ECLI:NL:RVS:2026:413

ECLI:NL:RVS:2026:413

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 26-01-2026
Datum publicatie 23-01-2026
Zaaknummer 202501857/1/V3
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 24 februari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

Uitspraak

202501857/1/V3.

Datum uitspraak: 26 januari 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 24 maart 2025 in zaak nr. NL25.9962 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 24 februari 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 24 maart 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.I. Vennik, advocaat in Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1. Wat appellant in zijn eerste en derde grief aanvoert, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2. Appellant is in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. In zijn tweede grief betoogt hij dat uit het aanmeldgehoor van 7 maart 2025 van zijn asielprocedure blijkt dat hij zijn asielaanvraag wilde intrekken. Daarom had de minister de wettelijke grondslag van de bewaring moeten omzetten. Nu dit niet tijdig is gebeurd, is de maatregel van bewaring met ingang van 9 maart 2025 onrechtmatig, aldus appellant.

2.1. Dit betoog slaagt. Vast staat dat uit het verslag van het aanmeldgehoor blijkt dat appellant mondeling uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij zijn asielverzoek wenste in te trekken. Nadat hij verklaarde dat hij dit nog niet met zijn advocaat had besproken, heeft de gehoormedewerker telefonisch contact opgenomen met de advocaat om hem hierover in te lichten. Vervolgens heeft appellant verklaard dat hij het met zijn advocaat ging regelen en nogmaals bevestigd dat hij zijn asielaanvraag wilde intrekken. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, volgt uit het verslag van het aanmeldgehoor dus duidelijk dat appellant zijn asielaanvraag heeft ingetrokken en dat ook daadwerkelijk beoogde. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 8 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4715, onder 3.1.

2.2. Omdat appellant tijdens het aanmeldgehoor op 7 maart 2025 te kennen heeft gegeven zijn asielaanvraag in te trekken, had de minister vanaf dat moment twee dagen de tijd om de grondslag van de maatregel van bewaring om te zetten naar artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vw 2000. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 8 oktober 2025, onder 3.1 en 3.3. De minister heeft de grondslag van de bewaring echter niet omgezet. Gelet hierop was de bewaring met ingang van 7 maart 2025 onrechtmatig. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 22 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6279, onder 3.4.

2.3. De grief slaagt.

3. De Afdeling ziet ambtshalve geen reden om de bewaring vanaf een eerder moment dan 7 maart 2025 onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond. Omdat de maatregel van bewaring al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. Appellant heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). De Afdeling kent deze vergoeding daarom aan appellant toe. De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 24 maart 2025 in zaak nr. NL25.9962;

III. verklaart het beroep gegrond;

IV. kent aan appellant een vergoeding toe van € 2.500,00 over de periode van 7 maart 2025 tot en met 31 maart 2025, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;

V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.

w.g. Wissels

voorzitter

w.g. Vos

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2026

644-1086

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?