ECLI:NL:RVS:2026:469

ECLI:NL:RVS:2026:469

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 28-01-2026
Datum publicatie 28-01-2026
Zaaknummer 202401878/1/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 23 februari 2024 heeft de burgemeester van Pijnacker-Nootdorp aan [appellante] een nieuw huisverbod opgelegd voor een periode van tien dagen, tot 4 maart 2024. De burgemeester heeft dit huisverbod opgelegd naar aanleiding van een incident dat op 26 januari 2024 heeft plaatsgevonden. [appellante] heeft [zoon] in het bijzijn van de politie met een houten blok of stok van dertig centimeter lang op zijn hoofd geslagen. Zij is voor mishandeling aangehouden. Bij [zoon] is geen letsel geconstateerd, maar hij heeft wel aangifte gedaan. Deze strafzaak tegen [appellante] is uiteindelijk geseponeerd. Omdat er na afloop van de termijn van tien dagen nog geen netwerkgesprek met [zoon] en [appellante] heeft plaatsgevonden waardoor er geen veiligheidsafspraken tot stand zijn gekomen, heeft de burgemeester het huisverbod verlengd voor de duur van achttien dagen, tot 24 februari 2024.

Uitspraak

202401878/1/A3.

Datum uitspraak: 28 januari 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in Delfgauw, gemeente Pijnacker-Nootdorp,

appellante,

tegen de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) van 29 februari 2024 in zaak nr. 09/662091 in het geding tussen:

[appellante]

en

de burgemeester van Pijnacker-Nootdorp.

Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 2024 heeft de burgemeester aan [appellante] een nieuw huisverbod opgelegd voor een periode van tien dagen, tot 4 maart 2024.

Bij uitspraak van 29 februari 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 18 december 2025, waar [appellante], bijgestaan door mr. L. Windhorst, advocaat in Den Haag, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. E. van Lomwel en mr. A. van Leeuwen, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellante] woont samen met haar zoon [zoon] van achttien jaar in een woning in Delfgauw.

De burgemeester heeft op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wth aan [appellante] een huisverbod opgelegd voor de duur van tien dagen, te weten van 27 januari 2024 tot 6 februari 2024. Het huisverbod omvatte ook een verbod voor [appellante] om contact op te nemen met [zoon].

De burgemeester heeft dit huisverbod opgelegd naar aanleiding van een incident dat op 26 januari 2024 heeft plaatsgevonden. [appellante] heeft [zoon] in het bijzijn van de politie met een houten blok of stok van dertig centimeter lang op zijn hoofd geslagen. Zij is voor mishandeling aangehouden. Bij [zoon] is geen letsel geconstateerd, maar hij heeft wel aangifte gedaan. Deze strafzaak tegen [appellante] is uiteindelijk geseponeerd.

1.1. Omdat er na afloop van de termijn van tien dagen nog geen netwerkgesprek met [zoon] en [appellante] heeft plaatsgevonden waardoor er geen veiligheidsafspraken tot stand zijn gekomen, heeft de burgemeester het huisverbod verlengd voor de duur van achttien dagen, tot 24 februari 2024.

1.2. De burgemeester heeft op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wth aan [appellante] vervolgens een nieuw huisverbod opgelegd voor de duur van tien dagen, te weten van 23 februari 2024 tot 4 maart 2024.

Het huisverbod omvatte ook een verbod voor [appellante] om contact op te nemen met [zoon]. Dit besluit is gebaseerd op het door een hulpofficier van justitie opgemaakte Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld.

De burgmeester heeft dit huisverbod opgelegd, omdat er uit gesprekken met [zoon] en [appellante] is gebleken dat de onveiligheid voor hen beiden was toegenomen. [appellante] heeft namelijk niet meegewerkt aan de gesprekken met Veilig Thuis Haaglanden en de hulpverlening tijdens het eerder opgelegde huisverbod en de verlenging daarvan. Verder vreest de hulpverlening voor een dodelijke afloop als [appellante] en [zoon] weer bij elkaar komen, omdat een hulpverlener een scherp mes bij [zoon] op tafel heeft zien liggen en het volgens de hulpverlening waarschijnlijk is dat [zoon] die zal gebruiken als hij met [appellante] in aanmerking komt. Ook heeft [appellante] een aantal keer bedreigingen richting [zoon] geuit. Onder deze omstandigheden is een nieuw huisverbod gerechtvaardigd, aldus de burgemeester.

Wettelijk kader

2. Artikel 2, eerste lid, van de Wth luidt: "De burgemeester kan een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9. […]."

Uitspraak rechtbank

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat er na de verlenging van het eerdere huisverbod nieuwe feiten en omstandigheden waren waardoor de burgemeester zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat opnieuw sprake is van een ernstig en onmiddellijk gevaar of een vermoeden daarvan als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wth. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat uit de overgelegde stukken en uit hetgeen op de zitting is verklaard volgt dat [zoon] heeft aangegeven dat als hij wordt geslagen hij terug zal slaan en dat er een scherp mes bij hem op de tafel is aangetroffen. Ook heeft de rechtbank overwogen dat de burgemeester hierbij heeft kunnen betrekken dat [appellante] verbaal intimiderend is en dat zij niet heeft willen meewerken aan het inzetten van de noodzakelijke hulpverlening tijdens het eerder opgelegde huisverbod en de verlenging daarvan.

3.1. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de burgemeester van zijn bevoegdheid om een nieuw huisverbod op te leggen gebruik heeft mogen maken. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de burgemeester het huisverbod aan [appellante] mocht opleggen, omdat [appellante] een sociaal netwerk heeft waar zij tijdelijk kan verblijven en dat op de zitting niet is gesteld of gebleken dat dit inmiddels anders zou zijn. Ook is het perspectief van [zoon] dat hij op straat zou belanden als aan hem een huisverbod wordt opgelegd en is het niet in geschil dat hij zich dan niet weet te redden, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er nieuwe feiten en omstandigheden waren waardoor er opnieuw sprake was van een ernstig of onmiddellijk gevaar of een vermoeden daarvan en de burgemeester daarom het huisverbod mocht opleggen. Volgens [appellante] is het onvoldoende dat er een mes bij [zoon] op tafel lag. Verder vindt zij het onterecht dat [zoon] voor de onveilige situatie heeft gezorgd, maar dat zij haar woning niet meer in mag.

Beoordeling van het hoger beroep

5. De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd en die hierboven zijn weergegeven. Zij voegt daar nog het volgende aan toe.

6. [appellante] heeft op de zitting bij de Afdeling bevestigd dat de situatie tussen haar en [zoon] na het eerste huisverbod en de daarop gevolgde verlenging alleen nog maar onveiliger was geworden. Voor de vraag aan wie het huisverbod wordt opgelegd, is in een situatie als deze ook relevant wie de meest aangewezen persoon is om weg te gaan. [appellante] heeft op de zitting erkend dat zij dat was, omdat zij over een sociaal netwerk beschikte waar zij voor onderdak terecht kon en [zoon] niet. Tegen die achtergrond heeft de rechtbank dan ook terecht geoordeeld dat de burgemeester bij de afweging van alle betrokken belangen gebruik heeft mogen maken van zijn discretionaire bevoegdheid tot oplegging van het huisverbod aan [appellante].

Conclusie

7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

8. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y. Soffner, griffier.

w.g. Lange

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Soffner

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026

818-1171

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?