ECLI:NL:RVS:2026:347

ECLI:NL:RVS:2026:347, Raad van State, 21-01-2026, 202501459/1/A3

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 21-01-2026
Datum publicatie 21-01-2026
Zaaknummer 202501459/1/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 29 november 2022 heet de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de vennootschap een boete opgelegd van € 4.500,00 wegens overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit. De minister heeft aan de vennootschap een boete van € 4.500,00 opgelegd op grond van artikel 7.17c, zesde lid, van het Arbobesluit en artikel 9, eerste lid, van de Arbowet. Hieraan heeft de minister een boeterapport van 31 maart 2022 ten grondslag gelegd. Uit het boeterapport volgt dat er op 1 december 2021 bij de vennootschap een arbeidsongeval heeft plaatsgevonden tijdens het laden van leibomen op een vrachtwagentrailer. Dit werd gedaan door een werknemer, een vrachtwagenchauffeur en een snuffelstagiair (het slachtoffer). De bomen werden door de werknemer met een loader opgehesen en richting de trailer bewogen waar de chauffeur de bomen in ontvangst nam. De loader reed met een gehesen boom naar de zijkant van de trailer en de stagiair liep met de boom mee. Toen de boom werd overgedragen aan de op de trailer staande chauffeur reed de werknemer naar voren met de loader en reed daarbij tegen de linkervoet van de stagiair.

Uitspraak

202501459/1/A3.

Datum uitspraak: 21 januari 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd in [plaats], (hierna: de vennootschap),

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 5 februari 2025 in zaak nr. 23/557 in het geding tussen:

de vennootschap

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Procesverloop

Bij besluit van 29 november 2022 heet de minister aan de vennootschap een boete opgelegd van € 4.500,00 wegens overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: de Arbowet) en het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: het Arbobesluit).

Bij besluit van 24 januari 2023 heeft de minister het door de vennootschap daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 februari 2025 heeft de rechtbank het door de vennootschap daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 24 januari 2023 vernietigd voor zover het de hoogte van de boete betreft, het besluit van 29 november 2022 herroepen voor zover het de hoogte van de boete betreft, bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 24 januari 2023 en het bedrag van de boete vastgesteld op € 4.050,00.

Tegen deze uitspraak heeft de vennootschap hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 16 december 2025, waar de vennootschap, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de minister, vertegenwoordigd door mr. S. Yildirim, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. De minister heeft aan de vennootschap een boete van € 4.500,00 opgelegd op grond van artikel 7.17c, zesde lid, van het Arbobesluit en artikel 9, eerste lid, van de Arbowet. Hieraan heeft de minister een boeterapport van 31 maart 2022 ten grondslag gelegd. Uit het boeterapport volgt dat er op 1 december 2021 bij de vennootschap een arbeidsongeval heeft plaatsgevonden tijdens het laden van leibomen op een vrachtwagentrailer. Dit werd gedaan door een werknemer, een vrachtwagenchauffeur en een snuffelstagiair (het slachtoffer). De bomen werden door de werknemer met een loader opgehesen en richting de trailer bewogen waar de chauffeur de bomen in ontvangst nam. De loader reed met een gehesen boom naar de zijkant van de trailer en de stagiair liep met de boom mee. Toen de boom werd overgedragen aan de op de trailer staande chauffeur reed de werknemer naar voren met de loader en reed daarbij tegen de linkervoet van de stagiair. De stagiair liep daardoor letsel op bestaande uit gebroken middenvoetsbeentjes. Hij heeft hiervoor twee nachten in het ziekenhuis doorgebracht. In bezwaar heeft de minister de boete gehandhaafd. De vennootschap is het niet eens met de besluitvorming.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de door de vennootschap aangevoerde beroepsgronden niet slagen. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat de minister mocht uitgaan van de juistheid van het boeterapport. De stelling van de vennootschap dat de weergave van de bewegingen van de stagiair onvolledig of incorrect is, of is uitgegaan van de foute veronderstelling dat de stagiair de werkzone niet heeft verlaten door zijn stappen zijwaarts, is niet onderbouwd. Dit is voor de overtreding ook niet relevant, omdat de overtreding er in gelegen is dat de werkgever niet de nodige veiligheidsmaatregelen heeft getroffen om ervoor te zorgen dat de in werkzone werkende medewerker niet gewond raakt door mobiele arbeidsmiddelen. Ook heeft de rechtbank overwogen dat de stagiair, met wie de vennootschap een stageovereenkomst heeft gesloten, moet worden gezien als een werknemer in de zin van de Arbowet, omdat hij werkzaamheden verrichte onder het feitelijk gezag van de vennootschap. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vennootschap artikel 7.17c, zesde lid, van het Arbobesluit heeft overtreden. Zonder risico-inventarisatie en -evaluatie en ontwikkeling van een veilige werkwijze, die ziet op het werken in de werkzone van de loader, komt geen betekenis toe aan adequate instructies en adequaat toezicht. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat artikel 9, eerste lid, van de Arbowet is overtreden, omdat de vennootschap het ongeval had moeten melden. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen sprake is geweest van vooringenomen handelen. De toezichthouders die het onderzoek doen bepalen niet of er een boete wordt opgelegd. Daargelaten in welk stadium de vennootschap ‘overtreder’ is genoemd, heeft de rechtbank geen concrete aanknopingspunten om te veronderstellen dat de toezichthouder of de boeteoplegger vooringenomen is geweest.

Beoordeling van het hoger beroep

3. De vennootschap betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat haar beroepsgronden niet slagen. De rechtbank heeft hierbij niet onderkend dat de minister niet van het boeterapport mocht uitgaan omdat hierin niet is meegenomen dat de stagiair uit de werkzone is gestapt om daarna hierin terug te keren. Volgens de vennootschap heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat zij niet de nodige veiligheidsmaatregelen had genomen voor de werkzone met de loader. Er was adequaat toezicht en adequate instructie voor de stagiair. Dat dit niet is opgenomen in een risico-inventarisatie voor de werkzone van een loader doet daar niet aan af. Ook heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de stagiair werkzaamheden verrichtte onder het feitelijk gezag van de vennootschap. De school van de stagiair heeft immers verklaard dat hij onder het gezag van de school viel. Verder betoogt de vennootschap dat er sprake is van vooringenomen handelen, omdat een boeterapport per definitie impliceert dat er een overtreder moet zijn.

3.1. De gronden die de vennootschap in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De vennootschap heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 9 tot en met 13 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt daar nog het volgende aan toe. De wetgever heeft uitdrukkelijk bedoeld om ook stagiairs onder de reikwijdte van de Arbowet te laten vallen. Dit blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 1, tweede lid, onderdeel a en b, van de Arbowet (Kamerstukken II 2005/06, 30 552, nr. 3, p. 24 en 25). Het is dan ook terecht dat de rechtbank in rechtsoverweging 10 naar de memorie van toelichting heeft verwezen.

Het betoog slaagt niet.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, moet worden bevestigd.

5. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. N.H. van den Biggelaar, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier.

w.g. Van den Biggelaar

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Bindels

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026

85-1166

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R.F.J. Bindels

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?