202503326/1/A2.
Datum uitspraak: 28 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Staphorst,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 2 mei 2025 in zaak nr. 24/3365 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Staphorst.
Procesverloop
Bij besluit van 7 februari 2024 heeft het college de aanvraag van [appellante] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.
Bij besluit van 27 juni 2024 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 2 mei 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 22 december 2025. [appellante], vertegenwoordigd door mr. T.P. Tjeerdsma, advocaat in Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door A. Hammenga, hebben via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen. Verder is de coöperatie Wij Duurzaam Staphorst (hierna: WDS), vertegenwoordigd door [gemachtigde], via een videoverbinding als partij gehoord.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat in dit geval de Wet ruimtelijke ordening (Wro), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing is.
Aanvraag
2. [appellante] is eigenares van de vrijstaande woning aan de [locatie] te Staphorst (hierna: de woning). Op 31 mei 2023 heeft [appellante] een tegemoetkoming in planschade aangevraagd. Volgens haar is de woning door een op 3 oktober 2019 verleende en op 27 november 2019 in werking getreden omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan in waarde verminderd. De vergunning is verleend voor het windpark Staphorst en maakt de realisatie van drie windturbines mogelijk.
Besluitvorming
3. Het college heeft onder verwijzing naar een advies van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ) van januari 2024 geweigerd een tegemoetkoming in planschade toe te kennen. SAOZ concludeert dat ten tijde van de aankoop van de woning door [appellante] op 13 december 2018 de planologische ontwikkeling al voorzienbaar was. Op grond van het op 26 september 2018 als start van de procedure voor een milieueffectrapportage openbaar gemaakte concept van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (hierna: de conceptnotitie) was al bekend dat het plangebied in kwestie concreet in beeld was voor een windpark van 3 tot 4 windturbines met een totaal vermogen van ten minste 12 MW. Daarmee wordt [appellante] geacht het risico op de nadelige planologische ontwikkeling te hebben aanvaard. Voor een tegemoetkoming in planschade bestaat daarom geen aanleiding.
4. Bij besluit van 27 juni 2024 heeft het college de weigering onder verwijzing naar het advies van de commissie bezwaarschriften gemeente Staphorst van 10 juni 2024 gehandhaafd.
Uitspraak van de rechtbank
5. De rechtbank heeft geoordeeld dat de planologische ontwikkeling voor [appellante] voorzienbaar was. Volgens haar volgt uit de conceptnotitie, opgesteld door WDS, dat er een plan is om 3 tot 4 windturbines in een nog te bepalen opstelling te realiseren in het aangewezen gebied. Verder staat in de conceptnotitie dat het college in mei 2018 te kennen heeft gegeven medewerking te gaan verlenen aan het plan. Dit is een concreet beleidsvoornemen dat openbaar is gemaakt op 26 september 2018, toen het door het college voor de duur van zes weken ter inzage is gelegd voor de milieueffectenrapportage. Dat nog niet vast lag op welke plek de windturbines exact zouden komen, is niet van belang, omdat het voor de voorzienbaarheid niet vereist is dat het concrete beleidsvoornemen een formele status heeft. [appellante] had volgens de rechtbank op basis van de beleidsnotitie rekening kunnen en moeten houden met de planologische wijziging van het gebied.
6. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Dat bij eerdere planschadeverzoeken (ten onrechte) van een latere (peil)datum is uitgegaan bij het vaststellen van de voorzienbaarheid, doet daaraan niet af. Het gelijkheidsbeginsel strekt namelijk niet zover dat het college een gemaakte fout moet herhalen.
Oordeel van de afdeling
7. De Afdeling bespreekt hieronder de hogerberoepsgronden van [appellante].
Voorzienbaarheid
8. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de planologische ontwikkeling voor haar ten tijde van de aanschaf van de woning voorzienbaar was. Volgens haar is de conceptnotitie niet concreet genoeg. Daarbij wijst zij erop dat de notitie meerdere alternatieve locaties zonder definitieve keuze voor de planologische ontwikkeling aanwijst. Ook is volgens haar de publicatie in De Staphorster onvoldoende voor kenbaarheid van het concrete beleidsvoornemen.
9. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling wordt, bij de beantwoording van de vraag of een planologische wijziging voorzienbaar was, rekening gehouden met een concreet beleidsvoornemen dat openbaar is gemaakt. Voor voorzienbaarheid is niet vereist dat een dergelijk beleidsvoornemen een formele status heeft.
Om op grond van een concreet beleidsvoornemen voorzienbaarheid te kunnen aannemen, moet een redelijk denkend en handelend koper uit de openbaarmaking daarvan kunnen begrijpen op welk gebied dat beleidsvoornemen betrekking heeft, wat de zakelijke inhoud ervan is, en dat hij van de inhoud ervan kan kennisnemen.
Voor het aannemen van voorzienbaarheid is niet vereist dat verwezenlijking van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel volledig en onherroepelijk vaststaat, dat deze maatregel in detail is uitgewerkt of dat de omvang van de nadelige gevolgen met nauwkeurigheid kan worden bepaald. Beslissend is of op het moment van investering de mogelijkheid van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel zodanig kenbaar was, dat hiermee bij de beslissing tot investering rekening kon worden gehouden
Zie de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690, onder 72, 75 en 79.
10. Het college heeft door middel van een formele publicatie op de gemeentepagina in De Staphorster van 25 september 2018 onder de titel ‘Conceptplan Notitie reikwijdte en detailniveau Milieueffectrapportage Windpark’ bekendgemaakt dat vanaf 26 september 2018 tot en met 6 november 2018 voor eenieder ter inzage ligt het ‘Conceptplan: Notitie reikwijdte en detailniveau in kader van milieueffectrapportage windpark Staphorst’. Deze bekendmaking bevat de mededeling dat iedereen gedurende de inzagetermijn in de gelegenheid wordt gesteld om advies over het conceptplan uit te brengen aan het college.
11. Naast de formele publicatie van de terinzagelegging van het conceptplan als hiervoor bedoeld, was op dezelfde gemeentepagina in De Staphorster van 25 september 2018 een artikel gepubliceerd met de titel ‘Inzage conceptplan en inloopavond windpark Staphorst’, waarin onder meer de navolgende passages voorkomen: "De gemeente wil meewerken aan de realisatie van 12 MW aan windenergie in Staphorst. (…) Na beoordeling van de verschillende ingediende initiatieven heeft de gemeente aangegeven medewerking te willen verlenen aan het plan van de lokale coöperatie Wij Duurzaam Staphorst. (…) Het conceptplan ligt vanaf 26 september tot en met 6 november ter inzage. (…) Op woensdag 3 oktober 2018 wordt tussen 19.00 uur en 21.30 uur een inloopavond georganiseerd in de patio van het gemeentehuis. (…)".
12. In het ter inzage gelegde conceptplan is onder meer beschreven het voornemen om een windpark van 3 tot 4 windturbines met een totaal opgesteld vermogen van ten minste 12 MW, inclusief alle bijbehorende civiele en elektrische voorzieningen, te realiseren. Verder is in het conceptplan het gebied, waar dat windpark zou moeten komen, gespecificeerd. Daarbij is de keuze voor de locatie in het buitengebied tussen de spoorlijn Zwolle-Meppel en het staatsbos nadrukkelijk onderbouwd. Voorts bevat het conceptplan in de daarin vooropgestelde samenvatting ervan de navolgende passage: "Eind mei 2018 heeft het college van B&W van de gemeente Staphorst aangegeven planologische medewerking te verlenen aan het project", en bevat het conceptplan in de daarop volgende hoofdtekst de navolgende passage: "Op 15 mei 2018 heeft het college van B&W van de gemeente Staphorst aangegeven planologische medewerking te verlenen aan het project".
13. Over de vraag of hiermee sprake is van een gepubliceerd concreet beleidsvoornemen overweegt de Afdeling als volgt. Van een redelijk denkend en handelend koper die voornemens is een woning aan te kopen in het buitengebied van de gemeente Staphorst, mag verwacht worden dat hij of zij op basis van de - onder 10 bedoelde - formele bekendmaking door het college van de terinzagelegging van het conceptplan met als onderwerp ‘windpark Staphorst’, in combinatie met het - onder 11 bedoelde - begeleidende artikel op de gemeentepagina, zich bewust is van de mogelijke gevolgen van deze informatie. Gezien de aard en omvang van de ruimtelijke uitstraling van een windpark, in combinatie met de in omvang beperkte oppervlakte van het buitengebied van de gemeente waar de realisatie van een windpark denkbaar is, mag van deze koper verwacht worden dat hij ermee rekening houdt dat uit de bekendmaking van het conceptplan, in combinatie met het begeleidende artikel op de gemeentepagina, blijkt van een concreet beleidsvoornemen voor een windpark dat invloed heeft op de omgeving van de woning die de koper overweegt aan te kopen. Uit de formele bekendmaking en het begeleidende artikel op de gemeentepagina in De Staphorster kon een redelijk denkend en handelend koper begrijpen wat de zakelijke inhoud van het concrete beleidsvoornemen - het realiseren van een windpark in het buitengebied van Staphorst - was. Op grond van deze publicaties, in combinatie gelezen, zou die koper aanleiding hebben gezien om zich nader te vergewissen van de inhoud van het ter inzage gelegde conceptplan, waaruit bleek van het concrete beleidsvoornemen. Dat in het conceptplan nog geen definitieve keuze is gemaakt voor het aantal windturbines, voor de precieze locatie ervan binnen het zoekgebied en voor de opstelling ervan, betekent niet dat het beleidsvoornemen onvoldoende concreet is. Niet vereist is immers dat het voornemen tot in detail is uitgewerkt. Ook is niet vereist dat het conceptplan een formele status heeft.
14. De slotsom is dat in het betoog van [appellante] geen grond is te vinden voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] het risico op de planologische ontwikkeling heeft aanvaard.
15. Het betoog slaagt niet.
Gelijkheidsbeginsel
16. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte haar beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft afgewezen. Zij wijst erop dat in eerdere planschadeprocedures voor dezelfde planologische ontwikkeling is uitgegaan van een latere peildatum voor de voorzienbaarheid. SAOZ heeft daarbij als peildatum het moment van terinzagelegging van de ontwerpbeschikking om medewerking aan het plan te verlenen, gehanteerd.
17. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling strekt een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet zo ver dat het college een gemaakte fout moet herhalen. Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:320, onder 5.
18. Hiervoor is vastgesteld dat de planologische ontwikkeling al vanaf 26 september 2018 voorzienbaar was. Het college is op basis van nader onderzoek van SAOZ naar de voorzienbaarheid tot deze conclusie gekomen. Daarmee heeft zij toereikend toegelicht dat haar eerdere standpunt dat de planologische ontwikkeling pas vanaf het moment van terinzagelegging van de ontwerpbeschikking om medewerking aan het plan te verlenen voorzienbaar was, onjuist is en dat zij niet gehouden is deze fout te herhalen.
19. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
20. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
21. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Kouidar, griffier.
w.g. De Groot
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kouidar
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026
1120