ECLI:NL:RVS:2026:390

ECLI:NL:RVS:2026:390

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 26-01-2026
Datum publicatie 22-01-2026
Zaaknummer BRS.25.000701
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 16 mei 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid geweigerd om ambtshalve krachtens artikel 64 van de Vw 2000 te bepalen dat uitzetting van betrokkene achterwege blijft.

Uitspraak

BRS.25.000701

ECLI:NL:RVS:2026:390

Datum uitspraak: 26 januari 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de minister van Asiel en Migratie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 14 mei 2025 in zaak nr. NL25.6915 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 16 mei 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid geweigerd om ambtshalve krachtens artikel 64 van de Vw 2000 te bepalen dat uitzetting van betrokkene achterwege blijft.

Bij besluit van 12 februari 2025 heeft de minister het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 mei 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. M.H. Steenbergen, advocaat in Roosendaal, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Betrokkene heeft de uiteenzetting als een incidenteel hogerberoepschrift aangeduid.

Overwegingen

Inleiding

1. Betrokkene heeft de Nigeriaanse nationaliteit en lijdt aan ernstige psychische klachten, waarvoor zij in Nederland een medische behandeling ondergaat, bestaande uit therapie, medicatie en mantelzorg. Uit het advies van het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) van 19 maart 2024 en zijn nota van 4 februari 2025 blijkt dat onderbreking van deze behandeling tot een medische noodsituatie leidt en dat de aanwezigheid van de Ghanese partner, die mantelzorg verleent, essentieel is voor het slagen van de behandeling van betrokkene. Ook blijkt uit het advies en de nota dat betrokkene alleen kan reizen als aan bepaalde reisvereisten is voldaan, waaronder de begeleiding door haar partner. Volgens betrokkene heeft haar partner als Ghanees geen toegang tot Nigeria en is de noodzakelijke zorg voor haar daar dus niet beschikbaar.

2. De minister heeft zich, onder verwijzing naar het advies van het BMA van 19 maart 2024 en zijn nota van 4 februari 2025, op het standpunt gesteld dat de noodzakelijke zorg voor betrokkene in Nigeria beschikbaar en feitelijk toegankelijk is. Volgens de minister heeft betrokkene niet aannemelijk gemaakt dat haar Ghanese partner geen toegang heeft tot Nigeria.

Uitspraak van de rechtbank

3. De rechtbank heeft erop gewezen dat uit de BMA-nota van 4 februari 2025 blijkt dat er zonder de aanwezigheid van haar partner voor betrokkene een medische noodsituatie ontstaat. Op grond daarvan heeft de rechtbank geconcludeerd dat de aanwezigheid van de partner een vereiste is voor de beschikbaarheid van zorg in Nigeria voor betrokkene. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat betrokkene voldoende aanknopingspunten voor twijfel over de toegang van haar partner tot Nigeria heeft aangevoerd. Daaruit volgt dat de minister niet had mogen verlangen van betrokkene om aannemelijk te maken dat de zorg feitelijk niet toegankelijk is voor haar. Het is immers eerst aan de minister om aannemelijk te maken dat de noodzakelijke zorg in Nigeria beschikbaar is, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

4. In haar enige grief klaagt de minister over het oordeel van de rechtbank dat zij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de noodzakelijke zorg voor betrokkene, in de vorm van mantelzorg door haar partner in Nigeria, beschikbaar is. Volgens haar rust de bewijslast dat Nigeria feitelijk toegankelijk is voor haar partner, op betrokkene.

4.1. Anders dan de minister, onder verwijzing naar het arrest van het EHRM van 13 december 2016, Paposhvili tegen België, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810, paragrafen 187, 190 en 191, betoogt, gaat het in deze zaak niet om de vraag of betrokkene aannemelijk heeft gemaakt dat de noodzakelijke zorg voor haar feitelijk toegankelijk is. Die vraag komt pas aan de orde als die zorg beschikbaar is. Voor de beantwoording van de vraag of de zorg beschikbaar is, ligt de bewijslast bij de minister. De minister moet toelichten hoe zij voldoet aan het door het BMA gestelde vereiste dat de partner in Nigeria aanwezig is. De verwijzing naar een openbare bron waaruit volgens de minister blijkt dat de partner van betrokkene bij de Nigeriaanse autoriteiten een verblijfsvergunning van de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten kan aanvragen, waarmee hij rechtmatig verblijf zou kunnen krijgen, is onvoldoende. De minister heeft hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Nigeriaanse autoriteiten de partner van betrokkene een verblijfsvergunning zullen verlenen. Evenmin is de toelichting van de minister dat zij betrokkene niet zal uitzetten als zij, gelet op de reisvereisten, de medische overdracht niet kan regelen, voldoende. De aanwezigheid van de partner van betrokkene is niet alleen een reisvereiste, maar tevens een beschikbaarheidsvereiste. Is die partner aanwezig, dan bestaat er in het kader van de beschikbaarheid van de noodzakelijke zorg geen risico op schending van artikel 3 van het EVRM. Echter, de minister heeft niet gewaarborgd dat de noodzakelijke zorg in de vorm van de partner beschikbaar was op het moment dat zij besloot betrokkene geen uitstel van vertrek te verlenen.

4.2. De minister voert tot slot tevergeefs aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat haar vergewisplicht niet zo ver strekt dat zij al bij het nemen van het besluit moet voldoen aan de reisvereisten. De aanwezigheid van de partner van betrokkene is namelijk niet alleen een reisvereiste, maar ook een vereiste voor de beschikbaarheid van de noodzakelijke zorg in Nigeria.

4.3. De grief slaagt niet.

Incidenteel hoger beroep

5. Over het gesteld incidenteel hogerberoepschrift overweegt de Afdeling als volgt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 14 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2454, onder 6), is voor het antwoord op de vraag of een ingediend stuk een incidenteel hogerberoepschrift in de zin van artikel 8:110, eerste lid, van de Awb is, niet beslissend dat de indiener ervan uitdrukkelijk heeft gesteld dat hij of zij incidenteel hoger beroep instelt. Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling (Kamerstukken II 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 23 en 24) is met het bieden van de mogelijkheid van het instellen van incidenteel hoger beroep beoogd een partij de bevoegdheid te geven om naar aanleiding van het principaal hoger beroep van een wederpartij alsnog ook zelf in hoger beroep te komen. Het incidenteel hoger beroep moet daarom gronden te bevatten die gericht zijn tegen de uitspraak van de rechtbank.

Betrokkene heeft zich in haar brief van 17 juni 2025 op het standpunt gesteld dat de uitspraak van de rechtbank juist is. Ook heeft zij in die brief gereageerd op de grief van de minister. Betrokkene heeft daarmee geen grieven aangevoerd die zich richten tegen de uitspraak van de rechtbank. Gelet daarop is de brief geen incidenteel hogerberoepschrift in de zin van artikel 8:110, eerste lid, van de Awb.

Conclusie

6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. bepaalt dat van de minister van Asiel en Migratie een griffierecht van € 579,00 wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.

w.g. Van Breda

voorzitter

w.g. Mercelina

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2026

938-1034

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?