202301706/4/R2.
Datum uitspraak: 28 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op een verzoek om schadevergoeding van:
[verzoekers], wonend in Rosmalen, gemeente ’s-Hertogenbosch (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker]),
verzoekers.
Procesverloop
Bij uitspraak van 3 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5851, heeft de Afdeling uitspraak gedaan op het beroep in een zaak waarbij [verzoeker] partij was.
In die zaak heeft [verzoeker] verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
De Afdeling heeft het onderzoek heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de door [verzoeker] gevorderde schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
De Afdeling heeft de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) (hierna: de Staat) aangemerkt als partij in deze procedure.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht op een zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1. [verzoeker] heeft verzocht om vergoeding van schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn.
2. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit één rechterlijke instantie bestaat zonder voorafgaande bezwaarprocedure, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste twee jaar redelijk. De termijn begint op het moment van ontvangst van het beroepschrift door de Afdeling, en niet, zoals [verzoeker] veronderstelt, bij het indienen van een zienswijze tegen een ontwerpbesluit.
3. De Afdeling heeft het beroepschrift van [verzoeker] ontvangen op
27 maart 2023. De Afdeling heeft op 3 december 2025 uitspraak gedaan. Dat is ruim twee jaar en acht maanden na het instellen van het beroep. De redelijke termijn is in deze procedure dus met ruim acht maanden overschreden.
4. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 1.000,00. Daarbij wordt opgemerkt dat [verzoeker A] samen met [verzoekster B] procedeert, waarin de Afdeling in dit geval aanleiding ziet om het bedrag te matigen. Dat betekent dat aan hen samen in totaal een bedrag van € 1.000 wordt toegekend. Deze matiging acht de Afdeling redelijk vanwege de matigende invloed die het samen deelnemen als partij in het voorliggende geval heeft gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die zij hebben ondervonden door de te lang durende procedure.
5. De Staat moet de proceskosten van het verzoek vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst het verzoek om schadevergoeding van [verzoekers] toe;
II. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [verzoekers] een schadevergoeding van € 1.000,00 te betalen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de Staat aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
III. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [verzoekers] in verband met de behandeling van hun verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de Staat aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. H.J.M. Besselink en mr. N.H. van den Biggelaar, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.M.W. van Ewijk, griffier.
w.g. Knol
voorzitter
w.g. Van Ewijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026