202505456/1/R3 en 202505456/2/R3.
Datum uitspraak: 28 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:
[verzoeker], wonend in Lisse,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 september 2025 in zaak nr. 23/7483 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
het college van burgemeester en wethouders van Lisse.
Procesverloop
Bij besluit van 18 april 2023 heeft het college een last onder dwangsom opgelegd aan [verzoeker]. Daarin wordt [verzoeker] gelast wordt om de bewoning van het bedrijfspand op de [locatie 1] in Lisse (hierna: het bedrijfspand) te beëindigen en beëindigd te houden.
Bij besluit van 9 oktober 2023 heeft het college het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 september 2025 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.
Ook heeft [verzoeker] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[verzoeker] heeft nadere stukken ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op zitting behandeld op 2 december 2025. [verzoeker] en het college zijn verschenen. [verzoeker] is bijgestaan door mr. M. Raaijmakers, advocaat in Hoofddorp. Het college is vertegenwoordigd door mr. L.M. Hansen.
Overwegingen
Uitspraak in de hoofdzaak
1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
2. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.
Bij besluit van 18 april 2023 heeft het college aan [verzoeker] een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
3. [verzoeker] woont in het bedrijfspand. Het bedrijfspand staat op gronden waarvoor de bestemming "Bedrijventerrein" is toegekend in het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen Lisse". Volgens het college is bewoning op deze bestemming niet toegestaan en overtreedt [verzoeker] daardoor artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Daarom heeft het college een last onder dwangsom opgelegd aan [verzoeker] waarin gelast wordt om de bewoning van het bedrijfspand te beëindigen en beëindigd te houden.
[verzoeker] komt op tegen het opleggen van de last onder dwangsom, onder meer omdat het college volgens hem gerechtvaardigde verwachtingen bij hem heeft gewekt dat hij in het bedrijfspand mocht wonen.
4. De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage.
De uitspraak van de rechtbank
5. De rechtbank komt in haar uitspraak tot het oordeel dat het college de last onder dwangsom op juiste gronden heeft opgelegd. Het beroep is daarom ongegrond verklaard. De rechtbank overweegt voor zover hier van belang als volgt.
Eerst overweegt de rechtbank dat niet ter discussie staat dat [verzoeker] aan de [locatie 1] woont en dat het bestemmingsplan wonen ter plaatse niet toestaat. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. [verzoeker] heeft niet aannemelijk gemaakt dat er toezeggingen zijn gedaan waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon of mocht afleiden dat het college niet over zou gaan tot handhaving van de bestemmingsplanregels.
Dat het college niet eerder tegen het strijdige gebruik van het bedrijfspand als woning is opgetreden leidt niet tot het oordeel dat niet meer handhavend kan worden opgetreden. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om de toezichthouder als getuige op te roepen, nu het horen van de toezichthouder niet redelijkerwijs kan bijdragen aan de beoordeling van deze zaak.
De hogerberoepsgronden
Verbiedt het bestemmingsplan bewoning van het bedrijfspand?
6. [verzoeker] betoogt dat hij in het bestemmingsplan niet leest dat hij niet in het bedrijfspand mag wonen. Hij verwijst daarbij naar paragraaf 3.1 van de plantoelichting.
6.1. Voor de gronden van het bedrijfspand is de bestemming "Bedrijventerrein" opgenomen in het bestemmingsplan. Artikel 3.1 van de planregels bepaalt dat de voor "Bedrijventerrein" aangewezen gronden bestemd zijn voor verschillende bedrijfsmatige en andere activiteiten. Qua bewoning is alleen een bedrijfswoning toegestaan als hiervoor een specifieke aanduiding "bedrijfswoning" op de verbeelding is opgenomen. Dat is niet het geval voor de gronden van het bedrijfspand. In tegenstelling tot wat [verzoeker] betoogt bepaalt het bestemmingsplan dus dat bewoning van het bedrijfspand niet is toegestaan. Aangezien de planregels op dit punt duidelijk zijn komt geen betekenis toe aan de niet juridisch bindende plantoelichting. De rechtbank heeft daarom terecht geen grond gezien voor het oordeel dat bewoning van het bedrijfspand was toegestaan.
Het betoog slaagt niet.
Zijn er bijzondere omstandigheden om van handhavend optreden af te zien?
7. Uit het voorgaande blijkt dat het bestemmingsplan bewoning van het bedrijfspand niet toestaat. Niet in geschil is dat [verzoeker] in het bedrijfspand woont. [verzoeker] betoogt echter dat er omstandigheden zijn waarom het college van handhavend optreden af had moeten zien. De voorzieningenrechter gaat hieronder in op deze hogerberoepsgronden van [verzoeker].
8. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan.
Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is.
Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
- Vertrouwensbeginsel
9. [verzoeker] betoogt dat de rechtbank had moeten oordelen dat het opleggen van de last onder dwangsom in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Hij voert daarvoor aan dat er vanuit het college gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt dat hij in het bedrijfspand mocht wonen. [verzoeker] stelt dat hij met behulp en toestemming van het college en een maatschappelijk werker van Binnenvest (hierna: de maatschappelijk werker) in het bedrijfspand is gaan wonen. Zij hebben hem ook geholpen bij het inschrijven bij de gemeente op dit adres. Daarbij is opgemerkt dat handhaving mogelijk zou langskomen, maar dat dit geen probleem zou zijn en dat er een regeling met handhaving getroffen zou worden.
[verzoeker] betoogt verder dat de rechtbank de ambtenaar van de gemeente (hierna: de ambtenaar) en de maatschappelijk werker die hem destijds hebben geholpen als getuigen had moeten oproepen. Uit hun verklaringen kan namelijk blijken dat er verwachtingen zijn gewekt, zo stelt [verzoeker]. [verzoeker] heeft in hoger beroep verzocht om deze getuigen alsnog op te roepen.
[verzoeker] betoogt verder dat het college de bewoning heeft gedoogd. Hij voert daarvoor aan dat het college langere tijd niet heeft opgetreden tegen zijn bewoning. Het college zou bij controles het bedrijfspand ook bewust hebben overgeslagen volgens [verzoeker].
9.1. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij/zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe.
9.2. [verzoeker] stond eerst ingeschreven op het adres [locatie 2] in Lisse. Op de gronden van dit adres is ook de bestemming "Bedrijventerrein" opgenomen in het bestemmingsplan. Uit een verslag van Binnenvest blijkt dat [verzoeker] over deze inschrijving op 2 september 2020 contact heeft gehad met de maatschappelijk werker. Toen is aan [verzoeker] medegedeeld dat uit een gesprek met een medewerker van burgerzaken is gebleken dat [verzoeker] zich kan inschrijven. Daarbij is aangegeven dat handhaving mogelijk roet in het eten kan gooien maar dat de gemeente denkt goede afspraken te kunnen maken met handhaving.
Op 3 september 2020 heeft [verzoeker] een Whatsapp-bericht van de ambtenaar ontvangen. Daarin staat dat de ambtenaar van haar collega's van handhaving heeft begrepen dat er in Lisse streng gecontroleerd wordt en dat zij dus niet weet hoe lang het duurt voordat ze bij hem op de stoep staan. [verzoeker] heeft vervolgens na zijn inschrijving, op 23 september 2020 een brief gehad van het college waarin hij erop wordt gewezen dat bewoning op dat adres in strijd is met het bestemmingsplan. In deze brief wordt ook gewezen op de mogelijkheid van handhavend optreden tegen deze strijdige bewoning.
[verzoeker] heeft vervolgens per mail aan de ambtenaar laten weten dat hij per 1 januari verhuist naar het bedrijfspand. Daarop heeft de ambtenaar op 23 december 2020 per e-mail gereageerd. Zij schrijft in deze e-mail dat [verzoeker] hetzelfde probleem houdt als bij zijn vorige adres, dat ook dit adres geen woonfunctie heeft, maar een industrie- en kantoorfunctie en dat [verzoeker] dus ook weer de handhavingsbrief ontvangt. Na zijn inschrijving heeft [verzoeker] op 12 januari 2021 een brief ontvangen met dezelfde strekking als de brief van 23 september 2020.
9.3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er toezeggingen zijn gedaan waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon of mocht afleiden dat het college niet over zou gaan tot handhaving van de bestemmingsplan regels. De voorzieningenrechter ziet in het dossier geen aanknopingspunten dat er vanuit het college toezeggingen zijn gedaan dat niet handhavend opgetreden zou worden tegen de bewoning van het bedrijfspand. Ook niet in de mededeling van de maatschappelijk werker van 2 september 2020. Deze mededeling is gedaan in het kader van de inschrijving van [verzoeker] op de [locatie 2]. Voor zover daarmee al verwachtingen gewekt konden worden voor de [locatie 1], blijkt uit het verslag dat niet is toegezegd dat niet handhavend opgetreden zal worden. Aangegeven is dat gedacht wordt dat er goede afspraken te maken zijn met handhaving.
Voor zover er al sprake zou zijn van een toezegging of andere uitlating, kon en mocht [verzoeker] hier in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet uit afleiden dat het college niet handhavend zou optreden. Vanuit het college zijn juist op meerdere momenten mededelingen aan [verzoeker] uitgegaan dat er gehandhaafd kan worden tegen bewoning die in strijd is met het bestemmingsplan. In de mededeling van 2 september 2020 is dit ook benoemd. Daarna is een dag later, op 3 september 2020, in een Whatsappbericht aangegeven dat er streng gecontroleerd wordt in Lisse. De Afdeling wijst verder op de brief van 23 september 2020, de mail van 23 december 2020 en de brief van 12 januari 2021. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kon en mocht [verzoeker] daarom niet de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat niet handhavend opgetreden zou worden tegen de bewoning van het bedrijfspand.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
9.4. [verzoeker] heeft verzocht om de ambtenaar en maatschappelijk werker als getuige op te roepen. De voorzieningenrechter heeft daartoe geen aanleiding gezien, omdat het horen van die getuige redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak (artikel 8:63, tweede lid, van de Awb). Hierover overweegt de voorzieningenrechter dat zij geen aanknopingspunten in het dossier ziet dat er op enig moment een toezegging zou zijn gedaan dat niet handhavend opgetreden zou worden. Zelfs als uit een getuigenverklaring zou blijken dat er een toezegging is gedaan, dan had [verzoeker] hier in de gegeven omstandigheden niet op mogen vertrouwen gelet op de hoeveelheid uitlatingen vanuit het college dat handhavend opgetreden kon worden.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de rechtbank dan ook terecht geen reden gezien om de ambtenaar en de maatschappelijk werker als getuigen te horen.
Het betoog slaagt ook in zoverre niet.
9.5. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is het enkele tijdsverloop voorafgaand aan een besluit tot handhaving op zichzelf geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college van handhaven moet afzien. Dat is ook niet het geval als het college op de hoogte was van de overtreding. Zie hiervoor de uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3282, onder 9.2.
De rechtbank heeft verder overwogen dat het college toegelicht heeft dat niet direct gecontroleerd is bij het bedrijfspand vanwege andere prioriteiten in de handhaving. Ook heeft het college toegelicht dat het niet controleren bij het bedrijfspand tijdens andere controles kan worden verklaard door de aard van die controles. Zo zijn er controles uitgevoerd die gericht zijn op ondermijning, waarbij niet gecontroleerd wordt op illegale bewoning. [verzoeker] heeft in hoger beroep enkel zijn stelling herhaald dat het college het bedrijfspand heeft overgeslagen bij controles, maar deze toelichting niet bestreden.
De Afdeling ziet daarom in wat [verzoeker] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de rechtbank had moeten oordelen dat het college niet meer handhavend kon optreden omdat het niet eerder handhavend heeft opgetreden.
Het betoog slaagt ook in zoverre niet.
- Gelijkheidsbeginsel
10. [verzoeker] betoogt dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door aan hem een last onder dwangsom op te leggen. Daarvoor voert hij aan dat het college op andere plekken niet handhavend optreedt tegen illegale bewoning.
10.1. De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het oordeel dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. [verzoeker] heeft geen concrete locaties genoemd waar ook bewoning van bedrijfspanden plaatsvindt en waar niet gehandhaafd wordt, zodat een beroep op het gelijkheidsbeginsel al daarom niet slaagt.
Het betoog slaagt niet.
¬- Inschrijving in het Brp
11. [verzoeker] betoogt dat het college aan hem heeft aangegeven dat zij verplicht zijn om hem in te schrijven, maar dat dit niet klopt. Het college is daarom zelf verantwoordelijk voor zijn inschrijving.
11.1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de inschrijving van [verzoeker] in de Basisregistratie personen (hierna: Brp) niet voorligt in deze procedure. De voorzieningenrechter ziet ook geen grond voor het oordeel dat het college vanwege deze inschrijving van handhavend optreden af had moeten zien, ongeacht wat de rol van het college daarin is geweest. Het college had namelijk ook handhavend kunnen optreden als [verzoeker] niet op dit adres was ingeschreven in het Brp. Dat [verzoeker] in het bedrijfspand woont is namelijk niet in geschil. De rechtbank heeft daarom terecht niet geoordeeld dat het college van handhavend optreden af had moeten zien vanwege de inschrijving.
Het betoog slaagt niet.
- Pogingen om een andere woning te vinden
12. [verzoeker] betoogt verder dat handhaving onevenredig is omdat het simpelweg niet lukt om een andere woning te vinden. Daarbij wijst hij op de krapte op de woningmarkt. [verzoeker] stelt verder dat hij veel inspanningen heeft verricht om een vervangende woonruimte te vinden. Daarvoor wijst hij op een overzicht van Woonstichting Stek met zijn reacties op huurwoningen. Daaruit blijkt dat hij tussen 29 maart 2022 en 27 november 2025 op 511 woonruimtes in de omgeving heeft gereageerd, aldus [verzoeker]. Hij stelt dat de reacties voor 29 maart 2022 niet meer terug te halen zijn.
Daarnaast heeft hij zich ingeschreven bij Gapph Vastgoedbeheer waardoor hij ook kan reageren op anti-kraak woningen of tijdelijke bewoning. [verzoeker] voert verder aan dat hij een urgentieverklaring heeft aangevraagd, maar dat deze is afgewezen.
[verzoeker] stelt dat hij niet kieskeurig is in zijn reacties omdat hij eerder negen maanden dakloos is geweest. Bovendien heeft het bedrijfspand geen keuken of badkamer. Omdat hij de zorg heeft voor een ziek kind die in Nieuw-Vennep woont stelt [verzoeker] dat hij echter wel gebonden is aan deze regio.
12.1. Het college heeft de persoonlijke situatie van [verzoeker] en de moeilijkheden om vervangende woonruimte te vinden in het besluit op bezwaar meegewogen. Het college heeft daarin geen aanleiding gezien om van handhavend optreden af te zien, maar wel om [verzoeker] tot en met 31 oktober 2024 de tijd te geven om aan de last te voldoen. De voorzieningenrechter begrijpt dat het voor [verzoeker] lastig is om een vervangende woonruimte te vinden. Echter ziet de voorzieningenrechter hierin geen grond voor het oordeel dat de rechtbank had moeten oordelen dat daarom in het geheel van handhavend optreden afgezien had moeten worden. Met het belang van handhavend optreden is een zwaar belang gemoeid. Daar staan de belangen van [verzoeker] tegenover. Dat er krapte op de woningmarkt is maakt niet dat illegale bewoning moet worden toegestaan. De voorzieningenrechter verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling van 16 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3706, onder 5.3. Het college heeft naar het oordeel van de Afdeling voldoende rekening gehouden met de belangen van [verzoeker] doordat [verzoeker] met het besluit op bezwaar meer dan zeventien maanden de tijd heeft gekregen om de overtreding te beëindigen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
13. Aangezien de betogen van [verzoeker] niet slagen is het hoger beroep ongegrond. De voorzieningenrechter zal de uitspraak van de rechtbank bevestigen.
14. De voorzieningenrechter ziet echter aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, in combinatie met artikel 8:108, van de Awb. Daarvoor overweegt de Afdeling als volgt.
Het college heeft de last onder dwangsom opgeschort tot en met twee weken na de uitspraak van de voorzieningenrechter. Doordat de voorzieningenrechter uitspraak doet, zal [verzoeker] nog twee weken de tijd hebben voordat dwangsommen kunnen verbeuren. Het is niet te verwachten dat [verzoeker] binnen deze twee weken een vervangende woonruimte gevonden heeft. De belangen van [verzoeker] bij een voorlopige voorziening acht de voorzieningenrechter daarom hoog. Daarnaast blijkt uit de door [verzoeker] aangeleverde stukken dat hij daadwerkelijk inspanningen verricht om vervangende woonruimte te vinden.
De voorzieningenrechter zal daarom de last onder dwangsom schorsen tot en met drie maanden na de verzenddatum van deze uitspraak. Dat betekent dat [verzoeker] nog drie maanden na deze uitspraak de tijd krijgt om de bewoning van het bedrijfspand te beëindigen, voordat dwangsommen kunnen verbeuren.
15. Aangezien onmiddellijk uitspraak wordt gedaan in de bodemprocedure zal het verzoek om een voorlopige voorziening worden afgewezen.
16. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Lisse van 18 april 2023, met kenmerk Z-23-293266, tot en met drie maanden na de verzenddatum van deze uitspraak;
III. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L. Brouwers, griffier.
w.g. Van Gastel
voorzieningenrechter
w.g. Brouwers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026
1080
Bijlage
Relevante regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:63
(…)
2. De bestuursrechter kan afzien van het horen van door een partij meegebrachte of opgeroepen getuigen en deskundigen indien hij van oordeel is dat dit redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.
(…)
Wet algemene bepalingen Omgevingsrecht\
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
(…)
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,
(…)
Planregels bestemmingsplan "Bedrijventerreinen Lisse"
3.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijven tot en met categorie 2' bedrijfsmatige activiteiten, behorende tot categorieën 1 t/m 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten, opgenomen in bijlage 1 van deze regels;
b. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijven tot en met categorie 3.1' bedrijfsmatige activiteiten, behorende tot categorieën 1 t/m 3.1 van de Staat van bedrijfsactiviteiten, opgenomen in bijlage 1 van deze regels;
c. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijven tot en met categorie 3.2' bedrijfsmatige activiteiten, behorende tot categorieën 1 t/m 3.2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten, opgenomen in bijlage 1 van deze regels;
d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - metaalbewerkende industrie' tevens een metaalbewerkend bedrijf dat voorkomt in de categorie 4.1 van de Staat van bedrijfsactiviteiten;
e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - constructiewerkplaats' tevens een constructiewerkplaats die voorkomt in de categorie 3.2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten;
f. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - natuursteenbewerkingsbedrijf' tevens een natuursteenbewerkingsbedrijf dat voorkomt in de categorie 3.2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten;
g. kantoren behorende bij de onder a tot en met e genoemde bedrijven mits deze niet meer bedragen dan 50% van het totale bedrijfsvloeroppervlak, met een maximum van 3.000 m²;
h. webwinkels, niet zijnde voor dagelijkse artikelen;
i. ter plaatse van de aanduiding 'kantoor' tevens zelfstandige kantoren met een maximum van 1.000 m2 per kantoor;
j. ter plaatste van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf-kantoor' voor zelfstandige kantoren met een gezamenlijk maximum van 2.700m2;
k. ter plaatste van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf-kantoor 2' voor zelfstandige kantoren met een gezamenlijk maximum van 2.970m2;
l. ter plaatste van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf-kleinschalig kantoor' zelfstandige kantoren met een maximum van totaal 300m2 per kantoor;
m. ter plaatste van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf-kleinschalig kantoor 2' zelfstandige kantoren met een gezamenlijk maximum van 350m2;
n. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van dienstverlening - hondentrimsalon' tevens een hondentrimsalon;
o. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf-massagesalon' tevens een massagesalon;
p. ter plaatse van de aanduiding 'sport' tevens een sportschool;
q. ter plaatse van de aanduiding 'zwembad' tevens een zwembad;
r. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' tevens een bedrijfswoning;
s. ter plaatse van de aanduiding 'laad- en losplaats' tevens voor een loskade ten behoeve van het aangrenzende perceel;
t. ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel' tevens detailhandel met een verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 1.000 m2;
u. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - kringloopwinkel' voor een kringloopwinkel van ten hoogste 1.250 m2;
v. ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel volumineus' voor detailhandel in volumineuze goederen;
w. ter plaatse van de aanduiding 'dienstverlening' tevens voor een thuiszorgwinkel;
x. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - badkamerspeciaalzaak' tevens een badkamerspeciaalzaak;
y. ter plaatse van de aanduiding 'praktijkruimte' tevens voor een praktijkruimte;
z. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - groothandel chemische bestrijdingsmiddelen' tevens een groothandel in chemische bestrijdingsmiddelen;
aa. ter plaatste van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument' tevens voor een monument;
met daaraan ondergeschikt:
bb. detailhandel bij productiebedrijven;
cc. incidentele workshops;
bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals:
dd. ontsluitingswegen en erftoegangswegen;
ee. parkeervoorzieningen;
ff. groenvoorzieningen;
gg. nutsvoorzieningen;
hh. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.