ECLI:NL:RVS:2026:405

ECLI:NL:RVS:2026:405

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 28-01-2026
Datum publicatie 22-01-2026
Zaaknummer 202505839/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Bij beslissing van 2 juli 2025 hebben examinatoren van de bacheloropleiding Bedrijfskunde een door [appellant] afgelegd tentamen beoordeeld met ‘Onder Verwacht Niveau’. Het tentamen waarvoor bij beslissing van 2 juli 2025 een onvoldoende beoordeling is gegeven, betreft de presentatie van [appellant] als onderdeel van het vak Smart Solutions Semester. De examinatoren hebben aan deze beslissing onder meer ten grondslag gelegd dat de uitvoering en vorm van de presentatie niet aan de vereisten voldoen. Het CBE heeft zich op het standpunt gesteld dat de onderwijs- en examenregeling (OER) geen verplichting bevat voor het opnemen van de presentatie. Tijdens de presentatie waren twee door de examencommissie aangewezen examinatoren aanwezig. Daarmee acht het CBE dat de zorgvuldigheid en betrouwbaarheid van de beoordeling is gewaarborgd. Tot slot komt het door de examencommissie gedane schikkingsvoorstel overeen met wat [appellant] zelf heeft voorgesteld. Het CBE acht het onder deze omstandigheden moeilijk te begrijpen dat [appellant] niet met het voorstel van de examencommissie heeft ingestemd.

Uitspraak

202505839/1/A2.

Datum uitspraak: 28 januari 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

en

het college van beroep voor de examens van Saxion Hogeschool (het CBE),

verweerder.

Procesverloop

Bij beslissing van 2 juli 2025 hebben examinatoren van de bacheloropleiding Bedrijfskunde een door [appellant] afgelegd tentamen beoordeeld met ‘Onder Verwacht Niveau’.

Bij beslissing van 19 november 2025 heeft het CBE zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep, voor zover dat de inhoudelijke beoordeling van het tentamen betreft, en voor het overige dat beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 14 januari 2026, waar [appellant] is verschenen. Het CBE, vertegenwoordigd door [gemachtigden], heeft via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen.

Overwegingen

Inleiding en besluitvorming

1. Het tentamen waarvoor bij beslissing van 2 juli 2025 een onvoldoende beoordeling is gegeven, betreft de presentatie van [appellant] als onderdeel van het vak Smart Solutions Semester. De examinatoren hebben aan deze beslissing onder meer ten grondslag gelegd dat de uitvoering en vorm van de presentatie niet aan de vereisten voldoen.

2. Het CBE heeft aan de beslissing van 19 november 2025 ten grondslag gelegd dat het niet bevoegd is te oordelen over het kennen en kunnen van een student. Voor zover het administratief beroep van [appellant] betrekking heeft op de beoordeling van zijn kennen en kunnen, is het CBE daarom onbevoegd daarvan kennis te nemen.

3. Het CBE heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de onderwijs- en examenregeling (OER) geen verplichting bevat voor het opnemen van de presentatie. Tijdens de presentatie waren twee door de examencommissie aangewezen examinatoren aanwezig. Daarmee acht het CBE dat de zorgvuldigheid en betrouwbaarheid van de beoordeling is gewaarborgd. Tot slot komt het door de examencommissie gedane schikkingsvoorstel overeen met wat [appellant] zelf heeft voorgesteld. Het CBE acht het onder deze omstandigheden moeilijk te begrijpen dat [appellant] niet met het voorstel van de examencommissie heeft ingestemd.

Beroep

4. [appellant] betoogt dat het CBE zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het niet bevoegd is een inhoudelijk oordeel te geven over het kennen en kunnen van een student.

4.1. Op grond van artikel 7.61, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (Whw) is het CBE bevoegd te oordelen over administratief beroepen tegen alle beslissingen van examencommissies en examinatoren. Het beroep kan alleen worden ingesteld ter zake dat een beslissing in strijd is met het recht, maar dit ziet alleen op de omvang van de toetsing en niet de bevoegdheid. Dit is anders bij artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), op grond waarvan geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit inhoudende een beoordeling van het kennen of kunnen van een kandidaat die ter zake is geëxamineerd. Deze bepaling betreft de beroepsfase bij de bestuursrechter en niet ook op de fase bij het CBE (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 14 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2166). Het CBE heeft ter zitting toegelicht dat het heeft bedoeld tot uitdrukking te brengen dat de betreffende gronden van [appellant] buiten de omvang van de toetsing vallen. Het CBE heeft dit terecht overwogen. Hoewel dit betekent dat de beslissing een gebrek bevat, is niet gebleken dat [appellant] hierdoor is benadeeld. De Afdeling zal het gebrek daarom met toepassing van artikel 6:22 van de Awb passeren.

5. [appellant] betoogt verder dat het CBE de beslissing van 19 november 2025 onzorgvuldig heeft genomen. Hij voert daartoe aan dat het CBE zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij heeft vermeld zijn administratief beroep in te trekken. Dit is in tegenspraak met zijn bericht van 8 oktober 2025, waarin hij vermeldt niet akkoord te gaan met de weergave van de afspraken die zijn gemaakt in het minnelijk schikkingsgesprek. Ook heeft het CBE in strijd met het verbod van vooringenomenheid (artikel 2:4 van de Awb) gehandeld door te overwegen dat het CBE het moeilijk te begrijpen acht dat [appellant] niet met het schikkingsvoorstel van de examencommissie heeft ingestemd.

5.1. Het CBE heeft, anders dan [appellant] betoogt, niet overwogen dat [appellant] zijn administratief beroep zou intrekken. Verder heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd waarom deze overweging van het CBE blijk zou geven van vooringenomenheid.

5.2. De Afdeling voegt daaraan toe dat, zoals ook ter zitting is besproken, het niet onmogelijk is voor [appellant] om alsnog een herkansing af te leggen. Het is dan wel nodig dat hij hierom verzoekt en dat hij daarover met de betrokkenen overlegt.

6. [appellant] betoogt tot slot dat het CBE zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de beslissing van 2 juli 2025 niet onzorgvuldig is genomen. Hij voert daartoe aan dat deze conclusie onverenigbaar is met de vaststelling dat de door hem gegeven presentatie niet is opgenomen. Hierdoor is de beoordeling niet controleerbaar en daarom per definitie niet zorgvuldig. Bovendien heeft de examencommissie ingevolge artikel 7.12b, eerste lid, van de Whw tot taak om de kwaliteit van de toetsing te borgen. Een beoordelingsformulier zonder opname is onvoldoende om de zorgvuldigheid van de beoordeling te borgen.

6.1. Het CBE heeft terecht overwogen dat in de OER geen verplichting is opgenomen om een presentatie als onderdeel van een tentamen op te nemen. Niet valt in te zien dat een geluidopname van de presentatie in het belang van de zorgvuldigheid van de besluitvorming noodzakelijk is. De Afdeling weegt daarbij mee dat tijdens de presentatie twee door de examencommissie aangewezen examinatoren aanwezig waren en dat [appellant] inzage heeft gekregen in het ingevulde beoordelingsformulier.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden, omdat niet is gebleken van proceskosten die moeten worden vergoed. De Afdeling ziet in wat onder 4.1 is overwogen aanleiding om het CBE te gelasten het door [appellant] voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. gelast dat het college van beroep voor de examens van Saxion Hogeschool aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 53,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.

w.g. Van Gastel

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Loon

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026

284-1175

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?