ECLI:NL:RVS:2026:342

ECLI:NL:RVS:2026:342, Raad van State, 21-01-2026, 202403267/1/R3

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 21-01-2026
Datum publicatie 21-01-2026
Zaaknummer 202403267/1/R3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Bij besluit van 12 maart 2024 heeft de raad van de gemeente Westerkwartier het bestemmingsplan "Lijsterbesstraat, Grootegast" vastgesteld. Aan de Lijsterbesstraat in Grootegast ligt ten zuiden van het perceel [locatie] een grasveld, waarop een houtsingel met bomen en struiken aanwezig is, in het midden van een woonwijk. Het bestemmingsplan maakt de realisatie van zes woningen op die locatie mogelijk. Op basis van het voorheen geldende bestemmingsplan "Grootegast" was op de locatie van het plangebied geen nieuwe woningbouw mogelijk. [appellanten] wonen nabij het plangebied en kunnen zich niet met het bestemmingsplan verenigen. Zij wijzen onder meer op het ontbreken van een motivering dat een directe noodzaak bestaat om op de gronden van het plangebied woningen te realiseren.

Uitspraak

202403267/1/R3.

Datum uitspraak: 21 januari 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], wonend in Grootegast, gemeente Westerkwartier,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Westerkwartier,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 maart 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Lijsterbesstraat, Grootegast" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak behandeld op een zitting op 10 november 2025, waar [appellanten], en de raad, vertegenwoordigd door M. Beukers en H. Snitjer, zijn verschenen. Voorts is op die zitting VDM Woningen BV, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. A.J. Spoelstra, rechtsbijstandverlener in Drogeham, als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 11 augustus 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2. Aan de Lijsterbesstraat in Grootegast ligt ten zuiden van het perceel [locatie] een grasveld, waarop een houtsingel met bomen en struiken aanwezig is, in het midden van een woonwijk. Het bestemmingsplan maakt de realisatie van zes woningen op die locatie mogelijk. Op basis van het voorheen geldende bestemmingsplan "Grootegast" was op de locatie van het plangebied geen nieuwe woningbouw mogelijk.

3. [appellanten] wonen nabij het plangebied en kunnen zich niet met het bestemmingsplan verenigen. Zij wijzen onder meer op het ontbreken van een motivering dat een directe noodzaak bestaat om op de gronden van het plangebied woningen te realiseren.

Toetsingskader

4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Beroepsgronden

Inspraak en participatie

5. [appellanten] betogen dat er geen volwaardige inspraak en participatie heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan. Daartoe voeren zij aan dat er tijdens de inspraakavond die door projectontwikkelaar VDM Woningen BV (hierna: VDM) is georganiseerd geen ruimte was voor een dialoog over de wederzijdse belangen. Volgens [appellanten] is er geen sprake geweest van een inhoudelijk overleg, waar zij hun bezwaren hebben kunnen toelichten.

Daarnaast betogen [appellanten] dat de wijze waarop de raad voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingplan inspraakmogelijkheden heeft geboden aan omwonenden, in strijd is met de Inspraakverordening van de gemeente Westerkwartier (hierna: Inspraakverordening).

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het al dan niet bieden van inspraak voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan geen onderdeel uitmaakt van de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening, waardoor het mogelijk onvoldoende bieden van inspraak in die fase niet kan leiden tot vernietiging van het bestemmingsplan. Verder brengt de raad naar voren dat de Inspraakverordening de raad evenmin verplicht om voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan inspraakmogelijkheden te bieden.

5.2. Het besluit tot vaststelling van het plan is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. In overeenstemming met deze procedure zijn [appellanten] in de gelegenheid gesteld om een zienswijze over het ontwerpbestemmingsplan naar voren te brengen. Niet in geschil is dat aan de wettelijke vereisten voor de terinzagelegging van het plan is voldaan. Van de mogelijkheid om zienswijzen in te dienen, is door onder meer [appellanten] gebruikgemaakt. In de "Nota van zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Lijsterbesstraat Grootegast" (hierna: zienswijzennota) is de raad ingegaan op de ingebrachte zienswijzen. Daarnaast heeft VDM een informatieavond georganiseerd waarbij omwonenden met VDM in gesprek zijn gegaan. Hierbij is inzicht gegeven in de voorgenomen plannen.

5.3. Hoewel uit de zienswijzennota blijkt dat de raad de omwonenden bij de procedure tot vaststelling van het bestemmingsplan heeft betrokken, volgt uit het beroepschrift van [appellanten] dat zij die inspraak als onvoldoende hebben ervaren. De Afdeling overweegt hierover dat het bieden van inspraak en het plegen van overleg voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan geen onderdeel uitmaakt van de in de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Het eventueel onvoldoende bieden van mogelijkheden tot inspraak of overleg in deze fase heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan.

Voor zover [appellanten] betogen dat de Inspraakverordening de raad verplicht tot het bieden van inspraak voorafgaande aan de vaststelling van het bestemmingsplan, volgt de Afdeling hen niet. Anders dan [appellanten] op de zitting hebben betoogd, volgt uit artikel 150 van de Gemeentewet evenmin een aparte inspraakverplichting. Dat artikel is slechts de grondslag voor de Inspraakverordening.

Het betoog slaagt niet.

Behoefte

6. [appellanten] betogen dat een directe noodzaak om woningbouw te realiseren op de locatie van het plangebied ontbreekt. Daartoe voeren zij aan dat de heersende vraag naar woningbouwlocaties niet met concrete cijfers wordt onderbouwd. Volgens [appellanten] is de locatie van het plangebied evenmin onderdeel van de Woonvisie 2020-2025 van de gemeente Westerkwartier (hierna: de Woonvisie). Verder brengen [appellanten] naar voren dat de gemeente Westerkwartier in het plan Roblespark in Grootegast nog beschikt over een ruime voorraad uit te geven en te ontwikkelen bouwkavels, waardoor niet naar de locatie van het plangebied had hoeven te worden uitgeweken.

6.1. De raad beschrijft in paragraaf 3.3 van de plantoelichting de behoefte aan de woningen die met het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Die behoefte is beschreven in de Woonvisie, die is gebaseerd op een uitgevoerde woningmarktanalyse. Daaruit blijkt dat er in Grootegast een behoefte bestaat aan 125 tot 150 woningen in de periode van 2020 tot en met 2029. Volgens de raad draagt de voorgenomen ontwikkeling, die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bij aan het vervullen van die behoefte.

6.2. De raad heeft op de zitting toegelicht dat bij het bepalen van de behoefte, ook de uit te geven en ontwikkelen bouwkavels van het plan Roblespark zijn betrokken. Daarbij is de raad naar het oordeel van de Afdeling terecht uitgegaan van de zogeheten harde plancapaciteit van dat plan op het moment van het vaststellen van dit bestemmingsplan. Dat betekent dat de woningbouwplannen van fase 3 van het plan Roblespark daarbij terecht niet zijn betrokken, omdat voor die plannen op dat moment nog geen planologische toestemming was verleend. Dat betekent dat het plan Roblespark vanaf 2020 voorziet in 91 woningen, wanneer wordt uitgegaan van die harde plancapaciteit. Daardoor passen de 6 met dit bestemmingsplan voorziene woningen binnen de behoefte van 125 tot 150 woningen, die in Grootegast bestaat in de periode van 2020 tot en met 2029 als beschreven in de Woonvisie. Anders dan [appellanten] betogen gaat de Woonvisie ook over de locatie van het plangebied. De Woonvisie beschrijft een algemene woningbehoefte voor Grootegast, zonder dat daarin specifieke locaties zijn aangeduid of uitgesloten. De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling voldoende gemotiveerd dat de met het bestemmingsplan voorziene woningen een behoefte vervullen.

Het betoog slaagt niet.

Ruimtelijke inpassing

7. [appellanten] betogen dat de planologische en ruimtelijke inpassing van de te realiseren woningen niet aansluit bij de omgeving en het bestemmingsplan afbreuk doet aan het bestaande groen binnen het plangebied. Daartoe voeren zij aan dat het bestemmingsplan ziet op een feitelijk stuk groen, waarvoor in het bestemmingsplan geen groenplan is opgenomen. Daarbij brengen [appellanten] naar voren dat het aanwezige groen de gevels van de te realiseren woningen nu nog afschermt van de achtergevels van de woningen op de Akkerwinde, maar door het gebrek aan een groenplan is er geen planologische waarborg voor het behoud van dat groen.

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan geen planologische afbreuk doet aan een groenstructuur. Daartoe voert de raad aan dat er met het bestemmingsplan geen gronden met een groenbestemming vervallen, omdat de gronden van het plangebied ook onder het vorige bestemmingsplan de bestemming "Wonen" hadden. Daarnaast heeft de raad de bomen in het plangebied beschermd met artikel 7.2.1 en artikel 7.2.3 van de planregels. Die artikelen bepalen dat het verboden is zonder omgevingsvergunning bomen te rooien en dat zo'n omgevingsvergunning alleen wordt verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de beschermde waarden.

7.2. Aan het gehele plangebied is onder meer de dubbelbestemming "Waarde - Houtsingels" toegekend.

Artikel 7.1 van de planregels luidt:

"De voor ‘Waarde - Houtsingels’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, het herstel en de bescherming van houtsingels."

Artikel 7.2.1 luidt:

"Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van Burgemeester en Wethouder (omgevingsvergunning), de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, uit te voeren:

a. het rooien van houtgewas;

b. het rooien van erfbeplanting."

Artikel 7.2.3 luidt:

"De in lid 7.2.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, de bescherming en/of het herstel van de landschappelijk en cultuurhistorische waarden zoals deze tot uitdrukking komen in de vorm van een besloten gebied met houtsingelstructuur."

7.3. In wat [appellanten] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestemmingsplan niet strekt tot een goede ruimtelijke ordening, gelet op de ruimtelijke inpassing en de bescherming van groen. Daarbij betrekt de Afdeling dat de gronden binnen het plangebied op grond van het vorige bestemmingsplan geen groenbestemming hadden, maar het grootste deel van het plangebied de bestemming "Wonen" had. Daarnaast heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het bestaande groen voldoende wordt beschermd, gelet op het verbod om zonder omgevingsvergunning houtgewas en erfbeplanting te rooien zoals bepaald in artikel 7.2.1 van de planregels. Daarbij bepaalt artikel 7.2.3 van de planregels dat een dergelijke omgevingsvergunning slechts wordt verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan onder andere de bescherming van de landschappelijke waarden. Gelet daarop zal er bij onder meer de aanleg van inritten voor de voorziene woningen, waarover de raad op de zitting heeft toegelicht dat bij die aanleg gestreefd wordt naar zo min mogelijk verlies van groen, slechts een omgevingsvergunning kunnen worden verleend voor het rooien van de erfbeplanting indien rekening wordt gehouden met de in artikel 7.2.3 van de planregels genoemde waarden.

Het betoog slaagt niet.

Vertrouwen op vorige bestemmingsplan

8. [appellanten] betogen dat zij mochten vertrouwen op het uitblijven van nieuwe woningbouw op de locatie van het plangebied, gelet op de inhoud van het voorheen geldende bestemmingsplan. Daartoe voeren zij aan dat het vorige plan geen nieuwe woningen mogelijk maakte, terwijl dit bestemmingsplan de realisatie van zes woningen mogelijk maakt. Dat is volgens hen een ingrijpende verandering. Op de zitting hebben [appellanten] daarover toegelicht dat een wethouder zou hebben toegezegd dat er op de gronden van het plangebied geen woningen zouden worden gebouwd.

8.1. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Aan het feit dat het vorige bestemmingsplan geen nieuwe woningen toestond kunnen [appellanten] dus geen blijvende aanspraken ontlenen.

Voor zover [appellanten] met hun betoog op de zitting een beroep op het vertrouwensbeginsel doen, hebben zij dat betoog niet onderbouwd.

Het betoog slaagt niet.

Herhalen en inlassen zienswijze

9. Waar [appellanten] voor het overige verzoeken om de inhoud van hun zienswijze als herhaald en ingelast in hun beroep te beschouwen, overweegt de Afdeling dat in de zienswijzennota is ingegaan op die zienswijze. [appellanten] hebben in hun beroepschrift geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de zienswijze onjuist of onvolledig zou zijn.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

10. Het beroep is ongegrond.

11. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, griffier.

w.g. Sevenster

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Lap

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026

288-1157

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R.I.Y. Lap

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?