ECLI:NL:RVS:2026:468

ECLI:NL:RVS:2026:468

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 28-01-2026
Datum publicatie 28-01-2026
Zaaknummer 202400986/1/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 3 maart 2022 heeft de minister van Buitenlandse Zaken een aanvraag van [appellant] om een Nederlands paspoort voor zijn minderjarige dochter niet in behandeling genomen. [appellant] heeft op 10 augustus 2021 bij de Nederlandse ambassade in Nairobi een aanvraag voor een Nederlands paspoort ingediend voor zijn minderjarige dochter [dochter]. Bij de aanvraag heeft [appellant] een kopie van een Somalische geboorteakte, een kopie van een Somalische identiteitsbevestiging, een kopie van een Somalisch geboortebewijs van het ziekenhuis, een consulaire verklaring van geboorte, afgegeven door de Somalische ambassade in Brussel, en een huwelijksakte overgelegd. Uit de huwelijksakte blijkt dat [appellant] op [datum] 2017 in Kenia is getrouwd met [partner]. Uit de geboorteakte blijkt dat [dochter] op [geboortedatum] 2021 in Somalië is geboren en dat zij de dochter van [appellant] en [partner] is. [appellant] en [partner] zijn beiden in Somalië geboren. [appellant] heeft in 2007 het Nederlanderschap verkregen.

Uitspraak

202400986/1/A3.

Datum uitspraak: 28 januari 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 januari 2024 in zaak nr. 23/1257 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Buitenlandse Zaken.

Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2022 heeft de minister een aanvraag van [appellant] om een Nederlands paspoort voor zijn minderjarige dochter niet in behandeling genomen.

Bij besluit van 13 januari 2023 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 januari 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 18 december 2025.

[appellant], zijn gemachtigde en de minister hebben zich voor de zitting afgemeld.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant] heeft op 10 augustus 2021 bij de Nederlandse ambassade in Nairobi een aanvraag voor een Nederlands paspoort ingediend voor zijn minderjarige dochter [dochter]. Bij de aanvraag heeft [appellant] een kopie van een Somalische geboorteakte, een kopie van een Somalische identiteitsbevestiging, een kopie van een Somalisch geboortebewijs van het ziekenhuis, een consulaire verklaring van geboorte, afgegeven door de Somalische ambassade in Brussel, en een huwelijksakte overgelegd. Uit de huwelijksakte blijkt dat [appellant] op [datum] 2017 in Kenia is getrouwd met [partner]. Uit de geboorteakte blijkt dat [dochter] op [geboortedatum] 2021 in Somalië is geboren en dat zij de dochter van [appellant] en [partner] is. [appellant] en [partner] zijn beiden in Somalië geboren. [appellant] heeft in 2007 het Nederlanderschap verkregen. Het huwelijk van [appellant] en [partner] staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen van de gemeente Sliedrecht, waar [appellant] staat ingeschreven. [partner] bezit de Somalische nationaliteit en heeft het Nederlanderschap nooit verkregen.

1.1. In de Verkorte verklaring van onderzoek van 18 augustus 2021 heeft Bureau Documenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: Bureau Documenten) geconstateerd dat de Somalische geboorteakte, de identiteitsbevestiging en het geboortebewijs van het ziekenhuis niet kunnen worden onderzocht, omdat het fotokopieën zijn.

1.2. Vervolgens heeft [appellant] een originele, gelegaliseerde Somalische geboorteakte en een originele, gelegaliseerde Somalische identiteitsbevestiging overgelegd. In de Verklaring van onderzoek van 24 januari 2022 heeft Bureau Documenten geconstateerd dat de opmaak en afgifte van deze documenten afwijken van het beschikbare referentiemateriaal en de documenten daarom waarschijnlijk niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. In bezwaar heeft [appellant] een rapport overgelegd waaruit blijkt dat hij en [partner] op basis van DNA-onderzoek de biologische ouders van [dochter] zijn.

1.3. De minister heeft de aanvraag van [appellant] niet in behandeling genomen, omdat op grond van de aangeleverde documenten de identiteit en daarmee het Nederlanderschap van [dochter] niet kan worden vastgesteld. Volgens de minister heeft [appellant] namelijk geen documenten overgelegd die door Bureau Documenten positief zijn bevonden. In dat geval kan een DNA-onderzoek niet leiden tot vaststelling van het Nederlanderschap.

Wettelijk kader

2. De relevante wet- en regelgeving staat in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Uitspraak rechtbank

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister de aanvraag van [appellant] buiten behandeling mocht laten, omdat de identiteit van [dochter] niet kon worden vastgesteld. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat voor de vaststelling van de identiteit de aanvrager van een paspoort identiteits- of reisdocumenten moet overleggen en dat het vaste rechtspraak van de Afdeling is dat de bewijslast om de nodige zekerheid te verschaffen over het gestelde Nederlanderschap bij de aanvrager berust. Ook volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling dat de identiteit en de nationaliteit van de aanvrager buiten twijfel moeten zijn, omdat het verlenen van het Nederlanderschap, vanwege de daaraan verbonden gevolgen, een zaak van groot gewicht is. Verder heeft de rechtbank overwogen dat documenten uit Somalië in Nederland niet worden erkend, wegens het ontbreken van centraal gezag in dat land, maar dat de minister beleid voert dat het niet-erkennen van dergelijke documenten onder bijzondere omstandigheden niet doorslaggevend is. Anders zou dit betekenen dat een kind dat in Somalië is geboren nooit het Nederlanderschap zou kunnen ontlenen aan één van de Nederlandse ouders en dus nooit een Nederlands paspoort zou kunnen krijgen. Dit vindt de minister onwenselijk. Daarom laat de minister de Somalische geboorteakten op echtheid onderzoeken door Bureau Documenten. In het geval de akten positief zijn beoordeeld, laat de minister DNA-onderzoek doen naar de relatie tussen het kind en de gestelde ouders. Bij een positieve uitslag van het DNA-onderzoek kan de minister een Nederlands paspoort aan het kind verstrekken.

3.1. Vervolgens heeft de rechtbank geconcludeerd dat Bureau Documenten in het geval van [appellant] geen van de door hem overgelegde documenten positief heeft bevonden. De rechtbank heeft verwezen naar vaste rechtspraak van de Afdeling waaruit volgt dat een door Bureau Documenten opgestelde verklaring van onderzoek een deskundigenadvies is. De rechtbank heeft overwogen dat Bureau Documenten in de verklaringen van 18 augustus 2021 en 24 januari 2022 heeft toegelicht op welke bevindingen de adviezen zijn gebaseerd en dat er geen aanknopingspunten zijn om te twijfelen aan de inhoudelijke juistheid en zorgvuldige totstandkoming van deze onderzoeken. Dat [appellant] een verklaring van een Somalische advocaat heeft overgelegd waaruit volgt dat de overgelegde geboorteakte toch een kopie betrof, maakt dit volgens de rechtbank niet anders. Omdat er twijfel bestaat over de identiteit en daarmee de nationaliteit van [dochter], kan het door [appellant] overgelegde DNA-onderzoek hem niet baten. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister daarom gehouden was de aanvraag van [appellant] niet in behandeling te nemen.

3.2. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat Bureau Documenten het door [appellant] overgelegde Somalisch geboortebewijs van het ziekenhuis en de consulaire verklaring van geboorte, afgegeven door de Somalische ambassade in Brussel terecht niet heeft onderzocht. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] van het geboortebewijs slechts een kopie heeft overgelegd en de consulaire verklaring geen brondocument is.

Hoger beroep

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister zijn aanvraag niet in behandeling heeft genomen. [appellant] voert aan dat de identiteit van [dochter] wel kan worden vastgesteld en dat het niet in behandeling nemen van de aanvraag leidt tot een sociaal onwenselijke situatie. De identiteit van [dochter] volgt volgens [appellant] uit het feit dat er een rechtsgeldig huwelijk bestaat tussen hem en [partner] en dat met DNA-onderzoek is aangetoond dat zij een biologisch kind hebben. Ook volgt dit uit de documenten die door Bureau Documenten niet zijn onderzocht, omdat deze niet vals zijn bevonden.

Beoordeling van het hoger beroep

5. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 7 tot en met 7.4 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd en die hierboven zijn weergegeven.

Conclusie

6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

7. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y. Soffner, griffier.

w.g. Lange

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Soffner

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026

818-1171

BIJLAGE

Wettelijk kader

Paspoortwet

Artikel 9

1. Iedere Nederlander heeft binnen de grenzen bij deze wet bepaald, recht op een nationaal paspoort, geldig voor tien jaren en voor alle landen.

2. In afwijking van het eerste lid heeft een Nederlander die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, recht op een nationaal paspoort geldig voor vijf jaren en voor alle landen.

Artikel 28

1. De in artikel 26 bedoelde autoriteit verschaft zich de nodige zekerheid over de identiteit en de nationaliteit van de aanvrager, en indien deze geen Nederlander is, tevens met betrekking tot diens verblijfstitel.

2. De aanvrager kan worden verzocht in verband met het in het eerste lid bedoelde onderzoek de nodige bewijsstukken over te leggen.

[…].

Paspoortbesluit 2000

Artikel 2.1

1. Voor het verkrijgen van de nodige zekerheid over de identiteit van de aanvrager, alsmede over zijn Nederlanderschap dan wel zijn behandeling als Nederlander, indien het een persoon betreft op wie de Wet betreffende de positie van Molukkers van toepassing is, wordt gebruik gemaakt van het door de aanvrager overgelegde Nederlandse reisdocument, de door de aanvrager bij de aanvraag verstrekte gegevens, alsmede van de in de basisadministratie dan wel de in het basisregister reisdocumenten opgenomen gegevens of van overige bij de tot uitreiking bevoegde autoriteit aanwezige documenten.

2. Indien onzekerheid bestaat over de identiteit dan wel over het Nederlanderschap van de aanvrager wordt daarnaar een gericht onderzoek ingesteld. Dit onderzoek omvat zoveel mogelijk verificatie van de identiteit dan wel de nationaliteit met behulp van door de aanvrager over te leggen documenten die zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit, waaronder zijn geboorteakte, reisdocumenten die op zijn naam zijn gesteld, dan wel buitenlandse reisdocumenten waarin hij staat vermeld en eventuele andere bewijsstukken.

Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001

Artikel 36

[…]

3. Bij een gericht onderzoek als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van het besluit worden tevens nadere identificerende vragen gesteld.

4. De aanvrager aan wie niet eerder een Nederlands reisdocument is verstrekt, overlegt bij zijn aanvraag andere identiteitsdocumenten die voorzien zijn van zijn foto en handtekening. Indien hij dergelijke documenten niet kan overleggen, is artikel 2.1, tweede lid, van het besluit van overeenkomstige toepassing.

[…].

Artikel 52

1. Een aanvraag waarbij niet is voldaan aan het bepaalde in de artikelen 2.1 tot en met 2.17 van het besluit en de artikelen 11 tot en met 51 wordt niet in behandeling genomen.

Rijkswet op het Nederlanderschap

Artikel 3

1. Nederlander is het kind waarvan ten tijde van zijn geboorte de vader of de moeder Nederlander is, alsmede het kind van een Nederlander die voordien is overleden.

[…].

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?