202502474/1/A2.
Datum uitspraak: 28 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Amsterdam,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 maart 2025 in zaak nr. 24/4440 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college).
Procesverloop
Bij besluit van 1 februari 2024 heeft het college de aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen.
Bij besluit van 4 juli 2024 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 26 maart 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 23 december 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. G.J. Mulder, advocaat in Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. F.M.E. Schuttenhelm, via videoverbinding hebben deelgenomen aan de zitting.
Overwegingen
1. [appellant] is dakloos geworden nadat hij in 2023 is gescheiden van zijn ex-partner. Hij heeft tijdelijke opvang gekregen in de noodopvang, maar deze plek is volgens hem niet passend gelet op zijn medische problematiek. Hij heeft daarom een urgentieverklaring aangevraagd om met voorrang in aanmerking te komen voor een sociale huurwoning.
Besluitvorming
2. Het college heeft de aanvraag van [appellant] afgewezen. Op grond van artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Huisvestingsverordening 2020 (hierna: de huisvestingsverordening) weigert het college een urgentieverklaring te verlenen als het huisvestingsprobleem kan worden opgelost door gebruik te maken van een andere voorziening die, gelet op de aard en het doel, wordt geacht voor het oplossen van het huisvestingsprobleem van de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Voor [appellant] was een traject opgestart bij de GGD voor Maatschappelijke Opvang en Beschermd Wonen en zijn woonprobleem kan dus worden opgelost met een voorliggende voorziening. In bezwaar heeft het college dit besluit gehandhaafd. Het college heeft in wat [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding gezien om op grond van de hardheidsclausule af te wijken van het beleid.
De uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] ongegrond verklaard. [appellant] heeft een indicatie gekregen voor beschermd wonen en staat hiervoor op de wachtlijst. Dat [appellant] inmiddels al lange tijd op de wachtlijst staat, betekent niet dat hij daardoor recht heeft op een urgentieverklaring. Hiervoor moet hij in die procedure bezien of het mogelijk is om dit traject te versnellen. Ook de rechtbank heeft in de door [appellant] aangevoerde omstandigheden geen aanleiding gezien voor toepassing van de hardheidsclausule.
Beoordeling van het hoger beroep
4. Hangende hoger beroep heeft [appellant] op grond van zijn indicatie voor beschermd wonen een woning toegewezen gekregen van de zorginstelling Fier op ontwikkeling. In deze woning is 24 uur per dag toezicht en wordt beoordeeld welke zorgbehoefte [appellant] heeft. Voor zover mogelijk wordt onder begeleiding toegewerkt naar zelfstandig wonen.
5. Hoewel met het verblijf in de woning van de zorginstelling op dit moment is voorzien in de huisvestingsbehoefte van [appellant], betekent dit niet dat hij geen belang meer heeft bij een uitspraak van de Afdeling. Het hoger beroep van [appellant] richt zich namelijk op de vraag of de indicatie voor beschermd wonen een voorliggende voorziening is als bedoeld in artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder d, van de huisvestingsverordening. [appellant] stelt zich op het standpunt dat hij in het verleden altijd zelfstandig heeft gewoond en dat hij zichzelf goed in staat acht om met behulp van zijn netwerk zelfstandig te wonen. Hij vindt daarom dat hij aanspraak moet kunnen maken op een urgentieverklaring.
6. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college terecht de urgentieaanvraag heeft geweigerd omdat de indicatie voor beschermd wonen een voorliggende voorziening is. De Afdeling begrijpt dat [appellant] graag zelfstandig wil wonen. Uit de overgelegde stukken blijkt echter dat er grote twijfels zijn of hij hiertoe op dit moment in staat is. Bij zelfstandig wonen bestaat het risico dat [appellant] tegen ondersteuningsvragen aanloopt die niet beantwoord kunnen worden, waardoor er mogelijk nieuwe problemen ontstaan. Daarom is beschermd wonen op dit moment een voorliggende voorziening om het huisvestingsprobleem van [appellant] op te lossen. Als vast komt te staan dat [appellant] op zichzelf kan wonen, dan kan hij vanuit dit traject doorstromen naar een zelfstandige woning.
7. Op de zitting heeft [appellant] laten weten dat zijn huidige verblijfplaats beter is dan de noodopvang, maar dat hij graag een zelfstandige woning wil om zijn kinderen te ontvangen. Die wens begrijpt de Afdeling, maar dit leidt niet tot een ander oordeel. De Afdeling wijst [appellant] erop dat hij hulp kan vragen bij de omgang met zijn kinderen, dit aspect hoort namelijk ook bij de zorg en begeleiding die bij de indicatie beschermd wonen wordt geboden.
Conclusie
8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
9. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Rietveld, griffier.
w.g. Blomberg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Rietveld
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026
1064