202401020/1/V2.
Datum uitspraak: 23 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 17 januari 2024 in zaak nr. NL22.13425 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluiten van 2 september 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vastgesteld dat betrokkene geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland meer heeft en zijn aanvraag om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000, waaruit een duurzaam verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.
Bij besluit van 23 juni 2022 heeft de staatssecretaris de daartegen door betrokkene gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 januari 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, voor zover de staatssecretaris daarbij heeft vastgesteld dat het verblijfsrecht in januari 2017 van rechtswege is geëindigd, en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van dat besluit.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Inleiding
1. Betrokkene heeft de Egyptische nationaliteit. Bij besluit van 2 september 2021 heeft de minister vastgesteld dat zijn afgeleide verblijfsrecht op 21 november 2019 van rechtswege is geëindigd, omdat referent, de echtgenote van betrokkene, die de Poolse nationaliteit bezit, per die datum Nederland heeft verlaten. Bij besluit van 23 juni 2022 heeft de minister vastgesteld dat het verblijfsrecht van betrokkene in januari 2017 van rechtswege is geëindigd. De rechtbank heeft betrokkene gevolgd in zijn standpunt dat het verbod van reformatio in peius in de weg staat aan het in bezwaar ten nadele van hem wijzigen van de beëindigingsdatum van zijn verblijfsrecht.
Hoger beroep van de minister
2. De enige grief van de minister is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het verbod van reformatio in peius eraan in de weg staat dat de minister naar aanleiding van de bezwaarschriftprocedure ten nadele van betrokkene de datum van het eindigen van het verblijfsrecht wijzigt van 21 november 2019 in januari 2017. Volgens de minister staat het verbod van reformatio in peius niet aan deze wijziging in de weg. Daartoe voert de minister aan dat zij ook zonder dat bezwaar zou zijn gemaakt, op grond van artikel 14, aanhef en eerste lid, onder d, van de Vw 2000 bevoegd is een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te trekken. De wettelijke grondslag voor het van rechtswege eindigen van het verblijfsrecht van betrokkene is gelegen in de artikelen 8.12 tot en met 8.15 van het Vb 2000, aldus de minister. De minister stelt verder dat betrokkene door de wijziging van de beëindigingsdatum in bezwaar, niet in zijn verweermogelijkheden is geschaad. De rechtbank heeft volgens de minister dan ook ten onrechte zelf in de zaak voorzien.
2.1. Op grond van artikel 7:11, eerste lid, van de Awb is het bestuursorgaan naar aanleiding van een tegen een besluit gemaakt bezwaar gehouden tot een volledige heroverweging van dat besluit. Daarbij dient wel het verbod van reformatio in peius in acht te worden genomen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in haar uitspraak van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4734, onder 9.1) volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Awb dat het bezwaarschrift er niet toe mag leiden dat het bestuursorgaan de heroverweging gebruikt om een verslechtering van de positie van de indiener te bereiken die zonder bezwaarschriftprocedure niet mogelijk zou zijn. Leidt de heroverweging tot een voor de indiener ongunstiger resultaat, dan geldt dat alleen indien het bestuursorgaan ook zonder dat het bezwaarschrift zou zijn ingediend tot wijziging van het bestreden besluit ten nadele van de indiener bevoegd zou zijn, artikel 7:11 van de Awb zich er niet tegen verzet dat een zodanige wijziging bij het besluit op het bezwaarschrift wordt bewerkstelligd.
2.2. Bij besluit van 2 september 2021 heeft de minister vastgesteld dat het verblijfsrecht van betrokkene op 21 november 2019 van rechtswege is geëindigd. Bij besluit van 23 juni 2022 is vastgesteld dat het verblijfsrecht van betrokkene al in januari 2017 van rechtswege is geëindigd. Betrokkene is door de heroverweging in bezwaar zodoende in een nadeligere positie komen te verkeren.
2.3. Betrokkene ontleende zijn verblijfsrecht aan zijn verblijf als familielid van een Unieburger, oftewel door het verblijf bij zijn echtgenote met de Poolse nationaliteit in Nederland. Uit rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat een familielid dat niet de nationaliteit van een lidstaat bezit, alleen als begunstigde in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn kan worden aangemerkt als hij de burger van de Unie begeleidt of zich bij hem voegt (zie het arrest van 10 september 2019, Chenchooliah, ECLI:EU:C:2019:693, punten 59 en 60). Dat betekent volgens het Hof dat een familielid, als de burger van de Unie is vertrokken uit de gastlidstaat, niet meer beschikt over een verblijfsrecht volgens de richtlijn, tenzij hij valt onder een van de in artikel 12, tweede lid, en artikel 13, tweede lid, van de richtlijn bedoelde situaties. Het afgeleide verblijfsrecht van een familielid van een Unieburger ontstaat dan ook van rechtswege als aan de vereisten van artikel 8.13 van het Vb 2000, dat de implementatie vormt van artikel 7 van de Verblijfsrichtlijn, wordt voldaan en vervalt van rechtswege als hier niet meer aan wordt voldaan. Op grond van deze bepaling, in samenhang gelezen met artikel 8.16, eerste lid, van het Vb 2000, kan de minister, ook zonder dat er een bezwaarschrift zou zijn ingediend, tot vaststelling van de beëindiging van het verblijfsrecht van betrokkene overgaan en derhalve tot wijziging van het besluit van 2 september 2021 ten nadele van betrokkene.
2.4. Uit het besluit van 23 juni 2022 blijkt dat de wijziging van de beëindigingsdatum heeft plaatsgevonden naar aanleiding van een Rapportage Digitaal Onderzoek van 7 februari 2022 waaruit is gebleken dat referent reeds begin januari 2017 Nederland heeft verlaten. Betrokkene is met dit rapport geconfronteerd tijdens de hoorzitting naar aanleiding van zijn gemaakte bezwaren. Na de hoorzitting heeft betrokkene een kopie van dit rapport ontvangen en is hij in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. Betrokkene heeft van deze mogelijkheid gebruikgemaakt. Naar aanleiding van de reactie van betrokkene heeft de minister een tussentijds voornemen uitgebracht. Betrokkene is ook in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren en heeft van die mogelijkheid wederom gebruikgemaakt. Gelet hierop is betrokkene dan ook niet in zijn verweermogelijkheden geschaad.
2.5. Uit het voorgaande volgt dat de minister terecht betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het besluit van 23 juni 2022 is genomen in strijd met het verbod van reformatio in peius. De rechtbank heeft het besluit daarom ten onrechte vernietigd voor zover daarbij is vastgesteld dat het verblijfsrecht in januari 2017 van rechtswege is geëindigd. Zij mocht daarom ook niet zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van dat besluit, waardoor het verblijfsrecht van betrokkene op 21 november 2019 als van rechtswege geëindigd diende te worden beschouwd.
2.6. Alleen al hierom slaagt de grief. Wat de minister verder heeft aangevoerd, behoeft daarom geen bespreking.
Conclusie
3. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
4.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 17 januari 2024 in zaak nr. NL22.13425;
III. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Lodeweges, griffier.
w.g. Wissels
voorzitter
w.g. Lodeweges
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2026
625