ECLI:NL:RVS:2026:404

ECLI:NL:RVS:2026:404

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 26-01-2026
Datum publicatie 22-01-2026
Zaaknummer BRS.25.002484
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 14 augustus 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant opgedragen om de Europese Unie binnen vier weken na 4 september 2025 te verlaten.

Uitspraak

BRS.25.002484

ECLI:NL:RVS:2026:404

Datum uitspraak: 26 januari 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 november 2025 in zaak nr. NL24.10612 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 14 augustus 2025 heeft de minister appellant opgedragen om de Europese Unie binnen vier weken na 4 september 2025 te verlaten.

Bij uitspraak van 6 november 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft appellant zich nader uitgelaten.

Overwegingen

1. De termijn voor het instellen van het hoger beroep eindigde op 4 december 2025. Het hogerberoepschrift is op 17 december 2025 bij de Raad van State binnengekomen. Appellant heeft het hogerberoepschrift daarom niet op tijd ingediend.

2. Appellant voert aan dat het hem, ondanks zijn inspanningen, niet is gelukt om bij het hoger beroep juridische bijstand te verkrijgen. Hij voert verder aan dat hij als ontheemde vreemdeling, met beperkte kennis van het Nederlandse bestuursrecht, taalbeperkingen en zonder eerdere ervaring met hogerberoepsprocedures, objectief niet in staat was om zelfstandig de exacte termijn voor het instellen van hoger beroep vast te stellen en dat van opzettelijke vertraging of nalatigheid geen sprake is geweest. Zodra het hem duidelijk werd dat het niet zou lukken om tijdig juridische bijstand te verkrijgen, heeft hij zo spoedig mogelijk zelfstandig verdere stappen ondernomen om zijn hoger beroep voort te zetten, aldus appellant.

2.1. Een termijnoverschrijding is verschoonbaar als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dit staat in artikel 6:11 van de Awb. Ten eerste is daarvoor vereist dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Ten tweede is vereist dat het bezwaarschrift of beroepschrift zo spoedig mogelijk is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd. Een termijnoverschrijding kan niet aan de indiener worden toegerekend als er bijzondere omstandigheden zijn bij de indiener, of als de termijnoverschrijding is veroorzaakt door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan. Er kunnen ook andere redenen zijn waardoor de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Daarbij wordt een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering gevolgd. Bijzondere omstandigheden bij de indiener kunnen persoonlijke omstandigheden of externe omstandigheden zijn. Als de indiener als gevolg van deze omstandigheden geen verwijt kan worden gemaakt van de termijnoverschrijding, kan de termijnoverschrijding niet aan de indiener worden toegerekend. Daarnaast is er ruimte om in gevallen waarin sprake is van een slechts geringe verwijtbaarheid met betrekking tot de termijnoverschrijding, deze niet aan de indiener toe te rekenen. Of sprake is van een geringe verwijtbaarheid is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

3. De aangevoerde omstandigheden kunnen niet leiden tot de conclusie dat het niet tijdig indienen van het hogerberoepschrift niet aan appellant kan worden toegerekend. Onderaan de rechtbankuitspraak staat dat het hogerberoepschrift binnen vier weken na de dag waarop de uitspraak is verzonden moet worden ingediend. Appellant is ook nog op die termijn gewezen in het door hem overgelegde bericht van Vluchtelingenwerk van 24 november 2025. Het betoog dat hij zonder professionele rechtsbijstand niet in staat was om de exacte termijn voor het instellen van hoger beroep vast te stellen, kan appellant niet baten, alleen al omdat geen sprake is van een geringe termijnoverschrijding, maar van een overschrijding met bijna twee weken. Dat het appellant niet is gelukt om tijdig een professionele rechtsbijstandverlener te vinden die hem kon of wilde bijstaan, doet er niet aan af dat van hem verwacht mocht worden dat hij binnen de beroepstermijn van vier weken hoger beroep instelde.

4. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.

w.g. Sevenster

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Hanrath

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2026

392

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?