202600281/1/R1.
Datum uitspraak: 26 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant] en anderen, allen wonend in Hoorn,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 17 februari 2025 in zaak nr. 23/6289 in het geding tussen:
[appellant] en anderen
en
het college van burgemeester en wethouders van Hoorn.
Procesverloop
Bij besluit van 8 juni 2023 heeft het college het verzoek van [appellant] en anderen om handhavend op te treden tegen het zonder vergunning uitvoeren van werkzaamheden aan de Geldelozeweg in Hoorn afgewezen.
Bij besluit van 21 augustus 2023 heeft het college het door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 februari 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 augustus 2026, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant], bijgestaan door mr. M. Heimensem, advocaat in Den Oever, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.E.J.M. Bogaarts, zijn verschenen. Deze zaak is tegelijk behandeld met de zaak 202501824 (ECLI:NL:RVS:2026:4910), waarin heden ook uitspraak is gedaan.
Overwegingen
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.
Het verzoek om handhaving van de Wabo is gedaan op 28 februari 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. De gemeente heeft zonder omgevingsvergunning werkzaamheden uitgevoerd aan de Geldelozeweg. De werkzaamheden bestaan, voor zover relevant, uit het verbreden en ophogen van de weg en het vervangen van het asfalt door beton. Voor legalisering van de werkzaamheden heeft de gemeente op 19 januari 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd. Op 16 maart 2023 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo verleend. Die omgevingsvergunning is het onderwerp van de uitspraak van heden, ECLI:NL:RVS:2026:4910.
3. [appellant] en anderen wonen aan de Geldelozeweg. Op 28 februari 2023 hebben zij bij het college een verzoek om handhaving ingediend over de zonder omgevingsvergunning uitgevoerde werkzaamheden aan de Geldelozeweg.
Het college heeft dat verzoek bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 8 juni 2023 afgewezen, omdat er door de verleende omgevingsvergunning geen overtreding meer is.
Beoordeling in hoger beroep
4. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college het handhavingsverzoek van [appellant] en anderen terecht heeft afgewezen. Hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd, kan niet leiden tot het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college ten tijde van de besluitvorming niet bevoegd was om te handhaven omdat er geen overtreding meer was.
Slot en conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.C.M. Wijgerde, griffier.
w.g. De Groot
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Wijgerde
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026
672-1208