ECLI:NL:RVS:2026:344

ECLI:NL:RVS:2026:344, Raad van State, 21-01-2026, 202404583/1/R4

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 21-01-2026
Datum publicatie 21-01-2026
Zaaknummer 202404583/1/R4
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Bij besluit van 30 mei 2024 heeft de raad van de gemeente De Ronde Venen het bestemmingsplan [locatie 1], Waverveen' vastgesteld. Het plan maakt een nieuw aaneengeschakeld moerasgebied mogelijk door het noordelijke deel van camping [camping] (hierna: de camping), gelegen op de [locatie 1] in Waverveen, te verplaatsen naar de aangrenzende oostelijke en westelijke percelen. Dit plan is een uitvoering van het ‘Pact van Poldertrots’, ondertekend door de provincie Utrecht, de gemeente De Ronde Venen, het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht, Vereniging Natuurmonumenten en de bewonersdelegatie van de polder Groot Mijdrecht Noord. In dit Pact zijn afspraken gemaakt over de herinrichting van de polder Groot Mijdrecht ten behoeve van natuurontwikkeling. [appellant A] en [appellant B] wonen op de [locatie 2] in Waverveen, onmiddellijk ten oosten van de camping. Zij kunnen zich niet verenigen met het plan voor zover dit het mogelijk maakt dat de camping dichter bij hun woning komt. [appellant A] en [appellant B] hebben eerder de voorzieningenrechter van de Afdeling verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Uitspraak

202404583/1/R4.

Datum uitspraak: 21 januari 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend in Waverveen, gemeente De Ronde Venen,

appellanten,

en

de raad van de gemeente De Ronde Venen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2024 heeft de raad het bestemmingsplan [locatie 1], Waverveen' vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 24 december 2025, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], en de raad, vertegenwoordigd door L. de Ree en S. Hambuckers, zijn verschenen. Verder zijn op de zitting [camping], vertegenwoordigd door [gemachtigde C] en [gemachtigde D], en het college van gedeputeerde staten van Utrecht, vertegenwoordigd door mr. J.M.J. Meijs en M.H.J. Pouwel, gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 23 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2. Het plan maakt een nieuw aaneengeschakeld moerasgebied mogelijk door het noordelijke deel van camping [camping] (hierna: de camping), gelegen op de [locatie 1] in Waverveen, te verplaatsen naar de aangrenzende oostelijke en westelijke percelen. Dit plan is een uitvoering van het ‘Pact van Poldertrots’ (hierna: het Pact), ondertekend door de provincie Utrecht, de gemeente De Ronde Venen, het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht, Vereniging Natuurmonumenten en de bewonersdelegatie van de polder Groot Mijdrecht Noord. In dit Pact zijn afspraken gemaakt over de herinrichting van de polder Groot Mijdrecht ten behoeve van natuurontwikkeling.

3. [appellant A] en [appellant B] wonen op de [locatie 2] in Waverveen, onmiddellijk ten oosten van de camping. Zij kunnen zich niet verenigen met het plan voor zover dit het mogelijk maakt dat de camping dichter bij hun woning komt. [appellant A] en [appellant B] hebben eerder de voorzieningenrechter van de Afdeling verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Met de uitspraak van 25 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4815, heeft de voorzieningenrechter dit verzoek afgewezen.

Toetsingskader

4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Is het plan in strijd met het Pact van Poldertrots?

5. [appellant A] en [appellant B] betogen dat het Pact bindend is en dat de raad het plan niet mocht vaststellen in strijd met het eindbeeld van het Pact zonder instemming van alle betrokken partijen. [appellant A] en [appellant B] voeren hiertoe aan dat in het Pact duidelijk twee kavels van elk 50 m met bloemrijk grasland gepland staan tussen hun woning en de camping. De verplaatsing van de camping gaat ten koste van de ontwikkeling van bloemrijk grasland op één van deze kavels en de bewonersdelegatie heeft hiermee niet ingestemd.

5.1. In de uitspraak van 25 november 2024 heeft de voorzieningenrechter onder 4 overwogen dat het plan niet in strijd is met de gemaakte afspraken uit het Pact. Hoewel het klopt dat in het Pact bloemrijk grasland is voorzien tussen de woning van [appellant A] en [appellant B] en de camping, heeft de voorzieningenrechter overwogen dat wordt voldaan aan de voorwaarden van punt 8 van het Pact waaruit volgt dat kan worden afgeweken van dat eindbeeld. Uit punt 8 volgt niet dat alle betrokken partijen moeten instemmen met de afwijking. De Afdeling kan zich vinden in deze overweging van de voorzieningenrechter. [appellant A] en [appellant B] hebben daarbij in beroep geen aanknopingspunten gegeven voor het oordeel dat aan de voorwaarden waaronder toepassing kon worden gegeven aan punt 8 van het Pact in dit geval niet is voldaan.

Het betoog slaagt niet.

Zijn de alternatieven ten onrechte afgewezen?

6. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de alternatieven voor verplaatsing van de camping ten onrechte zijn afgewezen. [appellant A] en [appellant B] voeren hiertoe aan dat de vorm en/of grootte van het moeras kan worden aangepast, zodat de camping op de huidige locatie kan blijven.

6.1. De raad moet bij de keuze van een bestemming een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven moeten in die afweging worden meegenomen.

Net als de voorzieningenrechter overweegt de Afdeling dat de raad voldoende heeft gemotiveerd waarom op de gronden tussen de bestaande camping en de woning van [appellant A] en [appellant B] een uitbreiding van de camping gewenst is. Daarbij is ook gekeken naar een aantal alternatieven, waaronder het niet verplaatsen van de camping ten koste van het realiseren van het moerasblok ten noorden van de camping. De raad heeft meer belang gehecht aan de beoogde ontwikkeling van een nieuw moerasgebied aan de noordzijde van de camping dan aan het behoud van bloemrijk grasland op de kavel die tussen de woning van [appellant A] en [appellant B] en de camping ligt, omdat moerasnatuur een belangrijkere ecologische functie heeft voor diverse beschermde diersoorten. Volgens de raad komt zonder het verplaatsen van de camping de 2,5 hectare benodigde grond voor het moerasblok niet beschikbaar. Daarom heeft de raad het door [appellant A] en [appellant B] voorgestelde alternatief afgewogen bij de vaststelling van het plan en toereikend gemotiveerd waarom niet voor dat alternatief is gekozen.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

7. Het beroep is ongegrond.

8. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, griffier.

w.g. De Groot

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Loo

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026

418-1165

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M.L.M. van Loo

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?