202502811/1/A3.
Datum uitspraak: 28 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Hillegom,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 april 2025 in zaak nr. 24/8568 in het geding tussen:
[appellante]
en
de burgemeester van Hillegom.
Procesverloop
Bij besluit van 24 april 2024 heeft de burgemeester de woning aan de [locatie] in Hillegom voor zes maanden gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet.
Bij besluit van 24 september 2024 heeft de burgemeester het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 24 april 2024 gedeeltelijk herroepen en de datum waarop de woningsluiting eindigt van 27 december 2024 naar 27 september 2024 gewijzigd.
Bij uitspraak van 15 april 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 januari 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. N. Claassen, advocaat in Rotterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. A.M. van de Laar, advocaat in Den Haag, en N.M. Streefland, zijn verschenen. Verder is op de zitting Woningstichting Stek, vertegenwoordigd door mr. P.J. Remmelts, advocaat in Rotterdam, en [persoon], als partij gehoord.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] huurde een woning aan de [locatie] in Hillegom (de woning). De burgemeester heeft [appellante] een last onder bestuursdwang opgelegd, inhoudende de tijdelijke sluiting van de woning voor zes maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet overeenkomstig de door hem vastgestelde Beleidsregel Damoclesbeleid gemeente Hillegom - 2023 (de Beleidsregel). De sluiting is ingegaan op 27 juni 2024 om 10:00 uur. Met het besluit van 24 september 2024 heeft de burgemeester de sluitingsduur teruggebracht naar drie maanden, waardoor de sluiting is geëindigd op 27 september 2024 om 11:00 uur en [appellante] weer terug kon naar haar woning.
2. Niet in geschil is dat de burgemeester bevoegd was om de woning te sluiten. In hoger beroep staat alleen de evenredigheid van de woningsluiting ter discussie.
Wat heeft de burgemeester besloten?
3. De sluiting van de woning berust op een op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte bestuurlijke rapportage van de politie van 13 maart 2024 (de bestuurlijke rapportage van 13 maart 2024). In de bestuurlijke rapportage van 13 maart 2024 staat dat de politie een handelshoeveelheid hard- en softdrugs in de woning heeft aangetroffen. Het gaat om 410 gram cocaïne, 138,2 gram amfetamine, 329,5 gram mdma (3,4 methyleendioxymethamfetamine), 90,3 gram cafeïne,106,1 gram hasj en 679,1 gram hennep. Daarnaast zijn goederen aangetroffen die aan de handel in verdovende middelen te relateren zijn, zoals €2672,10 contant geld, wapens, weegschalen, verpakkingsmaterialen, vermalers voor hennep, versnijdingsmiddelen en administratie. De politie heeft via Meld Misdaad Anoniem meldingen ontvangen over de aanloop van afnemers van verdovende middelen. De politie heeft ook enkele observaties gedaan van overhandigingen aan de voordeur en rond de woning. Op basis van het voorgaande heeft de burgemeester besloten tot een woningsluiting van zes maanden. In bezwaar heeft de burgemeester de woningsluiting teruggebracht naar drie maanden vanwege de kwetsbaarheid van [appellante], het feit dat Woningstichting Stek een procedure is gestart om de huurovereenkomst te ontbinden en het feit dat Woningstichting Stek heeft aangegeven zich te zullen houden aan artikel 18.1 van de Regionale huisvestingsverordening Holland Rijnland waardoor Woningstichting Stek [appellante] geen positieve huurdersverklaring zal verstrekken.
Uitspraak van de rechtbank
4. De rechtbank heeft geoordeeld dat de feiten en omstandigheden uit de bestuurlijke rapportage van 13 maart 2024 voldoende zijn om de noodzakelijkheid van de woningsluiting te dragen. De burgemeester heeft voor het behalen van zijn doelen onvoldoende mogen achten dat de (ex-)partner van [appellante] niet meer in de woning woont. Ook een waarschuwing heeft de burgemeester onvoldoende maatregel mogen achten omdat met [appellante] in 2019 al een waarschuwingsgesprek is gevoerd door de wijkagent. Dat omwonenden zich niet rechtstreeks tot [appellante] hebben gewend, maar meldingen via verschillende meldpunten hebben gedaan, doet volgens de rechtbank niet af aan de overlast die zij ervoeren. De rechtbank heeft verder in het kader van de evenwichtigheid geoordeeld dat de burgemeester meer gewicht heeft mogen toekennen aan het belang van sluiting dan aan het woonbelang van [appellante]. De burgemeester mocht zich op het standpunt stellen dat het niet aannemelijk is dat [appellante] niet op de hoogte was van de drugshandel. De rechtbank acht van belang dat de drugs en attributen in meerdere ruimtes van de woning zijn gevonden. Bovendien lijkt volgens de rechtbank ook uit het reclasseringsadvies van 19 april 2024 te volgen dat [appellante] op de hoogte was van de drugshandel door haar (ex-)partner. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de burgemeester de omstandigheid dat [appellante] voor haar kleinkind zorgt niet redengevend hoeven achten om af te zien van de woningsluiting. [appellante] heeft volgens de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat zij alleen in de woning voor haar kleinkind kan zorgen. Dit kan ook in de woning van haar kleinkind. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de ontbinding van de huurovereenkomst niet een gevolg is dat voortvloeit uit het besluit van 24 september 2024 en daarmee niet gewogen hoefde te worden bij de evenwichtigheid. Tot slot heeft de rechtbank in het kader van de evenwichtigheid nog van belang gevonden dat de burgemeester via meerdere loketten hulp aan eiser heeft geboden en bereid is dat ook in de toekomst te doen en dat Woningstichting Stek heeft gesteld dat zij geen zwarte lijst hanteert.
Gronden hoger beroep
5. [appellante] betoogt, samengevat, dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de sluiting van de woning noodzakelijk was. Volgens haar was er geen noodzaak tot de woningsluiting nu na de doorzoeking van de woning en inbeslagneming geen incidenten meer hebben plaatsgevonden terwijl de woning niet onverwijld was gesloten. Bovendien bestond als gevolg van de getroffen strafrechtelijke maatregelen niet langer een noodzaak tot sluiting. [appellante] voert verder aan dat een last onder dwangsom - opgelegd aan de juiste persoon - passender is aangezien de verweten gedragingen gewoon (elders) kunnen doorgaan bij een woningsluiting en personen hoger in de keten van het criminele milieu zich weinig zullen aantrekken van de woningsluiting. De rechtbank is verder ten onrechte voorbij gegaan aan het ontbreken van een kans op herhaling, doordat de (ex-)partner van [appellante] strafrechtelijk is vervolgd en aan hem een contactverbod is opgelegd. Daarom had de burgemeester volgens [appellante] met een waarschuwing of een last onder dwangsom kunnen volstaan. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de sluiting van de woning niet evenwichtig is, omdat de burgemeester onvoldoende rekening heeft gehouden met haar medische kwetsbaarheid en beperkte financiële draagkracht. Ook is de rechtbank ten onrechte voorbijgegaan aan de bijzondere kwetsbaarheid van haar kleinzoon [kleinzoon]. [kleinzoon] is zeer hulpbehoevend en het is van groot belang dat hij in de woning van [appellante] kan worden opgevangen. Tot slot heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de ontbinding van de huurovereenkomst niet een gevolg is dat voortvloeit uit het besluit van 24 september 2024 en daarmee niet gewogen hoefde te worden bij de evenwichtigheid. Woningcorporaties gaan doorgaans bij een woningsluiting over tot buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst. Deze omstandigheid had de burgemeester ook moeten betrekken, aldus [appellante].
Toetsingskader
6. In haar uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, heeft de Afdeling de uitgangspunten weergegeven waarvan zij zal uitgaan bij haar beoordeling van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De Afdeling verwijst voor deze uitgangspunten daarom naar die uitspraak en zal deze hanteren bij de beoordeling van het hoger beroep.
Beoordeling hoger beroep
Is de sluiting van de woning een geschikt middel om de beoogde doelen te bereiken?
7. De Afdeling is van oordeel dat het tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding op 1 februari 2024, waarover op 13 maart 2024 een bestuurlijke rapportage volgde, en anderzijds het tijdstip waarop de burgemeester ingevolge zijn besluitvorming van 24 april 2024 en na de uitspraak van de voorzieningenrechter tot sluiting is overgegaan, op 27 juni 2024, niet dermate lang is geweest dat sluiting van de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet redelijkerwijs niet meer kon bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. Dat de strafrechter [appellante] en haar (ex- )partner heeft veroordeeld maakt dit niet anders, omdat de burgemeester er terecht op heeft gewezen dat de getroffen strafrechtelijke maatregelen andere doelen dienen dan het herstel van de openbare orde en het wegnemen van de bekendheid van de woning in het drugscircuit. De burgemeester heeft gemotiveerd dat in de nabije omgeving van de woning in het recente verleden al vaker sprake is geweest van verslavingsproblematiek en drugsovertredingen en hij wil met de sluiting de openbare orde en veiligheid herstellen, het woon- werk- en leefklimaat in de nabije omgeving beschermen en een signaal afgeven aan betrokkenen bij de overtreding dat drugshandel niet wordt getolereerd. Dat er volgens [appellante] na het constateren van de overtreding geen incidenten meer hebben plaatsgevonden doet aan het voorgaande niet af, omdat de doelen nog steeds konden worden bereikt door de woning te sluiten.
7.1. Het betoog slaagt niet.
Had de burgemeester met een minder ingrijpend middel dan de sluiting van de woning moeten volstaan (noodzaak)?
8. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de burgemeester heeft mogen concluderen dat de feiten en omstandigheden uit de bestuurlijke rapportage van 13 maart 2024 voldoende zijn om de noodzakelijkheid van de sluiting van de woning te dragen en dat de burgemeester niet met een waarschuwing hoefde te volstaan. Er is sprake van een ernstig geval in de zin van de Beleidsregel. Er is namelijk 410 gram cocaïne, 138,2 gram amfetamine, 329,5 gram mdma, 90,3 gram cafeïne,106,1 gram hasj en 679,1 gram hennep in de woning aangetroffen. Ook zijn er twee wapens aangetroffen waarvan het voorhanden hebben strafbaar is gesteld onder de Wet wapens en munitie. Dat er vanuit de woning in drugs werd gehandeld blijkt daarnaast uit meldingen, observaties, verklaringen van afnemers van drugs en de inbeslaggenomen papieren administratie. Gelet hierop heeft de burgemeester, anders dan [appellante] betoogt, ook niet met een last onder dwangsom hoeven te volstaan.
8.1. Het betoog van [appellante] dat er geen kans op herhaling is nu zij niets wist van de drugshandel, aan de dader (haar (ex-)partner) een contactverbod is opgelegd en hij gedurende de woningsluiting in de gevangenis zat, volgt de Afdeling niet. Naar het oordeel van de Afdeling is het niet aannemelijk dat [appellante] niets van de drugshandel wist en is de drugshandel ook aan haar te verwijten. [appellante] is onherroepelijk veroordeeld door de politierechter. De Afdeling acht verder van belang dat een grote hoeveelheid drugs in zes ruimtes in de woning is aangetroffen, waaronder in de koelkast en op de salontafel. Verder blijkt uit observaties van de politie dat er drugs aan de voordeur of in de directe omgeving, zoals bij de vuilnisbak, werden afgegeven. Bovendien staat in het reclasseringsadvies van Fivoor van 19 april 2024 dat [appellante] heeft bekend dat ze wist dat er drugs werden verkocht door haar (ex- )partner aan vrienden/kennissen. Daarnaast is [appellante] als huurder van de woning verantwoordelijk voor wat zich binnen de woning afspeelt. Tot slot laat de gestelde omstandigheid dat er via [appellante] geen kans is op herhaling onverlet dat, zoals hiervoor al is gemotiveerd, de doelen van de woningsluiting nog kunnen worden bereikt.
8.2. Het betoog slaagt niet.
Was de sluiting van de woning in de gegeven omstandigheden evenwichtig?
8.3. [appellante] heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven voor het oordeel dat het sluiten van de woning onevenwichtig is. De Afdeling sluit zich aan bij wat de rechtbank onder 5.1 en 5.2 daarover heeft overwogen. De Afdeling voegt hieraan toe dat de burgemeester, ten tijde van belang, de kwetsbaarheid van [appellante] heeft onderkend en inspanningen heeft toegezegd en geleverd om [appellante] samen met diverse organisaties te helpen met het vinden van alternatieve woonruimte. [appellante] heeft deze hulp geweigerd, omdat haar honden niet mee konden naar de alternatieve woonruimte. De burgemeester heeft zich verder voldoende rekenschap gegeven van de mogelijkheid dat Woningstichting Stek door het besluit tot sluiting van de woning een zelfstandige grondslag tot buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst zou krijgen. Het belang van sluiting weegt in dit geval echter op tegen de belangen van [appellante], die zoals gezegd wegens haar kwetsbaarheid wordt ondersteund (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4401).
8.4. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
9. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
10. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J. Schipper-Spanninga, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.
w.g. Schipper-Spanninga
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Sluis
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026
802-1101