijn erfgenamen desgevraagd medegedeeld dat zij de procedure willen voortzetten. De erven van [wederpartij] hebben te kennen gegeven dat zij hun vader willen eren door de uitspraak van de rechtbank, inclusief de aan [wederpartij] toegewezen vergoeding van in de uitspraak vermelde kosten en het griffierecht in stand te houden. Daarnaast wijzen zij erop dat sprake is van een ongelijkwaardige situatie omdat de gemeente als ‘onsterfelijke’ rechtspersoon door de duur van de procedure een procedurele voorsprong heeft op een ‘sterfelijke’ rechtspersoon.
Over het procesbelang van de erven van [wederpartij] overweegt de Afdeling het volgende. Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel moet kunnen worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij die procedure ontbreekt of is komen te vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak. Alleen de eventueel principiële betekenis van een uitspraak is geen reden om toch inhoudelijk uitspraak te doen. Als het door de appellant gestelde belang uitsluitend bestaat uit het uitspreken van een proceskostenvergoeding voor het ingestelde rechtsmiddel en een vergoeding van het betaalde griffierecht, betekent dat niet dat belang bestaat bij een inhoudelijke beoordeling van het (hoger) beroep. Als de appellant stelt schade te hebben geleden, kan belang bestaan bij een inhoudelijke beoordeling van het (hoger) beroep. Voor het aannemen van procesbelang dan moet tot op zekere hoogte aannemelijk zijn dat schade is geleden als gevolg van het besluit.
7.2. De Afdeling is van oordeel dat er geen procesbelang meer bestaat. Daarbij is van belang dat de erven van [wederpartij] de woning hebben verkocht en dat wat de erven van [wederpartij] aanvoeren onvoldoende is om procesbelang aan te nemen. Dat zij willen dat de eerdere uitspraak en de kostenvergoeding ongewijzigd blijven en dat dit voor hen een principiële kwestie is, levert namelijk geen procesbelang op bij het beroep. Daarnaast hebben zij niet tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat zij als gevolg van het besluit schade hebben geleden.
Gelet op het voorgaande bestaat er geen belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. De Afdeling zal het beroep van de erven van [wederpartij] daarom niet-ontvankelijk verklaren.
Conclusie
8. Het hoger beroep van het college is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd. Het beroep van de erven van [wederpartij] is niet-ontvankelijk.
9. Het college moet de proceskosten vergoeden.
10. Gelet op artikel 8:109, tweede lid, van de Awb wordt van het college griffierecht geheven.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
II. verklaart het beroep van de erven van [wederpartij] niet-ontvankelijk;
III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Blaricum tot vergoeding van bij de erven van [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
IV. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Blaricum een griffierecht van € 548,00 wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.
w.g. Knol
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Vermeulen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026
700-1194
BIJLAGE
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:110 luidt:
"1. Indien hoger beroep is ingesteld, kan degene die ook hoger beroep had kunnen instellen, incidenteel hoger beroep instellen. De voorschriften omtrent het hoger beroep zijn van toepassing, tenzij in deze titel anders is bepaald.
[…]."
Beleidsregels Planologische Afwijkingen Blaricum 2011
Artikel 2 luidt:
"Er kan voorts worden afgeweken van het bestemmingsplan indien een strikte toepassing van de regels van het bestemmingsplan en het gemeentelijk ruimtelijk beleid (vastgelegd in beleidsnota’s) leidt tot zeer onredelijke of ongewenste situaties (hardheidsclausule). In deze situaties kunnen voorwaarden aan het meewerken aan een afwijking worden verbonden.
Afwijking wordt in dit kader alleen verleend indien:
- de afwijking niet strijdig is met de uitgangspunten van het bestemmingsplan en
- de afwijking niet strijdig is met het algemeen belang en
- de afwijking omwonenden/belanghebbenden niet onevenredig in hun belangen schaad en
- er een positief advies is van de BEL Commissie Ruimtelijke Kwaliteit.
Dergelijke afwijkingen van het bestemmingsplan kunnen wenselijk zijn bij bijvoorbeeld hoekwoningen die aan de zijkant van het perceel grenzen aan een openbare weg, openbaar pad of openbaar water. Vergunningvrij bouwen is bij deze woningen zeer beperkt, terwijl daar niet in alle gevallen goede redenen voor zijn. Ander voorbeeld waarbij toepassing kan worden gegeven aan de hardheidsclausule is een situatie waarbij de buren wél een vergunning voor bepaalde bebouwing hebben gekregen maar de aanvrager op grond van het bestemmingsplan niet in aanmerking komt voor eenzelfde vergunning (zonder dat er in die situatie sprake is van een foutief verleende vergunning). Door toepassing van de hardheidsclausule kan de vergunning worden verleend mits aan de bovenstaande kaders wordt voldaan."