202401889/1/A3.
Datum uitspraak: 28 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Delfgauw, gemeente Pijnacker-Nootdorp,
appellante,
tegen de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) van 31 januari 2024 in zaak nr. 09/660550 in het geding tussen:
[appellante]
en
de burgemeester van Pijnacker-Nootdorp.
Procesverloop
Bij besluit van 27 januari 2024 heeft de burgemeester aan [appellante] een huisverbod opgelegd als bedoeld in de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth) voor een periode van tien dagen, tot 6 februari 2024.
Bij uitspraak van 31 januari 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 18 december 2025, waar [appellante], bijgestaan door mr. L. Windhorst, advocaat in Den Haag, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. E. van Lomwel en mr. A. van Leeuwen, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] woont samen met haar zoon [zoon], geboren op [geboortedatum] 2005 en ten tijde in geding achttien jaar, in een woning in Delfgauw. De burgemeester heeft bij besluit van 27 januari 2024 op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wth aan [appellante] een huisverbod opgelegd voor de duur van tien dagen, te weten van 27 januari 2024 tot 6 februari 2024. Het huisverbod omvatte ook een verbod voor [appellante] om contact op te nemen met [zoon]. Dit besluit is gebaseerd op het door een hulpofficier van justitie opgemaakte Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld. De burgemeester heeft dit huisverbod opgelegd naar aanleiding van een incident dat op 26 januari 2024 heeft plaatsgevonden. De politie kreeg een melding dat [zoon] weigerde [appellante] toegang tot de woning te geven. In het bijzijn van de politie is er een ruit gebroken en kon [appellante] de woning betreden. In de woning kregen [appellante] en [zoon] ruzie en [appellante] heeft vervolgens [zoon] met een houten blok of stok van dertig centimeter lang op zijn hoofd geslagen. Bij [zoon] is geen letsel geconstateerd, maar hij heeft wel aangifte gedaan. [appellante] is voor mishandeling aangehouden. De burgemeester heeft vervolgens aan [appellante] een huisverbod opgelegd. Volgens de burgemeester heeft [zoon] een groot belang om in de woning te blijven, omdat hij geen familie, vrienden of geld heeft. [appellante] heeft een sociaal netwerk en heeft daarom de mogelijkheid om elders te verblijven, aldus de burgemeester. De strafzaak tegen [appellante] is uiteindelijk geseponeerd.
Wettelijk kader
2. Artikel 2, eerste lid, van de Wth luidt: "De burgemeester kan een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9. […]."
Uitspraak rechtbank
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester zich op basis van de feiten en omstandigheden redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanwezigheid van [appellante] in de woning een ernstig vermoeden van een ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor [zoon] en dat daarmee sprake was van de omstandigheden als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wth. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het niet van belang is of [appellante] daadwerkelijk hard heeft geslagen, maar dat het voldoende is dat er een situatie is ontstaan waarbij dringende behoefte is aan het creëren van een afkoelingsperiode om verdere escalaties te voorkomen en hulpverlening in te gaan zetten.
3.1. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de burgemeester van zijn bevoegdheid om een huisverbod aan [appellante] op te leggen gebruik heeft mogen maken. De rechtbank heeft onderkend dat het voor [appellante] als huurster van de woning bezwaarlijk is om elders te verblijven. Dat [appellante] degene is die fysiek geweld heeft gebruikt en dat [zoon] aangifte van mishandeling heeft gedaan, maken echter dat de burgemeester het huisverbod aan [appellante] heeft mogen opleggen, aldus de rechtbank.
Hoger beroep
4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester haar een huisverbod mocht opleggen. Volgens [appellante] waren er namelijk onvoldoende redenen voor de burgemeester om het huisverbod op te leggen. Ze voert daarvoor aan dat niet aannemelijk is gemaakt dat zij een gevaar vormt voor [zoon], omdat er geen eerdere meldingen van geweld zijn en er alleen maar een tik is geconstateerd. Verder betoogt ze dat haar zoon niet in staat is om voor zichzelf en de woning te zorgen. Hij is verslaafd aan drugs en zij is bang dat ze de woning kwijtraakt. Verder betoogt [appellante] dat het huisverbod aan [zoon] had moeten worden opgelegd, omdat zij juist het slachtoffer is van huiselijk geweld.
Beoordeling van het hoger beroep
5. De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd en die hierboven zijn weergegeven. Zij voegt daar nog het volgende aan toe.
6. [appellante] heeft op de zitting van de Afdeling bevestigd dat het voor haar en [zoon] niet veilig was om gezamenlijk in de woning te blijven. Ook heeft zij bevestigd dat [zoon] de meest aangewezen persoon was om in het huis te mogen blijven, omdat bij hem een sociaal netwerk ontbreekt waar hij terecht zou kunnen en [appellante] daar wel over beschikte. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de burgemeester bij de afweging van alle betrokken belangen gebruik heeft mogen maken van zijn discretionaire bevoegdheid tot oplegging van het huisverbod aan [appellante].
Conclusie
7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
8. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y. Soffner, griffier.
w.g. Lange
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Soffner
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026
818-1171