ECLI:NL:RVS:2026:3569

ECLI:NL:RVS:2026:3569

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 22-06-2026
Datum publicatie 19-06-2026
Zaaknummer BRS.26.002772
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Hoger beroep
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2026:1240

Samenvatting

Bij uitspraak van 26 januari 2026 in zaak nr. NL24.20594 heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, de minister van Asiel en Migratie opgedragen om binnen twaalf weken na de dag van verzending van de uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen op het door appellanten gemaakte bezwaar tegen de afwijzing van een aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf.

Uitspraak

BRS.26.002772

ECLI:NL:RVS:2026:3569

Datum uitspraak: 22 juni 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het beroep van:

[appellant A] en [appellant B],

appellanten.

Procesverloop

Bij uitspraak van 26 januari 2026 in zaak nr. NL24.20594 heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, de minister van Asiel en Migratie opgedragen om binnen twaalf weken na de dag van verzending van de uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen op het door appellanten gemaakte bezwaar tegen de afwijzing van een aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

Appellanten, vertegenwoordigd door mr. I. Petkovski, advocaat in Apeldoorn, hebben op 24 april 2026 bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister. De rechtbank heeft dit beroep op 4 juni 2026 aan de Afdeling doorgezonden.

Overwegingen

1. Appellanten klagen in hun beroep opnieuw over het uitblijven van een nieuw besluit op hun bezwaarschrift van 29 augustus 2022. De Afdeling beslist nu op dit beroep, los van het hoger beroep.

2. De door de rechtbank gestelde termijn voor het nemen van een nieuw besluit op het bezwaar van appellanten liep tot en met 20 april 2026. Appellanten hebben op 24 april 2026 beroep ingesteld tegen het niet nemen van een nieuw besluit binnen die termijn. Vast staat dat op het moment dat appellanten het beroep instelden, de minister in verzuim was om een nieuw besluit op het bezwaar te nemen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 8 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:673, onder 8). De minister heeft nog geen nieuw besluit op bezwaar genomen.

3. Het beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit. Omdat de minister nog geen nieuw besluit op bezwaar heeft genomen, bepaalt de Afdeling met toepassing van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb dat hij binnen twee weken na de verzending van deze uitspraak een besluit op het bezwaar van appellanten moet nemen en bekendmaken. De Afdeling bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat de minister een dwangsom moet betalen voor elke dag dat hij in gebreke blijft om de uitspraak na te leven.

4. Voor zover appellanten de Afdeling hebben verzocht om schadevergoeding, wijst de Afdeling dat verzoek af, omdat appellanten dat verzoek onvoldoende met stukken hebben onderbouwd en onvoldoende hebben toegelicht.

5. De minister moet de proceskosten vergoeden. De hoogte daarvan bedraagt 1 punt voor het beroep met toepassing van een wegingsfactor van 0,5.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit gegrond;

II. vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;

III. draagt de minister van Asiel en Migratie op om binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit op het bezwaar van appellanten te nemen en op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. bepaalt dat de minister van Asiel en Migratie aan appellanten een dwangsom verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, waarbij de hoogte van de dwangsom € 100,00 bedraagt, met een maximum van € 15.000,00;

V. wijst het verzoek om schadevergoeding af;

VI. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de minister van Asiel en Migratie aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.

w.g. Meijer

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Hanrath

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2026

392

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A.M.L. Hanrath

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand