202401885/1/A3.
Datum uitspraak: 28 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Delfgauw, gemeente Pijnacker-Nootdorp,
appellante,
tegen de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) van 13 februari 2024 in zaak nr. 09/661065 in het geding tussen:
[appellante]
en
de burgemeester van Pijnacker-Nootdorp.
Procesverloop
Bij besluit van 6 februari 2024 heeft de burgemeester het op 27 januari 2024 opgelegde huisverbod verlengd met achttien dagen tot 24 februari 2024.
Bij uitspraak van 13 februari 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 18 december 2025, waar [appellante], bijgestaan door mr. L. Windhorst, advocaat in Den Haag, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. E. van Lomwel en mr. A. van Leeuwen, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] woont samen met haar zoon [zoon] van achttien jaar in een woning in Delfgauw.
De burgemeester heeft op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wth aan [appellante] een huisverbod opgelegd voor de duur van tien dagen, te weten van 27 januari 2024 tot 6 februari 2024. Het huisverbod omvatte ook een verbod voor [appellante] om contact op te nemen met [zoon].
De burgemeester heeft dit huisverbod opgelegd naar aanleiding van een incident dat op 26 januari 2024 heeft plaatsgevonden. [appellante] heeft [zoon] in het bijzijn van de politie met een houten blok of stok van dertig centimeter lang op zijn hoofd geslagen. Zij is voor mishandeling aangehouden. Bij [zoon] is geen letsel geconstateerd, maar hij heeft wel aangifte gedaan. Deze strafzaak tegen [appellante] is uiteindelijk geseponeerd.
1.1. Omdat er na afloop van de termijn van tien dagen nog geen netwerkgesprek met [zoon] en [appellante] heeft plaatsgevonden waardoor er geen veiligheidsafspraken tot stand zijn gekomen, heeft de burgemeester het huisverbod verlengd voor de duur van achttien dagen, tot 24 februari 2024. Er is volgens de burgemeester onder deze omstandigheden namelijk sprake van een voortzetting van de dreiging van het gevaar voor zowel [zoon] als [appellante]. De hulpverlening moet worden opgestart zodat er veiligheidsafspraken kunnen worden gemaakt om nieuwe spanningen te voorkomen en daar is meer tijd voor nodig, aldus de burgemeester.
Wettelijk kader
2. Artikel 2, eerste lid, van de Wth luidt: "De burgemeester kan een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9. […]."
Artikel 9, eerste lid, van de Wth luidt: "De burgemeester kan een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet. De artikelen 2, vierde lid, en 6 tot en met 8 zijn van overeenkomstige toepassing."
Uitspraak rechtbank
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester het huisverbod mocht verlengen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er nog geen netwerkgesprek heeft plaatsgevonden en er daarom geen veiligheidsafspraken zijn gemaakt. Daarom was de dreiging van het gevaar nog niet geweken. De rechtbank heeft onderkend dat het netwerkgesprek geen doorgang heeft kunnen vinden vanwege de onbereikbaarheid van [zoon] en dat hij niet zelfredzaam is wegens zijn verstandelijke beperking. De rechtbank is echter met de burgemeester van oordeel dat de hulpverlening de tijd nodig heeft om de juiste hulp op te starten en adequate veiligheidsafspraken te maken om de veiligheid van [zoon] en [appellante] te kunnen waarborgen. Dit klemt te meer omdat het nog niet gelukt is om voor [zoon] een andere woonplek te vinden waardoor te verwachten is dat [zoon] en [appellante] beiden in de woning van [appellante] zullen moeten verblijven, aldus de rechtbank.
Hoger beroep
4. [appellante] betoogt dat de situatie dat [zoon] alleen in haar woning verbleef zeer ernstig was en daarom zo snel mogelijk had moeten worden opgeheven. Volgens [appellante] droeg [zoon] geen zorg voor de woning en had hij ook zijn telefoon stuk gemaakt waardoor hij niet meer te bereiken was. Volgens [appellante] had [zoon] zo snel mogelijk hulp nodig.
Beoordeling van het hoger beroep
5. De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd en die hierboven zijn weergegeven. Zij voegt daar nog het volgende aan toe.
6. [appellante] heeft op de zitting van de Afdeling bevestigd dat het voor haar en [zoon] nog steeds niet veilig was om gezamenlijk in de woning te blijven. Verder heeft [appellante] bevestigd dat er ten tijde van belang nog geen veiligheidsafspraken tussen haar en [zoon] waren gemaakt, omdat het niet lukte om daarover met [zoon] in gesprek te komen.
Conclusie
7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
8. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y. Soffner, griffier.
w.g. Lange
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Soffner
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026
818-1171