202401794/1/A3.
Datum uitspraak: 28 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. Stichting Uitbanning Genocide (hierna: de Stichting), gevestigd in Amsterdam,
2. [appellant sub 2], wonend in Amsterdam,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 februari 2024 in zaak nr. 23/2167 in het geding tussen:
de Stichting en [appellant sub 2]
en
het college van burgemeester en wethouders van Delft.
Procesverloop
Bij brief van 27 september 2022 heeft het college een verzoek van de Stichting voor het wijzigen van de straatnaam Coudenhovelaan in Delft afgewezen.
Bij besluit van 18 april 2023 heeft het college het door de Stichting daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 1 februari 2024 heeft de rechtbank het door de Stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de Stichting en [appellant sub 2] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Stichting heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 18 december 2025, waar [appellant sub 2] en de Stichting, vertegenwoordigd door [appellant sub 2], en het college, vertegenwoordigd door mr. R.A. Verduijn en M.J.J. de Bruijn, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. De Stichting heeft op 4 juli 2022 een verzoek gedaan voor het wijzigen van de straatnaam Coudenhovelaan in Delft in verband met de verplichtingen die het college volgens de Stichting op grond van het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide (hierna: Genocideverdrag) heeft. Volgens de Stichting wekt het in stand houden van deze straatnaam genocide in de hand. Het college heeft deze aanvraag van de Stichting met een brief van 27 september 2022 afgewezen.
1.1. Het college heeft het bezwaar van de Stichting hiertegen niet-ontvankelijk verklaard, omdat de Stichting geen belanghebbende is, haar verzoek daarom niet is aan te merken als een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb en de afwijzing daarvan dus ook geen besluit is.
Wettelijk kader
2. De relevante wet- en regelgeving staat in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Uitspraak rechtbank
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college het bezwaar van de Stichting terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat zij niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. Haar verzoek is daarmee niet aan te merken als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb waarop het college een besluit moet nemen waartegen bezwaar en beroep open staat. De rechtbank heeft het beroep van de Stichting daarom niet inhoudelijk behandeld.
3.1. Voor zover van belang in hoger beroep heeft de rechtbank daartoe allereerst overwogen dat het niet in geschil is dat de Stichting niet aan de Coudenhovelaan in Delft is gevestigd, maar in Amsterdam en dat zij daarom met de beslissing van het college niet in haar belangen wordt geraakt. Daarom is de Stichting geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
Verder heeft de rechtbank overwogen dat de Stichting geen voldoende specifiek algemeen of collectief belang heeft dat rechtstreeks wordt geraakt door de beslissing van het college. Zij is daarom ook geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb. De rechtbank heeft daarvoor vastgesteld dat het doel van de Stichting zoals omschreven in haar oprichtingsakte zeer ruim en algemeen is omschreven. Het toedelen van straatnamen is van belang voor de bewoners van een stad, maar raakt de belangen van de Stichting niet.
Hoger beroep
Ontvankelijkheid [appellant sub 2]
4. Artikel 6:13 van de Awb bepaalt dat geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld. Op grond van artikel 6:24 van de Awb is dit artikel van overeenkomstige toepassing in hoger beroep. Dat betekent dat als de belanghebbende verweten kan worden geen beroep te hebben ingesteld, geen hoger beroep kan worden ingesteld.
4.1. De Afdeling is van oordeel dat het hoger beroep van [appellant sub 2] op grond van artikel 6:13 en artikel 6:24 van de Awb niet-ontvankelijk is, omdat hij verwijtbaar geen beroep heeft ingesteld bij de rechtbank tegen het besluit van 18 april 2023. [appellant sub 2] heeft geen redenen gegeven waarom hij dat niet heeft gedaan. Omdat het hoger beroep van [appellant sub 2] niet-ontvankelijk is, kan hij niet deelnemen aan het geding in hoger beroep.
Beoordeling hoger beroep van de Stichting
5. De Stichting betoogt allereerst dat de rechtbank artikel 8:56 van de Awb heeft geschonden, omdat de rechtbank haar niet heeft uitgenodigd om op een fysieke zitting te worden gehoord. Zij voert daarvoor aan dat de rechtbank alleen een algemene vooraankondiging heeft gedaan dat de zitting via een videoverbinding zou worden gehouden. Verder betoogt de Stichting dat de rechtbank ten onrechte niet op haar inhoudelijke gronden is ingegaan. Ook heeft de rechtbank het begrip belanghebbende onjuist toegepast. Ze voert daarvoor aan dat de rechtbank de door haar gestelde feitelijke werkzaamheden niet bij haar beoordeling heeft betrokken. Volgens de Stichting heeft de rechtbank verder ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 8:71 van de Awb. Tot slot betoogt de Stichting dat de straatnaam Coudenhovelaan in Delft in strijd is met het Genocideverdrag.
6. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank artikel 8:56 van de Awb niet geschonden. Zij heeft de Stichting namelijk wel ten minste drie weken tevoren uitgenodigd voor een fysieke zitting op 10 januari 2024. Eerst met een aangetekende brief van 8 december 2023. Omdat deze brief retour is gekomen, heeft de rechtbank op 13 december 2023 deze uitnodiging ook nog per gewone post verstuurd naar de Stichting. De Stichting heeft op de zitting bij de Afdeling bevestigd dat de rechtbank deze brieven naar het juiste adres heeft gestuurd.
7. De gronden die de Stichting verder in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Stichting heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 7 tot en met 7.8 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd en die hierboven zijn weergegeven. Zij voegt daaraan nog het volgende toe.
8. De Stichting heeft de door haar gestelde feitelijke werkzaamheden ook in hoger beroep onvoldoende met stukken onderbouwd. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat zij niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. Voor zover de Stichting betoogt dat zij juridische ondersteuning biedt bij het voeren van gerechtelijke procedures, merkt de Afdeling op dat volgens vaste rechtspraak het louter in rechte opkomen tegen besluiten, en werkzaamheden die daarmee verband houden, als regel niet worden aangemerkt als het verrichten van feitelijke werkzaamheden in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1835).
9. Tot slot heeft de rechtbank naar het oordeel van de Afdeling terecht geen toepassing gegeven aan artikel 8:71 van de Awb, omdat zij bevoegd was van het beroep kennis te nemen. Dat de rechtbank niet aan een beoordeling van haar inhoudelijke gronden is toegekomen, is het logische gevolg van de uitkomst van deze procedure. Namelijk dat het college de Stichting terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Conclusie
10. Het hoger beroep van [appellant sub 2] is niet-ontvankelijk. Het hoger beroep van de Stichting is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
11. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 2] niet-ontvankelijk;
II. bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y. Soffner, griffier.
w.g. Lange
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Soffner
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026
818-1171
BIJLAGE
Wettelijk kader
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:2
1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
3. Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.
Artikel 1:3
1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
3. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.
Artikel 8:56
Na afloop van het vooronderzoek worden partijen ten minste drie weken tevoren uitgenodigd om op een in de uitnodiging te vermelden plaats en tijdstip op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen.
Verordening naamgeving nummering en (adressen) Delft 2022
Artikel 2
2. Het college kent per woonplaats namen toe aan delen van de openbare ruimte en zo nodig aan gemeentelijke gebouwen en bouwwerken.
Artikel 5
1. Als het college het nodig oordeelt dat de door hen toegekende aanduidingen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, aan een bouwwerk, gebouw, muur, paal, schutting of een andere soort terreinafscheiding worden aangebracht, dan is de rechthebbende daarvan verplicht toe te laten dat de hier bedoelde borden vanwege of op verzoek van en overeenkomstig de aanwijzingen van het college worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.