202305380/1/A3.
Datum uitspraak: 28 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Stichting Bevrijdingsfestival Brielle, gevestigd in Brielle, gemeente Voorne aan Zee,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 juli 2023 in zaak nr. 22/1969 in het geding tussen:
Stichting Bevrijdingsfestival Brielle
en
de minister van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 8 april 2019 heeft de korpschef van de regionale eenheid Rotterdam aan Stichting Bevrijdingsfestival Brielle toestemming verleend voor het uitvoeren van een re-enactment evenement in de periode 2 mei 2019 tot en met 6 mei 2019.
Bij besluit van 18 maart 2022 heeft de minister het administratief beroep van Stichting Bevrijdingsfestival Brielle tegen het besluit van 8 april 2019 ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 10 juli 2023 heeft de rechtbank het door Stichting Bevrijdingsfestival Brielle daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft Stichting Bevrijdingsfestival Brielle hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Stichting Bevrijdingsfestival Brielle heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 16 oktober 2025, waar Stichting Bevrijdingsfestival Brielle, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en de minister, vertegenwoordigd door mr. I.M. Touwen en mr. J. den Ouden, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Stichting Bevrijdingsfestival Brielle organiseert jaarlijks een re-enactment evenement over de oorlogsjaren 1940-1945 (hierna: evenement) tijdens het bevrijdingsfestival in Brielle. In een re-enactment worden op een zo historisch verantwoord mogelijke manier eenheden, slagen en gebeurtenissen uit de militaire geschiedenis nagespeeld door grote groepen geïnteresseerden. In geschil is of de minister de volgende voorschriften aan de toestemming voor het evenement in 2019 mocht verbinden:
"[…] 5. Deze toestemming is alleen geldig voor het uitbeelden van geüniformeerde militaire eenheden, het is nadrukkelijk verboden voor deelnemers aan de re-enactment uitvoering in burgerkleding wapens mee te voeren of te dragen. Er mogen slechts wapens worden meegevoerd en gedragen die passen binnen het tijdsbeeld van het evenement en deel uitmaken van de uniformen, dan wel van historisch rollend materieel.
[…] 21. Het evenement dient, naast de wettelijke voorschriften, plaats te vinden volgens de voorschriften/reglementen van het Landelijk Platform Levende Geschiedenis.
[…] 23. Het tonen van Nazi-emblemen en attributen is beperkt tot het absoluut noodzakelijke om een historisch correcte uitbeelding (qua uniform en uitrusting) te bewerkstelligen. Zo is het verboden afbeeldingen van Hitler, Nazi-kopstukken, Nazi-vlaggen en eventueel andere symbolen - die duiden op een politieke eerder dan militaire uitbeelding, te tonen. Het brengen van de zogenaamde-Hitlergroet is onder alle omstandigheden verboden. Het zingen of op andere wijze ten gehore brengen van Duitse liederen/teksten met enige Nationaal-Socialistische politieke of raciale associatie is verboden."
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de korpschef toestemming dient te geven voor een re-enactment evenement waarbij wapens worden gedragen. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de korpschef bevoegd was om de hiervoor onder 1 genoemde voorschriften aan de toestemming te verbinden. De rechtbank volgt de korpschef in zijn standpunt dat het voorschrift dat het verboden is om nazi-vlaggen te tonen, gezien het doel van de toestemming, noodzakelijk en geschikt is. De rechtbank vindt dit voorschrift ook niet onevenwichtig. Dat mogelijk eerder wel toestemming voor het tonen van nazi-vlaggen is gegeven en dat het alleen gaat om het tonen van nazi-vlaggen gedurende de anderhalf uur durende Mockbattle, maakt dit niet anders. Ook het voorschrift dat het verboden is voor deelnemers aan het re-enactment evenement om in burgerkleding wapens mee te voeren of te dragen, vindt de rechtbank geschikt, noodzakelijk en niet onevenwichtig. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat, indien mensen in burgerkledij rondlopen met wapens, er geen of nauwelijks onderscheid kan worden gemaakt tussen burgers die deelnemen aan het re-enactment evenement of gewoon als burger met een wapen rondlopen. Dit bemoeilijkt de handhaving en ziet er dreigend uit in de richting van de mensen die niets met het evenement te maken hebben. Verder vindt de rechtbank de verwijzing naar het reglement van het Landelijk Platform Levende Geschiedenis (hierna: LPLG) voor het uitbeelden van het thema ‘duits 2e wereldoorlog’, niet onevenwichtig, ook al is het LPLG slechts een adviserend orgaan. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat geen sprake is van willekeur of schending van het gelijkheidsbeginsel.
Wettelijk kader
3. Het wettelijk kader is opgenomen als bijlage. Deze maakt deel uit van de uitspraak.
Gronden en beoordeling hoger beroep
4. Stichting Bevrijdingsfestival Brielle betoogt, in de kern, dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister de bestreden voorschriften aan het evenement mocht verbinden. Ten eerste is Stichting Bevrijdingsfestival Brielle het niet eens met voorschrift 23: Het tonen van Nazi-emblemen en attributen (hierna: voorschrift 23). De rechtbank heeft niet onderkend dat zij een nazivlag moet kunnen tonen tijdens een toneelspel. Volgens Stichting Bevrijdingsfestival Brielle wordt de "foute" vlag opgehangen om op een correcte historisch verantwoorde wijze tot een uitvoering te komen die de tijdgeest en de openbare ruimte van die oorlogsjaren weerspiegelt, niet om een overtuiging uit te dragen. Ten tweede is Stichting Bevrijdingsfestival Brielle het niet eens met voorschrift 5: Het uitbeelden van geüniformeerde militaire eenheden (hierna: voorschrift 5). De rechtbank heeft niet onderkend dat acteurs in '40-'45 kleding met wapens een toneelstuk moeten kunnen uitvoeren voor de behartiging van een educatief belang. Ook verzetsstrijders moeten volgens Stichting Bevrijdingsfestival Brielle kunnen worden nagespeeld. Stichting Bevrijdingsfestival Brielle is het ten derde niet eens met voorschrift 21 Reglementen van het LPLG (hierna: voorschrift 21). De rechtbank heeft niet onderkend dat een verwijzing naar het reglement van het LPLG te ver gaat nu dat platform door de minister niet is erkend als overkoepelend orgaan. Tot slot heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat geen sprake is van willekeur, omdat de korpschef in andere regio’s minder strenge voorschriften aan de toestemming verbindt. Volgens Stichting Bevrijdingsfestival Brielle is de burgemeester, niet de korpschef, in het kader van de handhaving van de openbare orde en veiligheid bevoegd om dergelijke voorschriften te stellen.
5. Ingevolge artikel 6 van de Wet wapens en munitie (hierna: Wwm) kunnen de in deze wet genoemde erkenningen, consenten, vergunningen, verloven, vrijstellingen en ontheffingen onder beperkingen worden verleend. Voorts kunnen er voorschriften aan worden verbonden.
6. De bevoegdheid om voorschriften te stellen onder artikel 6 van de Wwm wordt beperkt door het doel van de wet. De Wwm heeft ten doel de openbare orde en veiligheid te waarborgen door het illegale bezit van wapens en munitie te bestrijden en legaal bezit zoveel mogelijk te beheersen (zie Kamerstukken II 2020/21, 33033, nr. 29 en Kamerstukken II, 1976-1977, 14413, nrs. 1-3, p. 27).
7. De Afdeling zal hieronder per voorschrift beoordelen of de minister voldoende heeft gemotiveerd dat het voorschrift strekt ter bescherming van het hiervoor beschreven doel van de Wwm. Indien het voorschrift niet strekt ter bescherming van het doel van de Wwm, dan was de minister niet bevoegd dat voorschrift aan de toestemming te verbinden.
Voorschrift 23 Het tonen van Nazi-emblemen en attributen
8. Stichting Bevrijdingsfestival Brielle heeft toegelicht dat de Nazi-vlag 1,5 uur aan een pand wordt opgehangen tijdens de opvoering van een toneelstuk in de openbare ruimte (de zogenoemde Mockbattle) waarin Brielle wordt bevrijd van de Duitse bezetter. De opvoering speelt zich af tijdens de Tweede Wereldoorlog. Stichting Bevrijdingsfestival Brielle voert aan dat de "foute" vlag wordt opgehangen om op een correcte historisch verantwoorde wijze tot een uitvoering te komen die de tijdgeest en de openbare ruimte van die oorlogsjaren weerspiegelt, niet om een overtuiging uit te dragen.
9. De minister stelt zich op het standpunt dat het voorschrift strekt ter voorkoming van ongeregeldheden en ter voorkoming van gevoelens van angst en onrust bij het publiek. Om die reden heeft de minister bepaald dat het niet is toegestaan om Nazi-emblemen en attributen tijdens het evenement te tonen.
10. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat het voorschrift strekt ter bescherming van het doel van de Wwm, zoals hiervoor weergegeven in rechtsoverweging 6. De door de minister gegeven toelichting dat het voorschrift dient ter voorkoming van ongeregeldheden en gevoelens van angst en onrust bij het publiek, ziet op een algemeen belang van openbare orde, maar legt geen verband met het specifieke doel van de Wwm. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit betekent dat de korpschef niet bevoegd was om dit voorschrift te stellen.
11. Het betoog slaagt in zoverre.
Voorschrift 5 Het uitbeelden van geüniformeerde militaire eenheden
12. Stichting Bevrijdingsfestival Brielle betoogt dat het voor het behartigen van een educatief belang noodzakelijk is dat acteurs in burgerkleding uit de jaren ’40-’45, met wapens, een Mockbattle moeten kunnen uitvoeren. Het naspelen van verzetsstrijders is volgens Stichting Bevrijdingsfestival Brielle essentieel, omdat de Mockbattle een volledige weergave van historische gebeurtenissen beoogt.
13. De minister stelt zich op het standpunt dat er in de praktijk nauwelijks onderscheid kan worden gemaakt tussen deelnemers van het evenement of een burger met een wapen. Dit bemoeilijkt volgens de minister de handhaving van de openbare orde en veiligheid en veroorzaakt bovendien een dreigend effect voor omstanders die geen deel uitmaken van het evenement. Om die reden heeft de minister bepaald dat het niet is toegestaan dat acteurs in burgerkleding uit de jaren ’40-’45 wapens bij zich dragen.
14. Op de zitting van de Afdeling heeft de minister verklaard geen bezwaar te hebben tegen het uitbeelden van verzetsstrijders met wapens tijdens de Mockbattle, als de wapens direct na afloop van de Mockbattle worden ingenomen en er geen sprake is van vermenging tussen acteurs met wapens en het publiek. Omdat de minister op de zitting heeft erkend dat het voorschrift te ver gaat, slaagt het betoog van Stichting Bevrijdingsfestival Brielle. De eerder gegeven toelichting van de minister biedt onvoldoende onderbouwing dat het voorschrift noodzakelijk is ter bescherming van het doel van de Wwm. Anders dan de rechtbank is de Afdeling daarom van oordeel dat de korpschef niet bevoegd was om dit voorschrift te stellen.
15. Het betoog slaagt in zoverre.
Voorschrift 21 Reglementen van het LPLG
16. Stichting Bevrijdingsfestival Brielle betoogt dat het te ver gaat om een reglement te volgen dat is opgesteld door een private partij die niet als overkoepelend orgaan is erkend. De minister heeft het reglement van het LPLG niet erkend en daarmee ontbreekt een grondslag voor het verplicht volgen van dit reglement.
17. De minister stelt zich op het standpunt dat het reglement van het LPLG dient als landelijk uitgangspunt voor het waarborgen van de openbare orde en veiligheid.
18. Stichting Bevrijdingsfestival Brielle heeft weliswaar aangevoerd dat het volgen van een reglement van een niet-erkende private partij te ver gaat, maar heeft niet toegelicht met welke bepalingen uit het reglement zij het oneens is. Stichting Bevrijdingsfestival Brielle heeft op de zitting van de Afdeling verklaard geen inhoudelijke bezwaren te hebben tegen de regels uit het reglement van het LPLG. Zij heeft gelet op het voorgaande daarom geen belang bij een bespreking van de vraag of de korpschef dit voorschrift mocht stellen.
Verbod op willekeur en het gelijkheidsbeginsel
19. De overige grond die de Stichting Bevrijdingsfestival Brielle in hoger beroep heeft aangevoerd en hiervoor in overweging 4 is weergegeven, is zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die grond ingegaan. Stichting Bevrijdingsfestival Brielle heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die grond in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 3.2 opgenomen overweging, waarop dat oordeel is gebaseerd.
20. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
21. Het hoger beroep is gegrond. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom voorschriften 5 en 23 noodzakelijk zijn ter bescherming van het doel van de Wwm en had deze voorschriften daarom niet aan de toestemming voor het evenement mogen verbinden. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 18 maart 2022 alsnog gegrond verklaren. De Afdeling zal dat besluit vernietigen. Het besluit van 8 april 2019 zal worden herroepen, voor zover dit besluit verplicht tot naleving van voorschriften 5 en 23. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
22. Stichting Bevrijdingsfestival Brielle heeft verzocht om de minister te veroordelen in de proceskosten, omdat zij een rechtsbijstandverlener heeft ingeschakeld. Van beroepsmatige verleende rechtsbijstand is sprake indien de proceshandelingen worden uitgevoerd door een rechtshulpverlener. De kosten van advies bij het opstellen van een op eigen titel ingediend (hoger)beroepschrift voldoen niet aan dit uitgangspunt. In dit geval is er geen professionele rechtsbijstandverlener verschenen op de zitting in beroep en hoger beroep. Het beroepschrift en het hogerberoepschrift zijn ook niet door een professionele rechtsbijstandverlener opgesteld en ingediend. Voor een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 juli 2023 in zaak nr. 22/1969;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van de minister van Justitie en Veiligheid van 18 maart 2022, met kenmerk WBM 1991, voor zover dit besluit verplicht tot naleving van voorschriften 5 en 23;
V. herroept het besluit van 8 april 2019 van de korpschef van politie, voor zover dit besluit verplicht tot naleving van voorschriften 5 en 23;
VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
VII. gelast dat de minister van Justitie en Veiligheid aan Stichting Bevrijdingsfestival Brielle het door haar voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 913,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y. Soffner, griffier.
w.g. Daalder
voorzitter
w.g. Soffner
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026
818 - 1101
BIJLAGE
Wettelijk kader
Wet wapens en munitie
Artikel 4
1. Onverminderd de artikelen 4 en 9 van verordening (EU) nr. 258/2012 kan Onze Minister van bij of krachtens deze wet vastgestelde voorschriften of verboden vrijstelling of, op daartoe strekkend verzoek, ontheffing verlenen voor daarbij te omschrijven wapens of munitie, behorend tot een van de volgende groepen:
a. wapens die niet voor gebruik als zodanig geschikt te maken zijn;
b. wapens die het karakter dragen van oudheden;
c. andere wapens, voor zover deze bestemd zijn voor dan wel deel uitmaken van een verzameling of een wandversiering;
d. munitie, voor zover deze bestemd is voor dan wel deel uitmaakt van een verzameling;
e. toestellen en voorwerpen voor beroeps-, hulpverlenings-, trainings- en sportdoeleinden;
f. monster-, demonstratie- of testmateriaal en rekwisieten;
g. noodsignaalmiddelen en de daarvoor bestemde munitie.
[…]
Artikel 6
De in deze wet genoemde erkenningen, consenten, vergunningen, verloven, vrijstellingen en ontheffingen kunnen onder beperkingen worden verleend. Voorts kunnen er voorschriften aan worden verbonden.
Artikel 27
1. Het is verboden een wapen van de categorieën II, III en IV te dragen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op personen die:
a. houder zijn van een verlof als bedoeld in artikel 29, voor zover dit verlof reikt;[…]
Artikel 28
1. Verlof tot het voorhanden hebben van een wapen en munitie wordt, uitsluitend voor wapens en munitie behorend tot categorie III, verleend door de korpschef.
2. Een verlof wordt verleend indien:
a. een redelijk belang de verlening van het verlof vordert;
[…]
artikel 29
1. Indien een redelijk belang dit vordert, kan de instantie die een verlof tot het voorhanden hebben van een wapen van categorie III verleent of heeft verleend, bepalen dat dit verlof ook betrekking heeft op het dragen van dit wapen.
2. Wanneer aan het eerste lid toepassing is gegeven, wordt dit in het verlof vermeld.
3. Indien een redelijk belang dit vordert, kan de in artikel 28, eerste lid, bedoelde instantie verlof verlenen tot het dragen van een wapen van categorie IV.
Regeling wapens en munitie
Artikel 31
1. Van het verbod van artikel 27, eerste lid, van de wet, wordt vrijstelling verleend voor het in een optocht meevoeren van wapens van categorie III of IV.
[…]
Circulaire wapens en munitie 2018
1.2. Categorieën wapens en munitie
De WWM heeft ten doel de openbare orde en veiligheid te waarborgen door het illegale bezit van wapens en munitie te bestrijden en legaal bezit zoveel mogelijk te beheersen. In de wapenwetgeving is omschreven welke voorwerpen als wapen worden aangemerkt en wat onder munitie moet worden verstaan.
[…]
4.1.3. Het dragen van wapens tijdens re-enactment uitvoeringen
Artikel 31 van de Regeling wapens en munitie is mede van toepassing op re-enactment-uitvoeringen. Leden van een vereniging welke (middels het lidmaatschap) is aangesloten bij een door de Minister van Justitie en Veiligheid erkende koepelorganisatie, zoals het ‘Landelijk Platform Levende Geschiedenis’, kunnen derhalve eerst replica’s of ‘moderne’ vuurwapens bij een re-enactment-uitvoering meevoeren (dragen) nadat hen voor het voorhanden hebben daarvan een verlof/ontheffing is verleend en de burgemeester en de korpschef schriftelijk toestemming hebben verleend voor de re-enactmentuitvoering. Daarbij mogen zij slechts die wapens dragen die passen binnen het tijdsbeeld en deel uitmaken van hun uniformen. Voor zover het gaat om optochten is slechts toestemming van de van de burgemeester vereist.
[…]
4.1.5. Voorwaarden voor de verlening van een verlof/ontheffing
Gelet op het door de Minister van Justitie en Veiligheid ter zake gevoerde (restrictieve) beleid zijn aan de verlening van een verlof/ontheffing tot het voorhanden hebben van vuurwapens, de volgende voorwaarden verbonden:
1. De aanvrager dient minimaal 18 jaar oud te zijn, van deze minimumleeftijdsgrens kan niet worden afgeweken;
2. De aanvrager dient minimaal één jaar lid te zijn van een re-enactment vereniging welke is aangesloten bij een door de Minister van Justitie en Veiligheid erkende koepelorganisatie, zoals het ‘Landelijk Platform Levende Geschiedenis’ en die blijkens de in een notariële akte opgenomen statuten tot doel heeft haar leden in de gelegenheid te stellen om op een serieuze en historisch verantwoorde wijze gestalte te geven aan de enscenering van historische legereenheden, veldslagen en andere militaire gebeurtenissen;
3. De aanvrager dient een kopie van het bewijs van lidmaatschap te overleggen alsmede een verklaring van een door de Minister van Justitie en Veiligheid erkende koepelorganisatie, zoals het ‘Landelijk Platform Levende Geschiedenis’, waaruit blijkt dat de desbetreffende vereniging (dan wel een werkgroep binnen die vereniging) zich op serieuze wijze bezig houdt met re-enactment van de historische periode waarvoor het verlof of de ontheffing wordt aangevraagd;
4. De, krachtens verlof of ontheffing, voorhanden te houden wapens zijn uitsluitend (replica’s van) zwartkruit wapens of voor het schieten met scherpe munitie duurzaam ongeschikt gemaakte moderne vuurwapens hetgeen dient te blijken uit een schriftelijke verklaring van een erkende wapenhandelaar.
4.1.6. Voorschriften en beperkingen
Aan het verlof dienen de volgende beperkingen en voorschriften te worden verbonden:
Beperkingen:
1. De wapens worden voorhanden gehouden op het op het verlof vermelde adres;
2. De wapens worden uitsluitend gedragen op plaatsen waar de door de vereniging georganiseerde re-enactment-uitvoeringen plaatsvinden;
3. De wapens mogen niet voorhanden worden gehouden/gebruikt bij film- of theaterproducties;
4. Het dragen op de onder 2 genoemde plaatsen is slechts toegestaan indien de verantwoordelijke burgemeester en de korpschef schriftelijk toestemming hebben verleend aan de vereniging om de re-enactment-uitvoering te houden.
Voorschriften:
1. Het vervoer van de wapens vindt plaats langs de weg en binnen het tijdsbestek welke daar redelijkerwijze voor geboden zijn;
2. De wapens dienen tijdens het vervoer op een zodanig deugdelijke wijze te zijn verpakt, dat zij niet voor onmiddellijk gebruik geschikt zijn;
3. Bij intrekking of bij het verlopen van de geldigheid van het verlof (ontheffing) dient het verlof onverwijld ingeleverd te worden bij de korpschef;
4. De houder van het verlof houdt zich strikt aan de bepalingen, gesteld bij of krachtens de Wet wapens en munitie, alsmede aan de in het verlof vermelde voorschriften en beperkingen.
Op het verlofdocument kan worden aangegeven dat tevens verlof tot vervoer en verlof tot het voorhanden hebben van de bijbehorende munitie (eventueel ook als accessoire) wordt verleend. […]