202400277/1/A2.
Datum uitspraak: 28 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Stichting Regionaal Media Centrum Oost Nederland (RMC), gevestigd in Lichtenvoorde, gemeente Oost Gelre,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 29 november 2023 in zaak nr. 21/5652 in het geding tussen:
RMC
en
het Commissariaat voor de Media (het commissariaat).
Procesverloop
Bij besluit van 26 april 2021 heeft het commissariaat, voor zover hier van belang, Stichting Berkelland Lokaal (SBL) aangewezen als lokale publieke media-instelling in de gemeente Berkelland en de aanvraag van RMC hiervoor afgewezen.
Bij besluit van 1 november 2021 heeft het commissariaat het door RMC daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 29 november 2023 heeft de rechtbank het door RMC daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft RMC hoger beroep ingesteld.
RMC heeft een nader stuk ingediend.
Het commissariaat heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 januari 2026, waar RMC, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], en het commissariaat, vertegenwoordigd door mr. C.C.V. Fenwick en M. Huang, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. RMC was voor de periode van 8 maart 2016 tot en met 8 maart 2021 aangewezen als publieke media-instelling voor de gemeenten Berkelland (Berkelland) en Oost Gelre (Oost Gelre). Voor de aansluitende periode vanaf 8 maart 2021 heeft RMC bij het commissariaat een nieuwe aanvraag ingediend. Het commissariaat heeft deze aanvraag toegestuurd aan de raden van Berkelland en Oost Gelre, met het verzoek een gezamenlijk advies uit te brengen over de vraag of RMC voldoet aan de eisen van artikel 2.61, tweede lid, van de Mediawet 2008.
2. Ook SBL heeft een aanvraag ingediend voor dezelfde periode. In tegenstelling tot de aanvraag van RMC ziet deze aanvraag alleen op een aanwijzing voor Berkelland. Het commissariaat heeft deze aanvraag voorgelegd aan de raad van Berkelland met het verzoek advies uit te brengen over de vraag of SBL aan de eisen voldoet. Daarbij heeft het commissariaat erop gewezen dat ook RMC een aanvraag heeft ingediend en dat de raad in zijn advies moet motiveren welke van beide aanvragers de voorkeur heeft (het voorkeursadvies) als beide aanvragers aan de eisen voldoen en zij niet tot samengaan zijn te bewegen.
Besluitvorming
3. Aan zijn besluit van 26 april 2021 heeft het commissariaat ten grondslag gelegd dat de raad van Berkelland in de raadsvergadering van 19 januari 2021 heeft besloten om het commissariaat te adviseren dat beide aanvragers voldoen aan de vereisten van de Mediawet. Verder heeft de raad een voorkeur kenbaar gemaakt voor een aanwijzing van SBL als lokale publieke media-instelling voor Berkelland. Daarbij heeft de raad onder meer te kennen gegeven dat tevergeefs is getracht beide aanvragers te bewegen tot samengaan. Het commissariaat heeft geen reden gezien om van het advies van de raad van Berkelland af te wijken.
Uitspraak van de rechtbank
4. De rechtbank heeft geoordeeld dat het commissariaat de aanvraag van RMC heeft mogen afwijzen. Zij heeft daartoe onder meer het volgende overwogen.
Voorkeursadvies
4.1. De onderzoeksplicht van het commissariaat gaat niet zover dat het - in weerwil van het advies van de raad dat aan de wettelijke vereisten is voldaan - afzonderlijk onderzoek moet doen naar de representativiteit van het media-aanbod en de vraag naar mogelijke politieke en commerciële invloeden van buitenaf. Dit is immers gewaarborgd door de representatieve samenstelling van het programmabepalend orgaan van de lokale publieke media-instelling, zoals de Mediawet voorschrijft in artikel 2.61, tweede lid, aanhef en onder c. Dit laat onverlet dat het commissariaat op grond van artikel 2.63, tweede lid, van de Mediawet een zelfstandige onderzoeksplicht heeft in het geval dat er meer dan één aanvrager is. Niet de raad, maar het commissariaat is immers verantwoordelijk voor de uiteindelijke aanwijzing van een lokale publieke media-instelling. Het commissariaat mag zich daarbij laten adviseren. Dit gebeurt in de praktijk door middel van het zogenoemde voorkeursadvies van de raad.
4.2. De raad heeft gemotiveerd dat hij een sterke voorkeur heeft voor de partij die het beste past in de wens om uiteindelijk te komen tot één streekomroep. Dat is in dit geval SBL. Het commissariaat heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het advies in dit opzicht niet onbegrijpelijk is en dat verder terughoudendheid past bij de beoordeling welke media-instelling de voorkeur moet krijgen.
4.3. RMC wordt niet gevolgd in haar stelling dat de wens van de raad om uiteindelijk tot één streekomroep te komen geen rol mag spelen in de advisering. Het gaat hier niet om de invulling van de wettelijke adviestaak van artikel 2.61, derde lid, van de Mediawet, maar om een voorkeursadvies, waarbij de raad ook gewicht mag toekennen aan andere belangen dan belangen die spelen bij de vraag of aan de wettelijke eisen is voldaan. Die belangen moeten wel verband houden met het vervullen van de publieke media-opdracht. Dat is hier het geval.
4.4. Voor zover RMC betoogt dat de raad onjuist is geïnformeerd over haar prestaties in het verleden, is van belang dat hierover in de vergadering van een raadscommissie is gesproken, maar dat dit aspect niet uitdrukkelijk terugkomt in de motivering van advies, zoals deze in het raadsbesluit is weergegeven. In zoverre wordt het commissariaat gevolgd in het standpunt dat de prestaties van RMC in het verleden geen zwaarwegende rol hebben gespeeld bij het afgeven van het voorkeursadvies.
Onderzoeksplicht
4.5. Het is bestendig beleid van het commissariaat om alleen bij zwaarwegende redenen af te wijken van het voorkeursadvies. Dat laat onverlet dat het voorkeursadvies op zichzelf niet voldoende is om de aanwijzing op te baseren. Steeds moet worden bezien of andere factoren aanwezig zijn die voor het functioneren van de media-instelling van belang kunnen zijn en die niet in het advies van de raad zijn meegenomen. Het commissariaat heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat in dit geval bij de aanwijzing van SBL de relevante factoren al door de raad zijn bezien bij de totstandkoming van het voorkeursadvies. Niet is gebleken van andere factoren die op voorhand afbreuk kunnen doen aan het functioneren van SBL als lokale publieke media-instelling.
Belangenafweging
4.6. Verder is het volgens het commissariaat vast beleid dat de aanwijzing van een nieuwe aanvrager ten koste van de bestaande lokale publieke media-instelling wordt beschouwd als een beslissing met zwaarwegende gevolgen die het zonder beargumenteerde onderbouwing van de raad niet snel zal nemen. In dit geval heeft het commissariaat in redelijkheid kunnen oordelen dat de keuze van de raad voor een andere aanbieder gemotiveerd is gegeven. De rechtbank voegt hier aan toe dat een aanwijzing als hier aan de orde een zogeheten schaars recht is en daarom naar haar aard een beperkte looptijd heeft. De hoofdregel is dat na deze looptijd een ieder gelijke kansen heeft om te worden aangewezen. Dit betekent dat financiële belangen van de zittende aanbieder om zijn activiteiten voort te zetten op zichzelf geen reden kunnen zijn om wederom voor een aanwijzing in aanmerking te komen. Het commissariaat heeft aan dat belang dan ook geen doorslaggevende betekenis hoeven toe te kennen, aldus de rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
5. De gronden die RMC in hoger beroep aanvoert, zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. RMC heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 11 tot en met 13 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt daaraan nog toe dat zij eerder heeft overwogen dat het commissariaat, gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van de Mediawet en de democratische legitimatie van een gemeenteraad, enige terughoudendheid past bij de beoordeling welke instelling de voorkeur moet krijgen (uitspraak van 26 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1049, onder 7.3). In dit geval blijkt uit het advies van de raad van Berkelland dat daarin onder meer is betrokken dat de werkwijze van SBL het beste aansluit op het voornemen om tot één streekomroep voor de Achterhoek te komen en dat RMC daartoe niet wil samenwerken met een andere media-instelling. RMC heeft niet aannemelijk gemaakt dat de raad zich hierbij door oneigenlijke argumenten heeft laten leiden. Het commissariaat mocht het advies van de raad, gelet op de motivering ervan, aan de besluitvorming ten grondslag leggen.
6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
7. Het commissariaat hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. G.O. van Veldhuizen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.
w.g. Daalder
voorzitter
w.g. Hazen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026
452-1175