ECLI:NL:RVS:2026:3675

ECLI:NL:RVS:2026:3675

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 24-06-2026
Datum publicatie 24-06-2026
Zaaknummer 202402902/1/R2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBZWB:2024:2053

Samenvatting

Bij besluit van 12 oktober 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda [wederpartij] opgedragen om de bewoning van het pand aan de [locatie] in Breda in strijd met het geldende bestemmingsplan te beëindigen en beëindigd te houden en de badkamer te verwijderen en verwijderd te houden. [wederpartij] is sinds 2013 eigenaar van het pand en staat sinds 2015 ingeschreven als bewoner van het pand. Hij gebruikt het pand voor zijn bedrijfsactiviteiten en woont daar. Het college heeft [wederpartij] een last onder dwangsom opgelegd, omdat het bestemmingsplan wonen op de begane grond niet toestaat. [wederpartij] is het daar niet mee eens. Volgens hem woont hij niet op de begane grond, maar op de entresol wat volgens hem een verdieping is. In hoger beroep gaat het alleen over de vraag of het oordeel van de rechtbank over de uitleg van de planregels juist is en meer in het bijzonder de uitleg van het begrip "verdieping".

Uitspraak

202402902/1/R2.

Datum uitspraak: 24 juni 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Breda,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland­-West-­Brabant van 27 maart 2024 in zaken nrs. 24/1465 en 24/1604 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend in Breda,

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2023 heeft het college [wederpartij] opgedragen om de bewoning van het pand aan de [locatie] in Breda in strijd met het geldende bestemmingsplan te beëindigen en beëindigd te houden en de badkamer te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 24 januari 2024 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:2053, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 24 januari 2024 vernietigd en zelf voorziend het bezwaar van [wederpartij] tegen het besluit van 12 oktober 2023 gegrond verklaard, dat besluit herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 11 mei 2026, waar het college, vertegenwoordigd door drs. W.H. Renger, is verschenen.

Overwegingen

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.

Inleiding

2. [wederpartij] is sinds 2013 eigenaar van het pand en staat sinds 2015 ingeschreven als bewoner van het pand. Hij gebruikt het pand voor zijn bedrijfsactiviteiten en woont daar. Het college heeft [wederpartij] een last onder dwangsom opgelegd, omdat het bestemmingsplan wonen op de begane grond niet toestaat. [wederpartij] is het daar niet mee eens. Volgens hem woont hij niet op de begane grond, maar op de entresol wat volgens hem een verdieping is.

2.1. In hoger beroep gaat het alleen over de vraag of het oordeel van de rechtbank over de uitleg van de planregels juist is en meer in het bijzonder de uitleg van het begrip "verdieping".

De Afdeling sluit aan bij het oordeel van de rechtbank

3. De rechtbank heeft gemotiveerd geoordeeld dat het college ten onrechte heeft gesteld dat [wederpartij] niet mag wonen in het pand. De rechtbank heeft vastgesteld dat in het bestemmingsplan geen omschrijving is opgenomen van het begrip ‘verdieping’, als bedoeld in artikel 6.1, onder j, van het bestemmingsplan. Omdat het begrip ‘verdieping’ niet nader is gedefinieerd, heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij het algemeen spraakgebruik en geoordeeld dat de voor wonen gebruikte etage moet worden aangeduid als verdieping. Wat het college daartegen in hoger beroep heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding om de uitspraak van de rechtbank te vernietigen. Het college heeft onvoldoende toegelicht waarom het oordeel van de rechtbank op dit punt onjuist is.

Conclusie

4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

6. Gelet op artikel 8:109, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt griffierecht van het college geheven.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen;

II. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Breda een griffierecht van € 559,00 wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.

w.g. Lange

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Ahmady-Pikart

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026

638-1186

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R.M. Ahmady-Pikart

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand