202505304/1/R4.
Datum uitspraak: 10 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb )in het geding tussen:
[appellante], wonend in Deventer,
appellante,
en
het college van burgemeester en wethouders van Deventer,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 24 juli 2025 heeft het college zijn beslissing om op 14 juli 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met Artikel 10 lid 3 van de Afvalstoffenverordening gemeente Deventer en artikel 6 lid 3 van het Uitvoeringsbesluit afvalstoffenverordening gemeente Deventer aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 91,00 voor rekening van [appellante] komen.
Bij besluit van 10 september 2025 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een papieren tasje met papierafval, dat op 14 juli 2025 is aangetroffen naast de ondergrondse papiercontainer ter hoogte van de Ceintuurbaan in Deventer. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] het papieren tasje met papierafval verkeerd heeft aangeboden, omdat in het tasje een kartonnen doos is gevonden met daarop haar adresgegevens.
2. [appellante] stelt dat zij het papierafval in de ondergrondse papiercontainer heeft gedeponeerd. Zij voert aan dat de container al zeer vol was, maar dat zij desondanks meerdere papieren tasjes met papierafval in de container heeft kunnen plaatsen. Volgens [appellante] was de container hierna zo vol dat de klep nauwelijks nog kon bewegen. Om die reden heeft Circulus de afvalinzamelaar, na een melding de container de volgende werkdag geleegd. [appellante] voert verder aan dat er andere personen gebruik hebben gemaakt van de container, waardoor één van de papieren tasjes naast de container is beland.
[appellante] betoogt dat zij niet had kunnen voorzien dat het tasje buiten de container zou terechtkomen. Zij wijst erop dat zij ten tijde van de constatering zwanger was met medische complicaties, waardoor het lopen naar een andere container niet mogelijk was, en dat hulp van buren niet beschikbaar was, omdat de appartementen onder haar niet bewoond zijn.
3. Artikel 10, derde lid, van de Afvalstoffenverordening gemeente Deventer houdt in dat het verboden is huishoudelijke afvalstoffen op of naast een inzamelmiddel of een algemene inzamelvoorziening te plaatsen.
Artikel 6, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit afvalstoffenverordening gemeente Deventer houdt in dat de afvalstoffen zoveel mogelijk samengedrukt moeten worden voordat ze in de inzamelvoorziening worden geworpen. Daarbij mogen de afvalstoffen de vulopening of klep niet blokkeren, zodat iedere volgende aanbieder de inzamelvoorziening normaal kan gebruiken.
4. Een toezichthouder heeft 14 juli 2025 één papieren tasje met papierafval aangetroffen naast de ondergrondse papiercontainer. Op een kartonnen doos, die in het tasje zat, zijn adresgegevens van [appellante] aangetroffen. Volgens vaste rechtspraak mag in zo’n geval worden aangenomen dat degene tot wie het afval is te herleiden, dit afval op onjuiste wijze ter inzameling heeft aangeboden en dus de overtreder is, tenzij hij of zij het tegendeel aannemelijk maakt. Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2432.
4.1. [appellante] heeft niet voldoende aannemelijk gemaakt dat het tasje zonder haar toedoen buiten de container is terechtgekomen. Zoals volgt uit artikel 6, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit afvalstoffenverordening gemeente Deventer, dienen afvalstoffen zodanig samengedrukt te worden dat de vulopening of klep niet wordt geblokkeerd, zodat iedere volgende aanbieder de inzamelvoorziening normaal kan gebruiken. Door meerdere tasjes in een volle container te proppen, heeft [appellante] het risico verhoogd dat een tasje later door een andere gebruiker uit de container zou kunnen worden gehaald en vervolgens naast de container belandt. [appellante] had in dit geval het afval terug naar huis kunnen nemen om dit op een ander tijdstip te deponeren, of zij had het afval bij een andere container binnen redelijke afstand kunnen deponeren. Daarmee zou het risico dat een tasje buiten de container terechtkomt aanzienlijk worden verkleind.
De door [appellante] aangevoerde persoonlijke omstandigheden, leiden dan ook niet tot een ander oordeel. Het beroep daarop verdient slechts overweging wanneer objectief zou hebben vastgestaan dat de betreffende afvalcontainer dusdanig vol zat dat er moest worden uitgeweken naar andere veel verder gelegen afvalcontainers, die gezien haar toestand onbereikbaar waren. Zoals het college echter heeft aangevoerd is er geen melding geweest van een te volle container en zijn er voor [appellante] overigens meerdere alternatieve containers binnen een afstand van 220 tot 500 meter, wat een aanzienlijk geringere afstand is dan de door [appellante] gestelde 980 meter, die voor haar te ver zou zijn.
Het betoog slaagt niet.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. G.O. van Veldhuizen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Klingers, griffier.
w.g. Van Veldhuizen
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Klingers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026
341