202303217/1/A3.
Datum uitspraak: 28 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. de burgemeester van Nijmegen,
2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], handelend onder de naam [bedrijf], beiden wonend in Nijmegen,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 13 april 2023 in zaak nr. 20/6816 in het geding tussen:
[appellanten sub 2]
en
de burgemeester.
Procesverloop
Bij besluit van 7 april 2020 heeft de burgemeester een vergunning op grond van de Drank- en horecawet (oud; hierna: DHW) voor een horeca-inrichting geweigerd, de op 22 juli 2014 verleende vergunning ingetrokken en aan [appellanten sub 2] een last onder bestuursdwang opgelegd.
Bij besluit van 25 november 2020 heeft de burgemeester het door [appellanten sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 13 april 2023 heeft de rechtbank het door [appellanten sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 25 november 2020 vernietigd, voor zover dat betrekking heeft op de weigering van de vergunning en het opleggen van de last onder bestuursdwang. Verder heeft de rechtbank de burgemeester opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Tegen deze uitspraak hebben de burgemeester en [appellanten sub 2] hoger beroep ingesteld.
[appellanten sub 2] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 8 juni 2023 heeft de burgemeester het bezwaar van [appellanten sub 2] tegen het besluit van 7 april 2020 opnieuw ongegrond verklaard.
[appellanten sub 2] hebben tegen dat besluit gronden ingebracht.
De Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) is partij in dit geding.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 24 november 2025, waar zijn verschenen:
- de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. M. Litjens,
- [appellant sub 2B], bijgestaan door mr. M. Çankaya, advocaat in Lent, en
- [appellant sub 2A], vertegenwoordigd door mr. M. Çankaya.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant sub 2A] is sinds 2014 eigenaar en exploitant van [bedrijf] aan de [locatie] in Nijmegen. Op 22 juli 2014 heeft de burgemeester aan [appellant sub 2A] een vergunning op grond van de DHW verleend. Vanaf 1 juli 2018 vormen [appellanten sub 2] een vennootschap onder firma (geregistreerd op 30 augustus 2018). De vennootschap onder firma heeft op 21 november 2019 een aanvraag ingediend voor een vergunning op grond van de DHW. Op 22 november 2019 heeft een controle in het café plaatsgevonden, waarvan de toezichthouder op 29 november 2019 een proces-verbaal heeft opgesteld. Mede op basis van dit proces-verbaal heeft de burgemeester de vergunning van 2014 ingetrokken, de gevraagde vergunning geweigerd en een last onder bestuursdwang opgelegd. De last houdt in dat het café per 1 mei 2020 moet sluiten.
Procesbelang [appellanten sub 2]
2. De burgemeester betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat [appellanten sub 2] geen belang meer hadden bij een uitspraak op hun beroep en dat zij evenmin belang hebben bij een uitspraak op hun hoger beroep. De burgemeester wijst erop dat het café met ingang van 1 juni 2022 door een nieuwe ondernemer wordt geëxploiteerd onder de naam café de Munt en dat [appellanten sub 2] niet als leidinggevenden zijn vermeld in de vergunning op grond van de Alcoholwet voor dat café.
2.1. Dit betoog faalt. Het is aannemelijk dat [appellanten sub 2] schade hebben geleden door het besluit van 25 november 2020. Alleen al daarom hadden en hebben zij belang bij een uitspraak op hun beroep en hoger beroep.
Ontbrekende stukken
3. [appellanten sub 2] betogen dat het procesdossier van de rechtbank niet compleet is. In het dossier ontbreken onder meer een aanvraag om vergunning van begin 2018, verslagen van telefoongesprekken met de burgemeester van vóór 30 augustus 2018, interne notities, memo’s, aantekeningen en/of verslagen van contactmomenten met de burgemeester tot 4 oktober 2018 en tussen 15 januari 2019 en 21 oktober 2019.
3.1. Ingevolge artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht zendt het bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken binnen de daar genoemde termijn aan de bestuursrechter. Op grond van het tweede lid kan de bestuursrechter die termijn verlengen.
3.2. De rechtbank heeft de behandeling op de zitting van 12 januari 2022 geschorst en de burgemeester in de gelegenheid gesteld alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. De burgemeester heeft vervolgens stukken overgelegd die de rechtbank bij brief van 11 augustus 2022 aan [appellanten sub 2] heeft gezonden.
[appellanten sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de burgemeester daarnaast nog stukken die op de zaak betrekking hebben in zijn bezit heeft, die niet door hem zijn overgelegd. Daarbij merkt de Afdeling op dat niet is gebleken van een in 2018 in behandeling genomen vergunningaanvraag.
Het betoog faalt.
De intrekking van de vergunning van 2014
4. De burgemeester heeft de vergunning van 2014 ingetrokken om de volgende redenen:
- [appellant sub 2A] heeft [appellant sub 2B] niet tijdig aangemeld als leidinggevende.
- Gevaar voor openbare orde en veiligheid vanwege het faciliteren van illegaal gokken en de aanwezigheid van twee kansspelautomaten zonder vereiste vergunning.
- [appellant sub 2A] voldoet niet aan de eisen over levensgedrag.
5. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester de vergunning terecht heeft ingetrokken omdat [appellant sub 2A] niet tijdig heeft gemeld dat [appellant sub 2B] leidinggevende is. Omdat deze grond de intrekking kan dragen, heeft de rechtbank de overige gronden waarop de intrekking is gebaseerd, niet besproken.
6. Artikel 30a van de DHW luidt:
"1. Een vergunninghouder meldt aan de burgemeester zijn wens:
a. een persoon als leidinggevende te laten bijschrijven;
[…]
2. Deze melding geldt als aanvraag tot wijziging van het aanhangsel.
3. De aanvraag wordt gesteld op een formulier of een elektronische informatiedrager, die bij regeling van Onze Minister worden vastgesteld.
[…]"
Artikel 31 van de DHW luidt:
"1. Een vergunning wordt door de burgemeester ingetrokken, indien:
[…]
d. de vergunninghouder in de in de artikelen 30 en 30a, eerste lid, bedoelde gevallen geen melding als in die artikelen bedoeld heeft gedaan."
7. Voor zover [appellanten sub 2] betogen dat [appellant sub 2B] ten tijde van de controle geen leidinggevende was en ook niet werkzaam is geweest in de inrichting, faalt dit betoog. De Afdeling deelt het oordeel van de rechtbank dat [appellant sub 2B] leidinggevende was en volgt daarbij de motivering van de rechtbank in overweging 6.2 en 6.2.1. van de uitspraak.
8. [appellanten sub 2] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat tijdig melding is gedaan dat [appellant sub 2B] leidinggevende is. Zij wijzen op het Activiteitenrapport van 4 oktober 2018 en het daarin opgenomen verslag van een gesprek met het Ondernemerspunt Nijmegen, waarin zij hebben gemeld dat [appellant sub 2B] vanaf 30 augustus 2018 vennoot en mede-eigenaar is geworden. Het had de burgemeester redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat met dat gesprek ook een melding, als bedoeld in de DHW, is gedaan, aldus [appellanten sub 2].
8.1. Uit het Activiteitenrapport blijkt dat [appellanten sub 2] contact hebben gehad met het Ondernemerspunt van de gemeente over wijziging van de rechtsvorm en het indienen van een aanvraag. Dat contact kan niet worden gelijkgesteld met een melding van de vergunninghouder op grond van artikel 30a van de DHW. De burgemeester behoefde dat contact ook niet als zodanig op te vatten.
Het betoog faalt.
9. De conclusie is dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de vergunning mocht worden ingetrokken op grond van het niet gemeld zijn van [appellant sub 2B] als leidinggevende. De rechtbank was dan ook niet gehouden de andere gronden van de intrekking te beoordelen.
10. De Afdeling zal niettemin ook de intrekking van de vergunning op de grond van artikel 31, eerste lid, aanhef en onder c, van de DHW (gevaar voor openbare orde en veiligheid) bespreken, omdat de intrekking op die grondslag van belang is voor de weigering van de nieuwe vergunning met toepassing van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder a, en van de DHW in samenhang met artikel 8, tweede lid, van de DHW en artikel 5, eerste lid, van het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999 (oud; hierna: Besluit eisen zedelijk gedrag).
11. Artikel 31, eerste lid, aanhef en onder c, van de DHW luidt:
"Een vergunning wordt door de burgemeester ingetrokken, indien zich in de betrokken inrichting feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven der vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid."
12. De burgemeester heeft overwogen dat in de inrichting illegale kansspelen worden toegestaan en gefaciliteerd. Tijdens de controle van 22 november 2019 is gebleken dat twee gokzuilen aanwezig waren waarmee illegaal kan worden gegokt. Die gokzuilen waren kennelijk in gebruik. Daarnaast waren twee kansspelautomaten aanwezig waarvoor geen vergunning was verleend. Hiermee is volgens de burgemeester gerechtvaardigd dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde en veiligheid.
13. [appellanten sub 2] betogen dat de geconstateerde feiten niet zonder meer de vrees rechtvaardigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde en veiligheid. Verder is van belang dat in de periode van vijf maanden tussen de controle en het intrekkingsbesluit zich geen nieuwe incidenten hebben voorgedaan. Zij stellen dat met een minder vergaande maatregel dan wel met een waarschuwing had kunnen worden volstaan. Ook wijzen zij erop dat de burgemeester ten aanzien van andere cafés in Nijmegen waar ook gokzuilen zijn aangetroffen, met een waarschuwing of een geldboete heeft volstaan.
13.1. De in het proces-verbaal van 29 november 2019 beschreven bevindingen (zie onder 12) zijn niet bestreden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de burgemeester de aanwezigheid van gokapparatuur zonder de daartoe vereiste vergunning in dit geval als omstandigheid mogen aanmerken, die de vrees wettigt dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid en zedelijkheid. Niet is gebleken dat [appellanten sub 2] geen verwijt treffen ten aanzien van het faciliteren van het illegaal gokken. De door [appellanten sub 2] genoemde rechtspraak biedt geen aanleiding voor een ander oordeel. Daarbij zij opgemerkt dat de door hen genoemde uitspraken van de Afdeling gaan over gevallen die niet gelijk zijn aan de onderhavige. Verder hebben [appellanten sub 2] met de algemene stelling dat de burgemeester bij andere cafés met een waarschuwing of geldboete heeft volstaan, niet aannemelijk gemaakt dat de intrekking van de vergunning in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Daarbij betrekt de Afdeling dat de burgemeester gemotiveerd heeft bestreden dat sprake is van gelijke gevallen. Ten slotte maakt het tijdsverloop van vijf maanden niet dat de burgemeester de vergunning niet had mogen intrekken.
De desbetreffende gronden slagen niet.
13.2. Voor zover [appellanten sub 2] gronden hebben aangevoerd over de termijn die bij de intrekking van de vergunning kan worden gesteld, waarbinnen een aanvraag voor een nieuwe vergunning kan worden geweigerd, overweegt de Afdeling dat de burgemeester een dergelijke termijn niet heeft gesteld. De desbetreffende gronden kunnen dan ook niet slagen.
14. De conclusie is dat de burgemeester de vergunning ook op grond van artikel 31, eerste lid, aanhef en onder c, van de DHW terecht heeft ingetrokken.
Gelet hierop behoeft de intrekkingsgrond "slecht levensgedrag" en wat [appellanten sub 2] daarover hebben aangevoerd geen bespreking.
De weigering van de vergunning
15. De burgemeester heeft de vergunning geweigerd op grond van het volgende:
- [appellant sub 2A] is leidinggevende geweest van een inrichting waarvan de vergunning is ingetrokken op grond van artikel 31, eerste lid, onder c, van de DHW (artikel 27, eerste lid, aanhef en onder a, van de DHW in samenhang met artikel 8, tweede lid, van de DHW en artikel 5, eerste lid, van het Besluit eisen zedelijk gedrag).
- [appellanten sub 2] voldoen niet aan de eisen met betrekking tot het levensgedrag als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de DHW.
- Een vergunning voor een inrichting waarvan de vergunning op grond van artikel 31, eerste lid, onder c, van de DHW is ingetrokken, kan gedurende een bij die intrekking vastgestelde termijn van ten hoogte vijf jaar worden geweigerd (artikel 27, tweede lid, van de DWH).
16. De rechtbank heeft de weigering van de vergunning vernietigd. De rechtbank heeft geoordeeld dat de weigering op grond van de eisen met betrekking tot het levensgedrag ondeugdelijk is gemotiveerd. Verder wordt volgens de rechtbank niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 27, tweede lid, van de DHW, zodat de vergunning niet op grond van die bepaling kan worden ingetrokken.
17. De burgemeester betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten de weigering van de vergunning te toetsen aan artikel 5, eerste lid, van het Besluit eisen zedelijk gedrag.
18. Dit betoog slaagt. Nu de rechtbank de twee andere weigeringsgronden ondeugdelijk heeft bevonden en de burgemeester de vergunning uit 2014 op grond van artikel 31, eerste lid, aanhef en onder c, van de DHW terecht heeft ingetrokken, had de rechtbank de weigeringsgrond van artikel 5, eerste lid, van het Besluit eisen zedelijk gedrag, ook moeten toetsen.
Het hoger beroep is gegrond.
De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd voor zover het de weigering van de vergunning betreft. De Afdeling zal de weigering van de vergunning alsnog toetsen aan artikel 5, eerste lid, van het Besluit eisen zedelijk gedrag.
19. Artikel 27, eerste lid, aanhef en onder a, van de DHW luidt: "Een vergunning wordt geweigerd indien niet wordt voldaan aan de ingevolge de artikelen 8 tot en met 10 geldende eisen."
Artikel 8, tweede lid, van de DHW luidt: "Bij algemene maatregel van bestuur worden […] andere eisen ten aanzien van het zedelijk gedrag van leidinggevenden gesteld […]."
Artikel 5, eerste lid, van het Besluit eisen zedelijk gedrag luidt: "Een leidinggevende is binnen de laatste vijf jaar geen leidinggevende geweest van een inrichting waarvan de vergunning is ingetrokken op grond van artikel 31, eerste lid, onder c, van de Drank- en Horecawet […], tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft."
19.1. Zoals hiervoor is geoordeeld heeft de burgemeester de vergunning uit 2014 terecht ingetrokken op grond van artikel 31, eerste lid, aanhef en onder c, van de DHW. Niet aannemelijk is gemaakt dat [appellant sub 2A] geen verwijt kan worden gemaakt. Dit leidt tot het oordeel dat de burgemeester de door de vennootschap onder firma ([appellanten sub 2] gezamenlijk) ingediende vergunningaanvraag op grond van artikel 27 van de DHW, eerste lid, aanhef en onder a, van de DHW in samenhang met artikel 5, eerste lid, van het Besluit eisen zedelijk gedrag terecht heeft geweigerd.
De last onder bestuursdwang
20. De aan [appellanten sub 2] opgelegde last onder bestuursdwang houdt in dat de exploitatie van het café per 1 mei 2020 wordt beëindigd en beëindigd gehouden. De burgemeester heeft de last opgelegd als gevolg van de intrekking van de vergunning van 2014 en de weigering van de nieuw aangevraagde vergunning.
21. De rechtbank heeft in de vernietiging van de weigering van de vergunning grond gezien om ook de last onder bestuursdwang te vernietigen. De beoordeling van het bezwaar tegen het opleggen van de last is immers afhankelijk van de (hernieuwde) beoordeling van het bezwaar tegen de weigering van de vergunning, aldus de rechtbank.
Nu, zoals hiervoor is geoordeeld, de burgemeester de vergunning terecht heeft geweigerd en de uitspraak van de rechtbank in zoverre moet worden vernietigd, is de grondslag aan de vernietiging van de last onder bestuursdwang komen te ontvallen.
22. Mede gelet op de weigering van de nieuwe vergunning bestond
- anders dan [appellanten sub 2] stellen - geen concreet zicht op legalisatie. In wat [appellanten sub 2] verder hebben aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het opleggen van de last onevenredig is.
23. De conclusie is dat de burgemeester de last onder bestuursdwang heeft mogen opleggen. De uitspraak van de rechtbank moet op dat punt worden vernietigd. Het beroep van [appellanten sub 2] tegen het opleggen van de last is ongegrond.
Het besluit van 8 juni 2023
24. Bij besluit van 8 juni 2023 heeft de burgemeester opnieuw beslist op het bezwaar van [appellanten sub 2] tegen het besluit van 7 april 2020. De burgemeester heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast heeft de burgemeester het bezwaar inhoudelijk beoordeeld en ongegrond bevonden.
Dit besluit is genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank. Door de vernietiging van die uitspraak is de grondslag aan dat besluit komen te ontvallen, zodat het alleen al daarom moet worden vernietigd.
Conclusie
25. Het hoger beroep van [appellanten sub 2] is ongegrond. Het hoger beroep van de burgemeester is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet in zijn geheel worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellanten sub 2] tegen het besluit van 25 november 2020 ongegrond verklaren. Het besluit van 8 juni 2023 moet worden vernietigd omdat daaraan de grondslag is komen te ontvallen.
Dit betekent dat de intrekking van de vergunning van 2014, de weigering van de nieuwe vergunning en de last onder bestuursdwang in stand blijven. De burgemeester hoeft geen nieuw besluit te nemen.
26. De burgemeester hoeft geen proceskosten te betalen.
Overschrijding redelijke termijn
27. [appellanten sub 2] hebben op de zitting verzocht om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn voor het doen van uitspraak.
27.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze, die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.
27.2. De burgemeester heeft het bezwaarschrift van [appellanten sub 2] ontvangen op 6 mei 2020. De redelijke termijn is in deze procedure dus met één jaar en negen maanden overschreden. Deze overschrijding moet voor 1/20e deel aan de burgemeester, voor 10/20e deel aan de rechtbank en voor 9/20e deel aan de Afdeling worden toegerekend.
27.3. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 2.000,00. Omdat [appellanten sub 2] gezamenlijk hebben geprocedeerd, ziet de Afdeling aanleiding om in dit geval het bedrag van de aan ieder toe kennen schadevergoeding te matigen met 50% (€ 1.000,00). Dat betekent dat aan hen gezamenlijk in totaal € 2.000,00 schadevergoeding zal worden betaald.
De vergoeding van de schade wordt naar evenredigheid uitgesproken ten laste van de burgemeester en de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties).
28. De burgemeester en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) moeten de proceskosten van het verzoek vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] ongegrond;
II. verklaart het hoger beroep van de burgemeester van Nijmegen gegrond;
III. vernietigt de aangevallen uitspraak;
IV. verklaart het beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] tegen het besluit van de burgemeester van Nijmegen van 25 november 2020 ongegrond;
V. vernietigt het besluit van de burgemeester van Nijmegen van 8 juni 2023;
VI. wijst het verzoek om schadevergoeding toe;
VII. veroordeelt de burgemeester van Nijmegen om aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] een schadevergoeding van € 100,00 te betalen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de burgemeester aan zijn verplichting heeft voldaan;
VIII. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] een schadevergoeding van € 1.900,00 te betalen (€ 1.000,00 te voldoen door de minister van Justitie en Veiligheid en € 900,00 te voldoen door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de Staat aan zijn verplichting heeft voldaan;
IX. veroordeelt de burgemeester van Nijmegen tot vergoeding van bij [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de burgemeester aan zijn verplichting heeft voldaan;
X. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (€ 116,75 te voldoen door de minister van Justitie en Veiligheid en € 116,75 te voldoen door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de Staat aan zijn verplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, griffier.
w.g. Willems
voorzitter
w.g. Van der Maesen de Sombreff
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026
190