202405682/1/A3.
Datum uitspraak: 28 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 juli 2023 in zaak nr. 21/2752 in het geding tussen:
[appellant]
en
de inspecteur van de Belastingdienst.
Procesverloop
Bij uitspraak van 4 juli 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep wegens het niet tijdig bekendmaken van een beschikking van rechtswege ongegrond verklaard.
Het Gerechtshof Den Haag heeft een bij hem door [appellant] ingediend hoger beroep tegen deze uitspraak doorgezonden.
De inspecteur heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
Tijdens de zitting bij de voorzieningenrechter van de Afdeling op 3 april 2025 heeft de inspecteur een besluit van 2 april 2025 overgelegd, waarbij de inspecteur het verzoek van [appellant] om hem zijn integrale dossier toe te sturen heeft afgewezen.
De rechtbank heeft een bij haar ingediend beroep tegen een besluit van 1 mei 2025, waarbij de inspecteur het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 2 april 2025 niet-ontvankelijk heeft verklaard, doorgezonden.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 december 2025, waar [appellant] is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] heeft in augustus 2020 een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) ingediend. Omdat ingebrekestellingen niet hebben geresulteerd in een besluit, heeft hij de inspecteur op 29 januari 2021 verzocht om hem van rechtswege de maximale bestuurlijke dwangsom uit te betalen. De inspecteur heeft bij brief van 5 februari 2021 geweigerd een dwangsombeschikking als bedoeld in artikel 4:18 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te nemen. [appellant] heeft volgens de inspecteur namelijk een Wob-verzoek ingediend en in dat soort zaken is paragraaf 4.1.3.2 van de Awb niet van toepassing, zodat op grond van artikel 15 van de Wob geen dwangsom verschuldigd kan zijn in verband met het niet tijdig beslissen. Omdat de inspecteur niet op grond van artikel 4:18 van de Awb bij besluit van rechtswege de verschuldigde dwangsom heeft vastgesteld en duidelijk heeft gemaakt dat ook niet te zullen gaan doen, heeft [appellant] op grond van artikel 8:55f van de Awb beroep ingesteld wegens het niet (tijdig) afgeven van de dwangsombeschikking.
2. Hangende het hoger beroep heeft de inspecteur alsnog besluiten genomen naar aanleiding van het verzoek van [appellant]. Hierna komt aan de orde of die besluiten in deze procedure kunnen worden betrokken en zo ja, of de door [appellant] hiertegen ingediende gronden slagen. De Afdeling merkt hierbij op voorhand op dat [appellant] in deze procedure zeer veel heeft aangevoerd. Hoewel de Afdeling alle argumenten heeft bezien, zal zij zich hierna beperken tot de kern van wat door [appellant] naar voren is gebracht. Wat [appellant] heeft aangevoerd over andere lopende (belasting)procedures blijft, voor zover dit niet relevant is voor deze zaak, onbesproken.
Rechtbankuitspraak
3. De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] een Wob-verzoek heeft gedaan en dat paragraaf 4.1.3.2 van de Awb, waarin de dwangsomregeling is neergelegd, gelet op artikel 15 van de Wob en artikel 8.2 van de Wet open overheid (hierna: Woo) dan niet van toepassing is. Daarom heeft [appellant] geen recht op een dwangsom. Zij heeft het beroep daarom ongegrond verklaard.
Hoger beroep
4. In hoger beroep betoogt [appellant] allereerst tevergeefs dat hij geen Wob-verzoek heeft ingediend. De rechtbank heeft op basis van de onderwerpregels van diverse e-mails en de inhoud van het verzoek uit augustus 2020 terecht overwogen dat de inspecteur dat verzoek heeft kunnen aanmerken als Wob-verzoek. Zo heeft [appellant] het bij het verzoek zelf gehad over de Wob en hij heeft ook in zijn verzoek om een dwangsombeschikking te nemen zijn oorspronkelijke verzoek aangemerkt als ‘WOB verzoek". Hij was ook duidelijk niet op zoek naar informatie die door hemzelf is verstrekt, zoals bedoeld in artikel 67, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de Awr) en hij heeft in oktober en november 2020 verduidelijkt dat zijn verzoek apart moet worden gezien van zijn verzoek op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming van dezelfde datum. De rechtbank heeft gelet op het vorenstaande terecht overwogen dat de inspecteur het verzoek kon aanmerken als een Wob-verzoek. Omdat paragraaf 4.1.3.2 van de Awb op dergelijke verzoeken niet van toepassing is, heeft de rechtbank terecht overwogen dat [appellant] geen recht heeft op een dwangsom. Het betoog faalt.
5. [appellant] betoogt wel terecht dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beslist op zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit om alsnog een besluit op zijn verzoek te bewerkstelligen. [appellant] heeft oorspronkelijk beroep ingesteld met het formulier voor een beroep niet tijdig beslissen. Hoewel hij op de zitting bij de Afdeling heeft toegelicht dat hij alleen de keuze had tussen dat formulier en een formulier voor een normaal beroep en zijn toelichting op het beroep vooral gaat over het verbeuren van een dwangsom, had de rechtbank naar het oordeel van de Afdeling het ingestelde beroep moeten aanmerken als een afzonderlijk beroep tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek. Uit wat [appellant] heeft aangevoerd komt immers naar voren dat hij klaagt over de lange behandelduur van zijn verzoek door de inspecteur en het daardoor uitblijven van een besluit. Ook is de wens om de informatie alsnog spoedig te verkrijgen aan bod gekomen in de twee fiscale procedures die [appellant] had lopen en die tegelijkertijd door de rechtbank op zitting zijn behandeld. Uit de beschikbare stukken en de uitspraak van de rechtbank kan de Afdeling niet opmaken dat [appellant] zijn beroep, dat is ingesteld met het formulier voor een beroep niet tijdig beslissen en waarin hij rept over de lange behandelduur, heeft willen beperken tot artikel 8:55f van de Awb en dit acht de Afdeling, nu de besluitvorming ook toen al zeer lang op zich liet wachten, niet aannemelijk. Het betoog slaagt.
Conclusie
6. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd, voor zover de rechtbank niet heeft beslist op het beroep niet tijdig beslissen. De uitspraak wordt voor het overige bevestigd. De Afdeling zal het beroep niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaren, omdat [appellant] bij een beslissing op dit beroep geen belang meer heeft. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is een middel om ervoor te zorgen dat de inspecteur een besluit neemt. Doordat de inspecteur bij besluit van 2 april 2025 alsnog op het verzoek van [appellant] heeft beslist, is dat doel inmiddels bereikt.
Beroep tegen de besluiten van 2 april 2025 en 1 mei 2025
7. [appellant] heeft laten weten het niet eens te zijn met de besluitvorming van 2 april 2025 en 1 mei 2025. Gelet op artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van de Awb en wat hiervoor is overwogen over het beroep niet tijdig beslissen, wordt deze besluitvorming geacht onderdeel te zijn van dit geding. In dat verband merkt de Afdeling allereerst op dat al met het besluit van 2 april 2025 in deze procedure een beroep van rechtswege is ontstaan. De inspecteur had het hiertegen ingediende bezwaarschrift ter behandeling moeten doorzenden aan de Afdeling en heeft bij besluit van 1 mei 2025 ten onrechte beslist op dit bezwaar. Nu dit besluit verder gezien de inhoud niet moet worden gezien als een intrekking of wijziging van het besluit van 2 april 2025, als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb, zal de Afdeling dit besluit vernietigen. Wat [appellant] heeft aangevoerd over de besluitvorming zal de Afdeling, voor zover relevant en naar de kern, hierna toetsen.
8. In het besluit van 2 april 2025 heeft de inspecteur het verzoek van [appellant] afgewezen. Hoewel het uitgangspunt onder de Woo is dat informatie wordt verstrekt, geldt dit onder meer niet als de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Awr van toepassing is. Dat is nu volgens de inspecteur het geval. De inspecteur heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4984.
9. Anders dan [appellant] betoogt, is hij door het tijdsverloop bij de behandeling van zijn verzoek, waardoor de Woo van toepassing is geworden, niet benadeeld. Zoals onder meer blijkt uit de uitspraak van 16 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3317, kon de inspecteur immers ook onder de Wob het verzoek van [appellant] afwijzen onder verwijzing naar de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Awr. Nu [appellant] verder duidelijk heeft verzocht om informatie die valt onder de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Awr, en niets heeft aangevoerd over mogelijk aanwezige informatie die wél onder de Wob zou vallen, bestond voor de inspecteur anders dan door [appellant] is bepleit geen reden hem te horen.
10. Het beroep tegen het besluit van 2 april 2025 is ongegrond.
Verzoek om schadevergoeding
11. [appellant] heeft tot slot verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
11.1. De redelijke termijn, die uitgangspunt is voor de afdoening van bestuursrechtelijke geschillen die bestaan uit twee rechterlijke instanties, is in zaken als deze vier jaar. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot verlengen of verkorten van deze termijn. Indien pas bij de Afdeling een beroep op schending van de redelijke termijn wordt gedaan, zoals in dit geval, wordt de vraag of de redelijke termijn is overschreden beoordeeld naar de stand van de zaak op het moment van de uitspraak van de Afdeling, waarbij de duur van de totale procedure in ogenschouw wordt genomen. De redelijke termijn vangt aan op het moment waarop de rechtbank het beroepschrift heeft ontvangen. Dat was in dit geval op 10 februari 2021. De Afdeling, die het hoger beroep mede door een onjuiste rechtsmiddelenclausule pas op 21 augustus 2024 doorgezonden kreeg, doet vandaag uitspraak. Dat betekent dat de redelijke termijn van vier jaar met meer dan een half jaar is overschreden. Deze overschrijding is geheel aan de rechtbank toe te rekenen, zodat de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) zal worden veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding. Met een forfaitair bedrag van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal naar boven wordt afgerond, bedraagt de aan [appellant] toe te kennen schadevergoeding in totaal €1.000,00.
Proceskosten
12. De inspecteur moet de proceskosten vergoeden. Daarbij merkt de Afdeling op dat nu de opgegeven verletkosten niet zijn onderbouwd, in dit geval wordt uitgegaan van een forfaitair bedrag van € 9. Ten aanzien van de reiskosten wordt uitgegaan van het reizen per openbaar vervoer.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 juli 2023 in zaak nr. 21/2752, voor zover zij heeft nagelaten om te beslissen op het beroep over het niet tijdig nemen van een besluit;
III. bevestigt die uitspraak voor het overige;
IV. verklaart het beroep, voor zover dat gaat over het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk;
V. vernietigt het besluit van 1 mei 2025, kenmerk 2025-316-1.1;
VI. verklaart het beroep tegen het besluit van 2 april 2025, kenmerk 2025-316, ongegrond;
VII. veroordeelt de inspecteur van de Belastingdienst tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van deze zaak opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 59,01;
VIII. gelast dat de inspecteur van de Belastingdienst het door appellant betaalde griffierecht ten bedrage van € 274,00 vergoedt;
IX. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) om aan [appellant] een schadevergoeding van € 1.000,00 te betalen.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Sluis
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026
802-1114