ECLI:NL:RVS:2026:3910

ECLI:NL:RVS:2026:3910

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 09-07-2026
Datum publicatie 07-07-2026
Zaaknummer BRS.26.000003
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Hoger beroep
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2025:23272

Samenvatting

Bij besluit van 3 maart 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Uitspraak

BRS.26.000003

ECLI:NL:RVS:2026:3910

Datum uitspraak: 9 juli 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 3 december 2025 in zaak nr. NL25.14819 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 3 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R.J.J. Flantua, advocaat in Amersfoort, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1. In de uitspraak van 12 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1326, heeft de Afdeling geoordeeld dat uit de landeninformatie over Iran geen eenduidig beeld volgt over de situatie van afvalligen en atheïsten. De minister kan zich daarom niet zonder nader onderzoek op het standpunt stellen dat zij geen gegronde vrees hebben voor vervolging. Het betoog van appellant in de derde grief over het risico dat hij loopt bij terugkeer naar Iran, slaagt.

2. De tweede grief leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Het betoog berust namelijk op een onjuiste lezing van die uitspraak. Anders dan appellant betoogt, heeft de rechtbank geen oordeel gegeven over WI 2024/6, maar over de vraag of de minister de gestelde bekering goed heeft onderzocht en beoordeeld aan de hand van WI 2022/3.

2.1. Uit het voorgaande volgt dat de door appellant opgeworpen vraag of WI 2024/6 voldoet aan de eisen uit het Unierecht niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

3. Wat appellant verder in de tweede, eerste, vierde en vijfde grief aanvoert, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roepen de eerste, vierde en vijfde grief geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24).

4. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt het besluit van 3 maart 2025. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 3 december 2025 in zaak nr. NL25.14819;

III. verklaart het beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van 3 maart 2025, V-[…];

V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Iedema, griffier.

w.g. Van Breda

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Iedema

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2026

915-1163

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. E.L. Iedema

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand