202407679/1/A2.
Datum uitspraak: 28 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
de Vereniging Ons Middelbaar Onderwijs (hierna: OMO), gevestigd in Tilburg,
appellante,
en
de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 18 april 2024 heeft de minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs de aanvraag van OMO om een cursus internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs in aanmerking te brengen voor bekostiging, afgewezen.
Bij besluit van 7 november 2024 heeft de staatssecretaris het door OMO daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft OMO beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
OMO heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 oktober 2025, waar OMO, vertegenwoordigd door mr. E.M. Koolhaas, bijgestaan door mr. N.J.A.P.B. Niessen en mr. C.J.J. Bottemanne, advocaten in Eindhoven, tezamen met S. Bron van adviesbureau Decisio, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M. van Hattum, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. OMO is het bevoegd gezag van het Sondervick College in Veldhoven. Onderdeel van het Sondervick College is de Sondervick International School (hierna: SIS). OMO biedt daar onder meer internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs (hierna: IGVO) aan.
2. Onder het IGVO vallen onder meer het International Baccalaureate Middle Years Programme (hierna: IB MYP), het International Baccalaureate Diploma Programme (hierna: IB DP) en het International Baccalaureate Career Programme (hierna: IB CP). Het IB MYP duurt vier of vijf jaar en is te vergelijken met de onderbouw van de middelbare school. Het IB DP en IB CP zijn alternatieve programma’s van de bovenbouw voor een duur van twee jaar. Het IB DP is gericht op algemene vorming, terwijl het IB CP is gericht op beroepsvorming.
3. De SIS beoogt aanvullend te zijn op het aanbod van de International School Eindhoven (ISE), waar IB MYP en IB DP worden aangeboden maar geen IB CP. Op de SIS wordt daarom alleen het IB MYP en IB CP aangeboden.
4. De relevante regelgeving staat in de bijlage van deze uitspraak.
Besluitvorming
5. Volgens de staatssecretaris voldoet de aanvraag van OMO niet aan de vereisten van de Beleidsregel IGVO 2021 (hierna: de beleidsregel). Hij kan niet redelijkerwijs aannemen dat de door de SIS beoogde cursussen IB MYP en IB CP na zes en tien jaar door ten minste 120 toelaatbare leerlingen zullen worden gevolgd (zie artikel 3 en artikel 9 van de beleidsregel). OMO heeft een prognose van onderzoeks- en adviesbureau Decisio overgelegd. In de prognose van 765 potentiële leerlingen na tien jaar is volgens de staatssecretaris geen onderscheid gemaakt tussen het aantal potentiële IB DP-leerlingen en IB CP-leerlingen. De staatssecretaris wijst erop dat OMO geen IB DP aanbiedt. Het is niet duidelijk hoeveel leerlingen van het potentieel specifiek belangstelling zal hebben voor IB CP en dat zullen volgen. Op basis van data van andere scholen waar IGVO wordt aangeboden, neemt de staatssecretaris aan dat het aandeel IB CP-leerlingen, van de totale groep van IB CP- en IB DP-leerlingen, 10 procent is. Verder heeft het uitsluitend aanbieden van IB CP in de bovenbouw invloed op het aantal leerlingen, dat op de SIS het IB MYP zal (willen) volgen. Dit zou betekenen dat er slechts 10 procent van de 765 door OMO geprognotiseerde leerlingen, dus 77 leerlingen, zijn die de cursus na tien jaar zullen volgen.
6. Dat de SIS is gevestigd in de Brainportregio, waar veel internationale (technologische) bedrijven gevestigd zijn, betekent verder niet dat er voldoende leerlingen zijn die de combinatie van IB MYP en IB CP zullen volgen. Dat is met de overgelegde prognose niet aangetoond.
Beroep
7. OMO voert primair aan dat de bij haar aanvraag overgelegde prognose van het aantal leerlingen voldoende behoefte aan haar aanbod, als bedoeld in de beleidsregel, van IGVO aantoont. Het maken van een onderscheid tussen IB CP en IB DP-leerlingen is op grond van de beleidsregel niet vereist. Daarnaast wordt IB CP sinds kort bekostigd aangeboden in Nederland, zodat de staatssecretaris niet uit kan gaan van een aandeel van 10 procent van IB CP-leerlingen, welk percentage de staatssecretaris uit de weinige beschikbare data heeft afgeleid.
8. OMO betoogt subsidiair dat zij, met de overgelegde aanvullende prognose van 25 juni 2024 van Rebel, waarin de IB CP- en IB DP-leerlingen zijn uitgesplitst op basis van een vergelijking met havo- en vwo-leerlingen, heeft onderbouwd dat er genoeg leerlingen zullen zijn die specifiek IB CP zullen volgen. Er is geen beter vergelijkingsmateriaal beschikbaar. Daarnaast zou het effect van het alleen aanbieden van IB CP niet één op één hetzelfde effect hebben op het aantal IB MYP-leerlingen op de SIS. Verder heeft OMO de plaatsruimte van een nabije school, International School of Eindhoven (ISE), in mindering gebracht op haar potentieel, terwijl daar alleen IB MYP en IB DP wordt aangeboden. De staatssecretaris heeft hier ten onrechte geen rekening mee gehouden.
9. OMO betoogt ook dat de staatssecretaris onvoldoende rekening heeft gehouden met de unieke positie van de Brainportregio en het belang van het versterken van het vestigingsklimaat en het tijdig voorzien in passende onderwijsbehoefte voor kinderen van kenniswerkers. Zij wijst erop dat de Rijksoverheid en de Brainportregio als onderdeel van het project Beethoven € 2,5 miljard hebben uitgetrokken voor onderwijs, kennis en ruimtelijke infrastructuur en dat het bedrijf ASML in de toekomst nog aanzienlijk zal uitbreiden.
Nadere stukken van 26 augustus 2025
10. OMO heeft het besluit van de staatssecretaris van 9 april 2025 overgelegd, waarin hij aan OMO voor de cursussen IGVO bekostiging verleent met ingang van schooljaar 2025-2026. De staatssecretaris moet nog een besluit nemen op het bezwaar daartegen van een derde-belanghebbende.
Oordeel van de Afdeling
Artikel 3, tweede lid, van de beleidsregel
11. De eerste vraag die voorligt is of het aan OMO is om aannemelijk te maken dat voldoende leerlingen haar aanbod van specifiek IB MYP en IB CP zullen volgen.
12. Artikel 3, tweede lid, van de beleidsregel luidt: "De aanvraag […] gaat vergezeld van een prognose waaruit blijkt dat de cursussen IB MYP en IB DP of IB MYP en IB CP zodra deze in alle leerjaren worden aangeboden, door ten minste 120 leerlingen zullen worden gevolgd, die voldoen aan de toelatingseisen als bedoeld in artikel 9, eerste lid."
13. Hoewel in deze bepaling niet expliciet is opgenomen dat het berekende potentieel moet zien op de concreet aan te bieden vormen van IGVO, en niet op alle mogelijke vormen van IGVO, volgt dat naar het oordeel van de Afdeling wel uit een redelijke lezing van de beleidsregel. De staatssecretaris moet op basis van de prognose immers kunnen beoordelen of er voldoende potentieel is voor het aanbod van de aanvrager. De staatssecretaris heeft daarom terecht geconcludeerd dat het aan OMO is om aannemelijk te maken dat er voldoende leerlingenpotentieel is voor haar aanbod van specifiek IB MYP en IB CP.
14. Het betoog slaagt niet.
Berekening van potentieel
15. De volgende vraag die voorligt is of de staatssecretaris zich in zijn besluit van 7 november 2024 op het standpunt mocht stellen dat OMO niet aannemelijk heeft gemaakt dat er voldoende leerlingenpotentieel is. Partijen zijn het erover eens dat het aanbod van IB CP relatief nieuw is en er daarom weinig data beschikbaar is.
16. In de door OMO ingediende aanvulling van de prognose van 9 september 2024 zijn de verschillende stappen van de berekening uitgewerkt. Als laatste stap is de bestaande capaciteit van de ISE van 700 IB MYP- en IB DP-leerlingen in mindering gebracht op het leerlingenpotentieel van de SIS. Onder meer de IB DP-leerlingen van de ISE zijn dus als aftrekpost betrokken in de berekening van het potentieel van de IB CP-leerlingen van OMO.
17. De staatssecretaris is niet uitgegaan van het aldus bepaalde leerlingenpotentieel, maar heeft gewezen op beschikbare data van het Rijnlands Lyceum te Den Haag en scholen van de stichting Esprit, gevestigd te Amsterdam, waar IB CP en ook IB DP worden aangeboden op dezelfde school. Hieruit blijkt volgens de staatssecretaris dat het aandeel IB CP-leerlingen in het totaal van IB CP- en IB DP-leerlingen op die scholen 10 procent bedraagt. De staatssecretaris heeft daarom het aandeel van 10 procent toegepast op het in de prognose berekende potentieel van OMO, dus na de stap in de prognose dat de bestaande capaciteit van IB DP-leerlingen van de ISE in mindering is gebracht op het IB CP-leerlingenpotentieel van OMO.
18. Naar het oordeel van de Afdeling gaat de staatssecretaris met deze vergelijking eraan voorbij dat dan tweemaal rekening wordt gehouden met dezelfde IB DP-leerlingen. Het aandeel van 10 procent van de staatssecretaris ziet namelijk op het aantal IB CP-leerlingen binnen het totaal van IB CP- en IB DP-leerlingen. Dat aandeel kan niet onverkort toegepast worden op de prognose van OMO, omdat daarin reeds de IB DP-leerlingen van de ISE in mindering gebracht zijn op het potentieel. Na aftrek van deze IB DP-leerlingen kan het aandeel IB CP-leerlingen binnen het berekende potentieel van OMO niet maar 10 procent zijn. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de staatssecretaris alleen al hierom onvoldoende gemotiveerd dat uit de prognose van OMO niet blijkt dat haar aanbod van IB MYP en IB CP door voldoende leerlingen gevolgd zal worden.
19. Het betoog slaagt.
Conclusie
20. Het beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt het besluit van 7 november 2024 wegens een motiveringsgebrek. Zij zal de staatssecretaris opdragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met inachtneming van haar uitspraak. De staatssecretaris zal opnieuw moeten beoordelen of OMO met de overgelegde prognose aannemelijk heeft gemaakt dat haar aanbod door voldoende leerlingen gevolgd zal worden.
21. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 7 november 2024, kenmerk BC2400168;
III. draagt de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op om binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen;
IV. veroordeelt de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in de door de Vereniging Ons Middelbaar Onderwijs in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00 welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
V. gelast dat de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het door de Vereniging Ons Middelbaar Onderwijs betaalde griffierecht ten bedrage van € 371,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Schuurman, griffier.
w.g. Daalder
voorzitter
w.g. Schuurman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026
284-1100
Bijlage - Regelgeving
Beleidsregel IGVO 2021
[Geldend van 1-8-2022 t/m 31-7-2024]
Artikel 1
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
[…]
cursus internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs: IB CP, IB DP, IB MYP of een cursus die gericht is op het behalen van het IGCSE;
[…]
Artikel 2
1. Deze beleidsregel heeft betrekking op de wijze waarop de Minister gebruikmaakt van de bevoegdheid tot het voor bekostiging in aanmerking brengen van cursussen internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs.
2. Voor bekostiging kunnen in aanmerking worden gebracht een cursus IB MYP en een cursus IB CP gezamenlijk of een cursus IB MYP en een cursus IB DP gezamenlijk.
Artikel 3
1. Het bevoegd gezag van een school dat in aanmerking wil komen voor bekostiging van de cursussen internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs, dient daartoe een aanvraag in bij de Minister voor 1 november van het jaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de bekostiging wordt gevraagd.
2. De aanvraag vermeldt de vestiging van de school waaraan het bevoegd gezag de cursussen internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs wil gaan aanbieden en gaat vergezeld van een prognose waaruit blijkt dat de cursussen IB MYP en IB DP of IB MYP en IB CP zodra deze in alle leerjaren worden aangeboden, door ten minste 120 leerlingen zullen worden gevolgd, die voldoen aan de toelatingseisen als bedoeld in artikel 9, eerste lid.
3. De prognose heeft betrekking op het verwachte aantal leerlingen:
a. in het zesde en tiende schooljaar na de datum van de aanvraag, bedoeld in het eerste lid;
b. die wonen binnen een redelijke afstand van de vestiging van de school waar de cursussen internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs zullen worden aangeboden.
4. De prognose heeft geen betrekking op leerlingen die binnen een redelijke afstand van een andere school wonen waar zij internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs kunnen volgen en waar voldoende plaatsruimte beschikbaar is, of op leerlingen die buiten het Nederlandse grondgebied wonen.
5. Het afschrift van de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, en de prognose, bedoeld in het derde lid, worden door het bevoegd gezag overgelegd aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de cursussen internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs zullen worden aangeboden. Het college kan op basis van deze documenten binnen vier weken een advies aan de Minister uitbrengen over de behoefte aan uitbreiding van het aanbod aan cursussen internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs in de regio.
6. Indien het bevoegd gezag van een school die voor bekostiging van cursussen internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs in aanmerking is gebracht, het aanbod van cursussen internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs aan die school wil uitbreiden, volstaat een schriftelijke mededeling aan de Minister. Het bevoegd gezag:
a. doet deze mededeling uiterlijk 1 mei voorafgaand aan het schooljaar waarin met de nieuwe cursus internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs wordt gestart; en
b. vermeldt hierin met welke cursus het aanbod wordt uitgebreid, de datum waarop met de desbetreffende cursus zal worden gestart alsmede de vestiging waar deze cursus zal worden aangeboden.
7. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, en de mededeling, bedoeld in het zesde lid, worden gestuurd aan het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, directie Voortgezet Onderwijs, Postbus 16375, 2500 BJ Den Haag.
Artikel 4
1. Bij beoordeling van de aanvraag overweegt de Minister of:
a. de school ten minste de schoolsoorten voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 2.4 van de wet, en hoger algemeen voortgezet onderwijs, bedoeld in artikel 2.5 van de wet, omvat;
b. dit past binnen het uitgangspunt van een evenwichtige landelijke spreiding van het internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs; en
c. op basis van de prognose, bedoeld in artikel 3, tweede lid, en, voor zover van toepassing, het advies van de desbetreffende gemeente, bedoeld in artikel 3, vijfde lid, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de cursussen internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs gezamenlijk binnen zes schooljaren zullen worden bezocht door ten minste 120 leerlingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid.
2. De Minister besluit voor 1 februari daaropvolgend op de aanvraag als bedoeld in artikel 3.
3. Indien cursussen internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht, meldt het bevoegd gezag uiterlijk op 1 mei welke cursus of cursussen op 1 augustus daaropvolgend van start gaat respectievelijk gaan. Binnen twee maanden na die melding verstrekt de Minister een bekostigingsbeschikking aan het bevoegd gezag van de school.
4. Indien cursussen internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht en niet binnen drie jaar na de datum waarop de bekostiging een aanvang had kunnen nemen met één van deze cursussen is gestart, vervalt de aanspraak op bekostiging.
Artikel 9
1. Tot een cursus IB MYP of een cursus IB CP en IB DP kan als leerling worden toegelaten degene die kan aantonen dat hij:
a. een andere dan de Nederlandse nationaliteit bezit en van wie ten minste een van de ouders, voogden of verzorgers voor een tijdelijke periode in Nederland of een grensgebied van Nederland werkzaam is;
b. de Nederlandse nationaliteit bezit en twee jaar of langer in het buitenland onderwijs heeft genoten vanwege het feit dat ten minste een van de ouders, voogden of verzorgers voor een bepaalde tijd in het buitenland werkzaam was; of
c. de Nederlandse nationaliteit bezit en van wie ten minste een van de ouders, voogden of verzorgers blijkens een schriftelijke verklaring van de werkgever binnen twee jaar na het tijdstip van toelating voor ten minste twee jaar in het buitenland werkzaam zal zijn, en die in die periode bij deze ouder, voogd of verzorger zal wonen.
2. Voor een cursus IB MYP geldt bovendien dat als leerling slechts kan worden toegelaten degene die:
a. op het moment van de aanvang van het eerste schooljaar ten minste de leeftijd van 11 jaar heeft bereikt; en
b. voldoende onderwijs heeft genoten om het onderwijs aan de cursus IB MYP met vrucht te kunnen volgen.
3. Voor een cursus IB CP geldt verder dat als leerling slechts kan worden toegelaten degene die:
a. een cursus IB MYP met goed gevolg heeft afgerond; of
b. voldoende onderwijs heeft genoten om het onderwijs aan de cursus IB CP met vrucht te kunnen volgen.
4. Voor een cursus IB DP geldt verder dat als leerling slechts kan worden toegelaten degene die:
a. een cursus IB MYP met goed gevolg heeft afgerond; of
b. voldoende onderwijs heeft genoten om het onderwijs aan de cursus IB DP met vrucht te kunnen volgen.
5. Tot de cursus IB DP en IB CP, verbonden aan het United World College te Maastricht, kan in afwijking van het eerste lid ook als leerling worden toegelaten degene die een andere dan de Nederlandse nationaliteit bezit en niet aan de voorwaarden, bedoeld in dat lid, voldoet.
6. Tot de cursus IB CP kan tevens worden toegelaten een in Nederland woonachtige leerling die niet behoort tot de categorieën, bedoeld in het eerste lid, op voorwaarde dat die leerling:
a. in het bezit is van een bewijsstuk dat hij onvoorwaardelijk is bevorderd tot het vierde leerjaar van een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs; en
b. ten genoegen van het bevoegd gezag aantoont dat hij in staat is onderwijs in de Engelse taal te volgen blijkens een door de leerling over te leggen bewijsstuk.
7. Tot de cursus IB DP kan tevens worden toegelaten een in Nederland woonachtige leerling die niet behoort tot de categorieën, bedoeld in het eerste lid, op voorwaarde dat die leerling:
a. in het bezit is van een diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of van een bewijsstuk, waaruit blijkt dat hij onvoorwaardelijk is bevorderd tot het vijfde leerjaar van een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs; en
b. in staat is het onderwijs in de Engelse taal te volgen blijkens een door de leerling over te leggen bewijsstuk, ten genoegen van het bevoegd gezag.
8. Het bevoegd gezag beslist over toelating van een leerling.