202502687/1/A3.
Datum uitspraak: 10 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Rotterdam,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 mei 2025 in zaak nr. 24/8925 in het geding tussen:
[appellant]
en
de burgemeester van Rotterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 17 juli 2024 heeft de burgemeester besloten de woning van [appellant] voor de duur van drie maanden te sluiten.
Bij besluit van 24 september 2024 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 7 mei 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 20 mei 2025 heeft de burgemeester aangekondigd dat hij het besluit van 17 juli 2024 niet meer zal effectueren.
[appellant] heeft gronden ingediend tegen dit besluit.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 23 maart 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. O.C. Bozbiyik, advocaat in Rotterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. J.C. Avedissian en mr. D. Boet, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Uit de bestuurlijke rapportage van 13 juni 2024 volgt dat de politie na een brandmelding de woning van [appellant] heeft bezocht. Daar hebben zij [appellant] waargenomen terwijl hij brandende goederen van het balkon gooide. Deze goederen stonden deels nog in brand en kwamen onder andere op aldaar geparkeerde auto’s terecht. De goederen die naar beneden werden gegooid waren: een plasticzak met daarin bruin poeder, diverse zeven, 50-tal doorzichtige plasticzakken, een spatel met een bruine substantie eraan, een (keuken) weegschaal en meerdere teiltjes met daarin een bruine substantie. Deze deels verbrande goederen zijn door een indicatieve test en op basis van algemene bekendheid gekoppeld aan de productie, vervaardiging of verkoop van harddrugs. Het gaat om versnijdingsmiddel van paracetamol en cafeïne en een onbekende bruine substantie. In 2022 zouden, bij een inval, in de woning van [appellant] ook al eens verschillende goederen zijn aangetroffen ten behoeve van het versnijden van verdovende middelen. De gevonden goederen betroffen toen een stalen drukpers voor drugs, verschillende zeven en teiltjes met een bruine substantie. Naar aanleiding van de bestuurlijke rapportage heeft de burgemeester besloten over te gaan tot sluiting van de woning van [appellant] voor de duur van drie maanden.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester heeft mogen afgaan op de juistheid van de inhoud van de bestuurlijke rapportages. Hij was ook bevoegd om de woning te sluiten op grond van de Opiumwet, omdat aannemelijk is dat de aangetroffen stoffen en voorwerpen bestemd waren voor de productie van drugs. De sluiting was noodzakelijk omdat er sprake is geweest van een ernstige overtreding nu de politie zowel in 2022 als in 2024 stoffen en goederen voor drugsproductie in de woning heeft aangetroffen. De burgemeester heeft dan ook aannemelijk mogen achten dat de woning een rol binnen de drugsketen heeft vervuld. [appellant] kan een verwijt worden gemaakt en dus hoeven de door hem genoemde omstandigheden niet in de weg te staan aan sluiting van de woning omdat onvoldoende is gebleken van omstandigheden die tot de conclusie hebben geleid dat de sluiting onevenredig is geweest, aldus de rechtbank.
Besluit van 20 mei 2025 en procesbelang
3. Na de uitspraak van 7 mei 2025 heeft de burgemeester een nieuwe beoordeling gemaakt of de opgelegde sluiting voor de woning alsnog zal worden geeffectueerd. Die beoordeling is verricht omdat de woning feitelijk nooit gesloten is geweest omdat de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam eerst het primaire besluit en daarna de beslissing op bezwaar heeft geschorst. De burgemeester heeft alle omstandigheden opnieuw gewogen en vanwege het tijdsverloop acht de burgemeester het niet meer noodzakelijk de sluiting alsnog te effectueren. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.
4. De burgemeester heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellant] door dit besluit geen belang meer heeft bij het door hem ingediende hoger beroep. [appellant] heeft desgevraagd laten weten dat hij van belang acht te laten beoordelen of de sluiting rechtmatig is opgelegd, alleen al in verband met de gevolgen voor een mogelijke volgende handhavingsactie.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2707, onder 4.3, hoeft de bestuursrechter een bij hem ingediend (hoger) beroep alleen inhoudelijk te beoordelen als dit van betekenis is voor de beslechting van het geschil over het bestreden besluit. In beginsel heeft degene die opkomt tegen een besluit, procesbelang bij een beoordeling van zijn (hoger) beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen.
Het college heeft op de zitting toegelicht dat het handhavingsverleden meeweegt bij de beoordeling van handhavingsacties in de toekomst. Hoewel de sluiting van de woning van [appellant] niet meer zal worden geeffectueerd, heeft hij nog belang bij de beoordeling van zijn hoger beroep omdat bij een mogelijke overtreding in de toekomst het handhavingsverleden een rol kan spelen. Het besluit tot sluiting van de woning wordt weliswaar niet meer geeffectueerd, maar dat besluit is niet met terugwerkende kracht ingetrokken. De Afdeling oordeelt daarom dat [appellant] belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep.
Hoger beroep
5. In hoger beroep betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte geoordeeld heeft dat de burgemeester bevoegd was om de woning te sluiten. Hij voert daartoe aan dat de rechtbank ten onrechte geoordeeld heeft dat de burgemeester mocht vertrouwen op de inhoud van de bestuurlijke rapportages. [appellant] betwist nog steeds dat het aannemelijk is dat de aangetroffen goederen bestemd waren voor de productie van drugs. [appellant] verwijst naar twee uitspraken van de voorzieningenrechter die heeft geoordeeld dat niet zonder meer vaststaat dat de goederen gerelateerd zijn aan drugscriminaliteit. Er is alleen paracetamol gevonden en de substantie in de teiltjes was bestemd voor een verbouwing. Daarnaast mocht de burgemeester de inval in 2022 niet betrekken bij het besluit in 2024 omdat er tot op heden geen proces-verbaal van wat toen in beslag is genomen is overgelegd. Hij betwist dat de genoemde goederen zijn gevonden. De destijds gevonden goederen, zoals een stalen drukpers, zijn verward met goederen uit een andere woning.
[appellant] heeft daarnaast betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de sluiting noodzakelijk en evenredig was. Op de zitting bij de Afdeling heeft hij toegelicht dat hij dit wel beoordeeld wil hebben maar dat zijn voornaamste betoog ziet op de waardering van de feiten en omstandigheden.
Beoordeling
6. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 6 tot en met 9.3 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
Beroep tegen het besluit van 20 mei 2025
8. [appellant] kan zich vinden in het besluit voor zover dat inhoudt dat de sluiting niet meer zal worden geëffectueerd maar heeft inhoudelijk dezelfde gronden aangevoerd tegen dit besluit als onder overweging 5 genoemd.
9. Omdat [appellant] geen andere gronden tegen dit besluit aanvoert, sluit de Afdeling onder verwijzing naar overweging 6 ook wat betreft dit besluit inhoudelijk aan bij de uitspraak van de rechtbank.
10. Het beroep is ongegrond.
Proceskosten
11. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. verklaart het beroep tegen het besluit van 20 mei 2025 ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. M.M. Kaajan en mr. J. Luijendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Langeveld
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026
317-1158