ECLI:NL:RVS:2026:369

ECLI:NL:RVS:2026:369, Raad van State, 21-01-2026, 202402203/1/R2

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 21-01-2026
Datum publicatie 21-01-2026
Zaaknummer 202402203/1/R2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 7 april 2022 heeft het college van gedeputeerde staten van Drenthe het verzoek van MOB om handhavend optreden tegen [melkveebedrijf] aan de [locatie] in Eelde wegens het houden van meer koeien dan is vergund en het hebben van een stal met een ander stalsysteem dan is vergund op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, afgewezen. Bij besluit van 6 september 2022 heeft het college het door MOB daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. MOB heeft verzocht om handhavend optreden tegen [melkveebedrijf], omdat er meer koeien zouden worden gehouden dan is toegestaan op grond van de vergunning die is verleend op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb. Ook zou in een stal een ander stalsysteem zijn geplaatst dan het stalsysteem dat is toegestaan op grond van de natuurvergunning. Het college heeft dit verzoek afgewezen omdat er volgens hem sprake is van concreet zicht op legalisatie door de aanvraag voor een natuurvergunning van 26 maart 2019 en de ontwerp-natuurvergunning die is gepubliceerd op 30 maart 2022. Het bezwaar van MOB is vervolgens door het college niet-ontvankelijk verklaard omdat er volgens het college geen procesbelang meer bestaat doordat met de definitieve natuurvergunning die is verleend op 30 juni 2022 van het aantal gehouden koeien en het stalsysteem gelegaliseerd is.

Uitspraak

202402203/1/R2.

Datum uitspraak: 21 januari 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

het college van gedeputeerde staten van Drenthe,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­Nederland van 5 maart 2024 in zaak nr. 22/3459 in het geding tussen:

Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. (Hierna: MOB), gevestigd in Nijmegen,

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2022 heeft het college het verzoek van MOB om handhavend optreden tegen [melkveebedrijf] aan de [locatie] in Eelde wegens het houden van meer koeien dan is vergund en het hebben van een stal met een ander stalsysteem dan is vergund op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb), afgewezen.

Bij besluit van 6 september 2022 heeft het college het door MOB daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 5 maart 2024 heeft de rechtbank het door MOB daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit moet nemen.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

MOB heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[Melkveebedrijf] heeft een nader stuk ingediend.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, heeft gesloten.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.

Het verzoek om handhaving van de Wnb is gedaan op 2 maart 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wnb, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2. MOB heeft verzocht om handhavend optreden tegen [melkveebedrijf], omdat er meer koeien zouden worden gehouden dan is toegestaan op grond van de vergunning die is verleend op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb. Ook zou in een stal een ander stalsysteem zijn geplaatst dan het stalsysteem dat is toegestaan op grond van de natuurvergunning. Het college heeft dit verzoek afgewezen omdat er volgens hem sprake is van concreet zicht op legalisatie door de aanvraag voor een natuurvergunning van 26 maart 2019 en de ontwerp-natuurvergunning die is gepubliceerd op 30 maart 2022. Het bezwaar van MOB is vervolgens door het college niet-ontvankelijk verklaard omdat er volgens het college geen procesbelang meer bestaat doordat met de definitieve natuurvergunning die is verleend op 30 juni 2022 van het aantal gehouden koeien en het stalsysteem gelegaliseerd is.

De uitspraak van de rechtbank

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat MOB geen procesbelang meer heeft bij de beoordeling van haar bezwaar tegen het besluit van 7 april 2022. Volgens de rechtbank komt het procesbelang pas te vervallen wanneer de legaliserende natuurvergunning onherroepelijk is. Daarvan is in dit geval geen sprake, aldus de rechtbank. Gelet hierop heeft de rechtbank het besluit op bezwaar vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit te nemen. De rechtbank zag geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of de rechtsgevolgen in stand te laten gelet op de aard van het gebrek.

Beoordeling van het hoger beroep

4. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat er nog procesbelang is bij het inhoudelijk behandelen van het bezwaar tegen de afwijzing om handhavend optreden. Daartoe voert het college aan dat ten tijde van het besluit op bezwaar een legaliserende natuurvergunning was verleend.

Daarnaast had het volgens het college op de weg van de rechtbank gelegen om zelf in de zaak te voorzien en het bezwaar ongegrond te verklaren, omdat geen sprake meer was van een overtreding.

5. De vraag die in deze zaak voorligt, is of de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat MOB procesbelang had bij een inhoudelijke beoordeling van haar bezwaar tegen het besluit tot afwijzing van haar handhavingsverzoek.

Anders dan het college veronderstelt, betekent het enkele feit dat een natuurvergunning is verleend voorafgaand aan het besluit op bezwaar, niet dat MOB geen belang heeft bij een inhoudelijke behandeling van haar bezwaargronden. De natuurvergunning is een feit of omstandigheid die moet worden betrokken in de heroverweging die het college moet verrichten in de bezwaarfase. MOB heeft alleen al belang bij een inhoudelijke behandeling van haar bezwaargronden, omdat zij in bezwaar, ook na verlening van de natuurvergunning, moet kunnen aanvoeren dat er nog steeds sprake is van een overtreding. Zij moet bijvoorbeeld aan de orde kunnen stellen dat met de natuurvergunning de overtreding niet is beëindigd en er geen concreet zicht op legalisatie bestaat. Om die reden heeft de rechtbank dan ook kunnen besluiten om niet zelf in de zaak te voorzien.

6. Het hoger beroep van het college is ongegrond. De Afdeling zal de aangevallen uitspraak bevestigen.

7. Het college moet de proceskosten vergoeden.

8. Gelet op artikel 8:109, tweede lid, van de Awb moet griffierecht van het college worden geheven.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Drenthe tot vergoeding van de bij Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, volledig toe te rekenen aan een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. bepaalt dat van het college van gedeputeerde staten van Drenthe een griffierecht van € 548,00 wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Pistoor, griffier.

w.g. Kaajan

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Pistoor

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026

932

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J.J. Pistoor

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?