202401888/1/A3.
Datum uitspraak: 28 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Delfgauw, gemeente Pijnacker-Nootdorp,
appellante,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) van 12 maart 2024 in zaak nr. 662550 in het geding tussen:
[appellante]
en
de burgemeester van Pijnacker-Nootdorp.
Procesverloop
Bij besluit van 4 maart 2024 heeft de burgemeester het huisverbod verlengd met achttien dagen tot 22 maart 2024.
Bij uitspraak van 12 maart 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 18 december 2025, waar [appellante], bijgestaan door mr. L. Windhorst, advocaat in Den Haag, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. E. van Lomwel en mr. A. van Leeuwen, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] woont samen met haar zoon [zoon] van achttien jaar in een woning in Delfgauw.
De burgemeester heeft op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wth aan [appellante] een huisverbod opgelegd voor de duur van tien dagen, te weten van 27 januari 2024 tot 6 februari 2024. Het huisverbod omvatte ook een verbod voor [appellante] om contact op te nemen met [zoon].
De burgemeester heeft dit huisverbod opgelegd naar aanleiding van een incident dat op 26 januari 2024 heeft plaatsgevonden. [appellante] heeft [zoon] in het bijzijn van de politie met een houten blok of stok van dertig centimeter lang op zijn hoofd geslagen. Zij is voor mishandeling aangehouden. Bij [zoon] is geen letsel geconstateerd, maar hij heeft wel aangifte gedaan. Deze strafzaak tegen [appellante] is uiteindelijk geseponeerd.
1.1. Omdat er na afloop van de termijn van tien dagen nog geen netwerkgesprek met [zoon] en [appellante] heeft plaatsgevonden waardoor er geen veiligheidsafspraken tot stand zijn gekomen, heeft de burgemeester het huisverbod verlengd voor de duur van achttien dagen, tot 24 februari 2024.
1.2. De burgemeester heeft op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wth aan [appellante] een nieuw huisverbod opgelegd voor de duur van tien dagen, te weten van 23 februari 2024 tot 4 maart 2024. Het huisverbod omvatte ook een verbod voor [appellante] om contact op te nemen met [zoon].
De burgemeester heeft het huisverbod opgelegd, omdat uit gesprekken met [zoon] is gebleken dat de onveiligheid voor hen beiden was toegenomen.
1.3. Omdat er na afloop van de termijn van tien dagen nog geen netwerkgesprek met [zoon] en [appellante] heeft plaatsgevonden waardoor er geen veiligheidsafspraken tot stand zijn gekomen en [appellante] iedere vorm van medewerking aan de hulpverlening weigert, heeft de burgemeester het huisverbod verlengd voor de duur van achttien dagen, tot 22 maart 2024. Er is volgens de burgemeester namelijk onder deze omstandigheden sprake van een voortzetting van de dreiging van het gevaar voor zowel [zoon] als [appellante]. De kans op een nieuwe escalatie tussen [zoon] en [appellante] is groot. De hulpverlening moet worden opgestart zodat er veiligheidsafspraken kunnen worden gemaakt om nieuwe spanningen te voorkomen en daar is meer tijd voor nodig, aldus de burgemeester.
Wettelijk kader
2. Artikel 2, eerste lid, van de Wth luidt: "De burgemeester kan een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9. […]."
Artikel 9, eerste lid, van de Wth luidt: "De burgemeester kan een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet. De artikelen 2, vierde lid, en 6 tot en met 8 zijn van overeenkomstige toepassing."
Uitspraak rechtbank
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester het huisverbod mocht verlengen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat er nog steeds geen netwerkgesprek heeft plaatsgevonden en er tussen [appellante] en [zoon] geen veiligheidsafspraken zijn gemaakt. Verder heeft de rechtbank overwogen dat [appellante] weigert mee te helpen aan het opstarten van de juiste hulp en het maken van adequate veiligheidsafspraken. Zij wil alleen dat [zoon] begeleid gaat wonen. Ook [zoon] heeft aangegeven geen vertrouwen in de hulpverlening te hebben. Onder deze omstandigheden is er op het moment van de verlenging nog steeds sprake van een dreiging van gevaar of een ernstig vermoeden daarvan, aldus de rechtbank.
Hoger beroep
4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er nieuwe feiten en omstandigheden waren waardoor er opnieuw sprake was van een ernstig of onmiddellijk gevaar of een vermoeden daarvan en de burgemeester daarom het huisverbod mocht opleggen. Volgens [appellante] is het onvoldoende dat er een mes bij [zoon] op tafel lag. Verder vindt zij het onterecht dat [zoon] voor de onveilige situatie heeft gezorgd, maar dat zij haar woning niet meer in mag.
Beoordeling van het hoger beroep
5. De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd en die hierboven zijn weergegeven. Zij voegt daar nog het volgende aan toe.
6. [appellante] heeft op de zitting van de Afdeling bevestigd dat de situatie tussen haar en [zoon] na het eerste huisverbod alleen nog maar onveiliger was geworden en dat er ook tijdens het tweede huisverbod geen veiligheidsafspraken waren gemaakt. [appellante] heeft verder toegelicht dat de situatie nu is verbeterd, omdat [zoon] sinds mei 2025 begeleid woont. Op het moment waarop de burgemeester het tweede huisverbod heeft verlengd, bestond er evenwel nog steeds een dreiging van gevaar of een ernstig vermoeden daarvan. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat de burgemeester dit huisverbod mocht verlengen.
Conclusie
7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
8. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y. Soffner, griffier.
w.g. Lange
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Soffner
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026
818-1171